Skip to content
Case Law · College van Beroep voor het bedrijfsleven ·ECLI:NL:CBB:2026:421 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-08-2026 (25/265)

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Summary

Beslissing 8:29 Awb. Beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Full text

beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/265 beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) (gemachtigden: mr. M.O.G. Temme, mr. L.M.F. Hummel, mr. P. Amador Sanchez en mr. A.B. Makkinga) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2025, kenmerk ROT 23/5310, in het geding tussen [naam 1] , te [vestigingsplaats 1] ( [land 1] ) en [naam 2] , te [vestigingsplaats 2] ( [land 2] ) (samen: [naam 3] ) (gemachtigde: mr. M.O. Meulenbelt) en de ACM Procesverloop De ACM heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:1806), waarbij de beslissing op bezwaar van de ACM van 22 juni 2023 is vernietigd. De ACM heeft met het besluit van 12 juni 2025 opnieuw beslist op het bezwaar van [naam 3] . Gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het hoger beroep van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe besluit. De ACM heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Deze stukken hebben betrekking op het aanvullende vooronderzoek dat de ACM heeft gedaan naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, ter voorbereiding op het besluit van 12 juni 2025. Het betreft (delen van) de volgende stukken (aangeduid met de door de ACM op de inventarislijst van de aanvullende stukken gebruikte nummers): 5, 5.1, 5.4, 5.5, 5.6, 5.7, 5.8, 5.9, 5.10, 6.1, 7 en 101. [naam 3] heeft op dit verzoek een schriftelijke reactie ingediend. Hierop heeft de ACM schriftelijk gereageerd. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College mr. H.L. van der Beek opgedragen om als rechter-commissaris deze beslissing te nemen. 2 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een betrokkene onevenredig schaden, terwijl de ACM er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie, hoewel de gegevens zelf niet als bedrijfsgegevens zijn aan te merken. 3 Op de inventarislijst heeft de ACM door middel van codes aangegeven op welke gronden beperking van kennisneming wordt verzocht. De codes verwijzen naar gronden voor beperking van de kennisneming, zoals nader omschreven in de ‘Standaardtabel motivering vertrouwelijkheid’. Het gaat om passages die volgens de ACM concurrentiegevoelige gegevens bevatten (code A.1 in de tabel) en passages met persoonsgegevens of gegevens die raken aan de persoonlijke levenssfeer en/of bijzondere persoonsgegevens (code B in de tabel). 4 [naam 3] meent dat het verzoek van de ACM moet worden afgewezen omdat geen gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aanwezig zijn. Zij doet daarbij een beroep op artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). Volgens [naam 3] hebben de stukken betrekking op haar en daarom zou voor de ACM een verplichting bestaan een verzoek van [naam 3] om informatie, vervat in die stukken, in te willigen. Verder stelt [naam 3] dat de ACM niet deugdelijk gemotiveerd heeft welke gegevens aan te merken zouden zijn als bedrijfs- en fabricagegegevens. Daarnaast heeft de ACM niet inzichtelijk gemaakt of en zo ja hoe de verstrekking van de genoemde informatie aan [naam 3] concurrentienadeel kan opleveren voor de betrokkenen. Ten slotte stelt [naam 3] dat kennisneming van de namen van de betrokken personen voor haar noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen behartigen. Daar komt bij dat een belangrijk deel van de informatie inmiddels ouder is dan vijf jaar. 5 De ACM merkt op dat uit haar verzoek volgt dat de gegevens waarvoor zij vertrouwelijke behandeling verzoekt juist gegevens van derden zijn. Dit betekent dat de uitzonderingsgronden uit artikel 5.1, eerste lid, van de Woo wel degelijk van toepassing zijn. Daarbij maakte de ACM bovendien duidelijk wat de reden is dat deze gegevens moeten worden aangemerkt als concurrentiegevoelige informatie. Het is dan ook onjuist dat de ACM niet inzichtelijk zou hebben gemaakt dat de verstrekking van deze gegevens een nadeel kan opleveren voor de betrokkenen. Ook voor de gegevens die raken aan de persoonlijke levenssfeer zette de ACM uiteen wat de reden is dat deze als vertrouwelijk dienen te worden aangemerkt. Daarbij benadrukt de ACM dat [naam 3] hierdoor geenszins in haar belangen wordt geschaad. De namen van de betrokken ondernemingen zijn immers wel leesbaar gemaakt. Voorts doet het verloop van tijd geen afbreuk aan de vertrouwelijkheid. Bekendmaking van deze gegevens zou de belangen van de betrokken personen en ondernemingen onevenredig schaden, terwijl kennisneming hierdoor van [naam 3] niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen behartigen. 6.1 De rechter-commissaris oordeelt dat de gevraagde beperking van de kennisneming van delen van de stukken met code A.1 gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten bedrijfsvertrouwelijke gegevens of gegevens waaruit (een deel van) de marktstrategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid, voor zover al niet zonder meer sprake is van concurrentiegevoelige gegevens. De ACM heeft voldoende duidelijk vermeld over welke passages in de stukken het gaat en wat voor gegevens daarin staan, zoals inkoopprijzen. Een deel van de informatie in de stukken is meer dan vijf jaar oud. Informatie die minstens vijf jaar oud is, verliest door tijdsverloop in beginsel het vertrouwelijk karakter, tenzij de partij die zich op de vertrouwelijkheid beroept, aannemelijk maakt dat deze informatie ondanks de ouderdom ervan nog steeds een wezenlijk onderdeel van haar commerciële positie of van die van een betrokken derde vormt (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 maart 2017 in de zaak Evonik Degussa GmbH, C-162/15 P, ECLI:EU:C:2017:205). Naar het oordeel van de rechter-commissaris heeft de ACM aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende gegevens nog steeds inzicht kunnen geven in de huidige commerciële positie van de betrokkenen. Daarbij acht de rechter-commissaris van belang dat, zoals de ACM uiteengezet heeft, zij in een commerciële verhouding zouden kunnen staan met [naam 3] en terbeschikkingstelling van de gegevens hun onderhandelingspositie zou kunnen aantasten. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat een onbeperkte kennisneming van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens zal kunnen leiden, terwijl kennisneming van deze informatie door de partij die er niet over beschikt niet noodzakelijk is om haar standpunten toereikend te kunnen bepleiten. 6.2 De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van delen van de stukken met code B ook gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten onder meer persoonsgegevens van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat kennisneming van deze informatie door alle partijen tot een onevenredig nadeel voor betrokkenen zal kunnen leiden en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg zal kunnen hebben. De rechter-commissaris heeft ook het belang meegewogen van de ACM om in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die zij nodig heeft voor een goede uitoefening van haar taken. 6.3 [naam 3] heeft in haar reactie een beroep gedaan op artikel 5.5 van de Woo. Uit dit artikel volgt dat de ACM informatie die betrekking heeft op [naam 3] op haar verzoek aan haar moet verstrekken, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, van de Woo genoemd belang aan de orde is, voor zover dat betrekking heeft op derden. De rechter-commissaris stelt vast dat het bij de gegevens in de zin van codes A.1 en B, waarvoor de ACM om beperking van de kennisneming verzoekt, juist gaat om gegevens van derden. Zoals hiervoor al is geoordeeld, heeft de ACM voldoende duidelijk vermeld om welke gegevens het gaat en waarom deze vertrouwelijk moeten blijven. Het betoog van [naam 3] leidt dan ook niet tot een ander oordeel. 6.4 De rechter-commissaris ziet geen aanleiding om de gemachtigden van [naam 3] wel inzage te geven in de vertrouwelijke versie van de stukken. [naam 3] kan haar belangen naar behoren behartigen met een beperkte kennisneming van de stukken. 7 Het College kan alleen met toestemming van de andere partij mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. [naam 3] wordt verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet op het hoger beroep. Beslissing De rechter-commissaris: - beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is; - verzoekt [naam 3] om binnen twee weken na de verzending van deze beslissing schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet op het hoger beroep. Deze beslissing is genomen op 27 augustus 2026 door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. w.g. H.L. van der Beek w.g. A.A. Dijk