# Rechtbank Amsterdam, 03-09-2026 (13-110136-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8875
- Date: 2026-09-03
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8875
- Canonical: https://overview.legal/posts/353864

## Summary

Vervolgings-EAB uit Frankrijk. Na tussenuitspraak. Artikel 11 OLW: het vastgestelde individuele reële gevaar is voor de opgeëiste persoon weggenomen. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-110136-26 Datum uitspraak: 3 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 april 2026 door de Openbaar aanklager bij de justitiële rechtbank te Lille, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Eritrea), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 30 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.J. Lamers, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 14 juli 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon, in geval van overlevering aan Frankrijk, een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek tot overlevering daarom aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zodat bij een volgende zitting kan worden nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. Voorts heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid en onder c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 20 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. E.G.S. Rozestraten, als waarnemer voor mr. M.J. Lamers, beiden advocaat in Utrecht. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Eritrese nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 14 juli 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 6). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 14 juli 2026. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 24 juli 2026 de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “ Could you please guarantee that [opgeëiste persoon] will be placed in a single-person cell (in isolation), meaning that he would be placed in a cell with 10-11 m2 surface area with a sanitary area between 1,4 and 1,8 m2? ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 24 juli 2026 hierop als volgt geantwoord: “ As indicated in the email dated June 15, 2026, should [opgeëiste persoon] be handed over and placed in pretrial detention, the investigating judge in charge of the proceedings has committed to issuing an order for judicial isolation. In that case, [opgeëiste persoon] will indeed be alone in a cell measuring 10 to 11 m2 surface area with a sanitary area between 1,4 and 1,8 m2 ” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 juli 2026 blijkt dat de Franse onderzoeksrechter een bevel tot plaatsing in isolatie zal uitvaardigen op het moment dat de opgeëiste persoon is overgeleverd aan Frankrijk en hij in voorlopige hechtenis is genomen. Dit betekent dat de opgeëiste persoon zich na overlevering niet alleen in een cel bevindt. Voor de opgeëiste persoon wordt niet gegarandeerd dat hij meteen na zijn overlevering in een eenpersoonscel zal worden geplaatst. Pas nadat een bevel tot voorlopige hechtenis is afgegeven, kan door de Franse onderzoeksrechter een bevel tot plaatsing in isolatie worden uitgevaardigd. Het is echter niet duidelijk hoeveel tijd er zal verstrijken tussen de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk, het afgeven van een bevel tot voorlopige hechtenis en het uitvaardigen van het bevel tot plaatsing in isolatie door de Franse onderzoeksrechter. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie van 24 juli 2026 het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon heeft weggenomen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse onderzoeksrechter een bevel tot plaatsing in isolatie zal uitvaardigen als aan twee voorwaarden wordt voldaan, namelijk dat de opgeëiste persoon is overgeleverd en dat hij in voorlopige hechtenis is genomen. Indien de opgeëiste persoon niet wordt overgeleverd of het bevel tot voorlopige hechtenis niet wordt afgegeven, zal de opgeëiste persoon in Frankrijk niet in detentie terechtkomen. Nadat de overlevering van de opgeëiste persoon door deze rechtbank is toegestaan en hij feitelijk is overgeleverd aan Frankrijk, zal door de bevoegde autoriteit (niet zijnde de Franse onderzoeksrechter) een bevel tot voorlopige hechtenis worden afgegeven. Op dat moment is aan de twee vereisten voldaan en zal de Franse onderzoeksrechter ten aanzien van de opgeëiste persoon een bevel tot plaatsing in isolatie uitvaardigen. Gelet op de aanvullende informatie is er geen reden om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon zonder een bevel tot plaatsing in isolatie in Frankrijk zal worden gedetineerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Hiervoor is het volgende van belang. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ondubbelzinnige garantie dat de Franse onderzoeksrechter een bevel tot plaatsing in isolatie zal uitvaardigen op het moment dat de opgeëiste persoon is overgeleverd aan Frankrijk en aldaar in voorlopige hechtenis is genomen. De aanvullende informatie van 24 juli 2026 biedt geen ruimte om te veronderstellen dat de Franse onderzoeksrechter het bevel tot plaatsing in isolatie niet zal uitvaardigen. Voor zover er sprake kan zijn van een korte periode tussen overlevering en plaatsing in isolatie, heeft de rechtbank - gelet op de context waarin de vragen van het IRC van 24 juli 2026 zijn gesteld en de in antwoord daarop verstrekte aanvullende informatie - geen aanleiding om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in die korte periode zal worden blootgesteld aan het vastgestelde algemene gevaar. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aanvullende informatie van 24 juli 2026, het vastgestelde individuele reële gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Openbaar aanklager bij de justitiële rechtbank te Lille (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Ter publicatie aangeboden.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353864 · 2026-09-10
