# Rechtbank Den Haag, 04-09-2026 (NL26.48673)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:25979
- Date: 2026-09-04
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A25979
- Canonical: https://overview.legal/posts/353867

## Summary

Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Vervolgberoep wordt aangemerkt als eerste beroep. Grondslag van de ophouding, advocaat bij het gehoor, alle bewaringsgronden betwist, medische situatie, lichter middel, voortvarendheid. Beroep ongegrond.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.48673 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.K. Bhadai), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1987, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. 2.2. Op 21 augustus 2026 heeft de gemachtigde van eiser het beroep ingetrokken. De rechtbank heeft deze intrekking ten onrechte afgehandeld. Op 24 augustus 2026 heeft de gemachtigde van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Aangezien er door de intrekking op 21 augustus 2026 nog geen behandeling heeft plaatsgevonden zal het vervolgberoep worden behandeld als een eerste beroep. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft een forumlier afstandsverklaring ondertekend waarin hij te kennen geeft dat hij niet ter zitting wenst te verschijnen. De gemachtigde van eiser heeft zich met een bericht afgemeld voor de zitting. Namens de minister is, wegens organisatorische redenen, niemand verschenen. Beoordeling door de rechtbank Het voortraject 3. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, maar dit had op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 moeten zijn. Hij heeft tijdens zijn staandehouding zijn volledige naam, geboortedatum, geboorteplaats en Poolse nationaliteit opgegeven. De gegevens van eiser waren dus bekend bij de vreemdelingenpolitie, waardoor zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld. Dat eiser geen identiteitsdocument bij zich had, maakt niet dat gekozen had moeten worden voor artikel 50, tweede lid, van de Vw. Dit leidt tot een gebrek in het voortraject, aldus eiser. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de ophouding gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw. Eiser had immers geen identificerend document of andere documenten waaruit zijn identiteit bleek. Het enkel verstrekken van persoonsgegevens door eiser is onvoldoende om aan te nemen dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 25 januari 2021 van de Afdeling, volgt dat als een vreemdeling niet beschikt over een identiteitsdocument de minister de bevoegdheid heeft om eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw op te houden. Eiser is dan ook op een juiste grondslag opgehouden. Anders dan eiser stelt is dan ook geen sprake van een gebrek in het voortraject. De beroepsgrond slaagt niet. 4. Verder voert eiser aan dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onterecht zonder advocaat is aangevangen. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat de antwoorden van eiser geen ondubbelzinnige en vrije afstand van rechtsbijstand opleveren. 4.1. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij zich tijdens het gehoor kosteloos kon laten bijstaan door een raadsman. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hij geen advocaat bij het gehoor wil, maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure van bewaring wil. Daaropvolgend is er een piketmelding gedaan. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat voorafgaand aan het gehoor contact is geweest met de gemachtigde en dat hij niet binnen twee uur aanwezig kon zijn. Aan eiser is vervolgens gevraagd: “V: U heeft recht op een advocaat. U advocaat komt zo spoedig mogelijk. Ik heb uw advocaat al gesproken en ik kan alvast beginnen met het gehoor. Uw advocaat komt zo? A: Is goed. V: Uw advocaat is niet aanwezig bij het verhoor. Is dat naar uw zienswijze oke? A: Ja hoor. V: Dan gaan we nu met uw goedvinden het verhoor zonder advocaat aanvangen? A: Ik heb geen keuze. O: Nee hoor u heeft wel de keuze. A: nee hoor we kunnen gewoon beginnen” 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hiermee uitdrukkelijk geïnformeerd over de mogelijkheid van bijstand tijdens het gehoor. Hoewel eiser aanvankelijk aangaf geen keuze te hebben is aan eiser vervolgens expliciet medegedeeld dat hij die keuze wel had. Eiser heeft daarna ingestemd met het aanvangen van het gehoor zonder advocaat. De rechtbank acht hierbij ook nog van belang dat eiser gedurende het vervolg van de procedure is bijgestaan door zijn gemachtigde en dat eiser ook niet heeft gemotiveerd dat, en waarom hij met deze gang van zaken in zijn belangen zou zijn geschaad. De beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring 5. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 5.1. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat. 5.2. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.3. Eiser betwist alle bewaringsgronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd. 5.4. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. De minister heeft grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten en Nederland daarmee niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen. Ook grond r is feitelijk juist en in de maatregel is ook voldoende gemotiveerd waarom hieruit het onderduikrisico volgt. Eiser beschikt immers niet over een vaste woon- en verblijfplaats zodat hij niet traceerbaar is voor zijn verwijderingsprocedure. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gronden a en r de maatregel van vreemdelingenbewaring al kunnen dragen en voldoende zijn om een onderduikrisico aan te nemen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. 6. Daarnaast voert eiser aan dat de minister voor oplegging van de bewaring nader onderzoek had moeten doen naar psychische problemen bij eiser. In de maatregel wordt verwezen naar eerdere gehoren waaruit dit zou blijken. De houding van eiser tijdens het gehoor en het weigeren van eiser om te antwoorden op de gestelde vragen had voor de minister aanleiding moeten zijn voor dit nader onderzoek. De maatregel is daarmee onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd, aldus eiser. 6.1. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen inhoudelijk antwoord heeft gegeven op de vragen of hij gezond is en of hij medicatie gebruikt. Eiser heeft slechts gevraagd waarom deze vragen werden gesteld en vervolgens aangegeven geen antwoord te willen geven op deze vragen. Ook zou eiser onrustig en druk geweest zijn. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister onder deze omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien voor nader onderzoek. Uit eerdere gehoren is gebleken van psychische problemen van eiser en medicijngebruik. De minister heeft daarop een politiearts gewaarschuwd. De rechtbank beschouwt dit als een passende voorzorgsmaatregel. Dat eiser tijdens het gehoor op sommige vragen niet wilde antwoorden en warrig en druk was, maakt niet dat de minister in eisers geval gehouden was tot nader medisch onderzoek. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in het detentiecentrum ook medische zorg aanwezig is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet. 7. Ook voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, begeleid verblijf, documentbemiddeling of een concrete vertrekafspraak. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals in rechtsoverweging 5.4 is overwogen, de bewaringsgronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Verder heeft de minister kunnen meewegen dat eiser in Nederland een overlastgevend en zwervend bestaan leidt. Ook heeft eiser geen poging gedaan om Nederland te verlaten. De rechtbank is verder niet gebleken dat sprake is van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan bewaring op te leggen. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 8. Eiser voert tot slot aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser. Op 24 augustus 2026 is er een laissez-passer aangevraagd maar verder is onduidelijk wat daarna is gebeurd, aldus eiser. Ook heeft de minister niet uitgelegd waarom het nodig is om met een laissez-passer te reizen, nu de gegevens van eiser vaststaan. 8.1. Omdat eiser niet in het bezit is van een geldig paspoort, is een laissez-passer noodzakelijk om te reizen. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het dossier blijkt allereerst dat op 24 augustus 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. Daarnaast is op 25 augustus 2026 een terugnameverzoek aan Polen verstuurd. Op 27 augustus 2026 heeft Polen het verzoek geaccepteerd. Op 28 augustus 2026 is vervolgens een vlucht aangevraagd en op 31 augustus 2026 is deze aanvraag geaccepteerd. Op 1 september 2026 is de vluchtboeking ontvangen. De gemachtigde van eiser is op 2 september 2026 op de hoogte gesteld van de vluchtgegevens. De vlucht naar Polen staat gepland voor 8 september 2026 om 14:35 uur. Gelet op deze handelingen is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. 9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4920, rechtsoverweging 4.1. Hierin staat dat het beroep dat ontstaat door de kennisgeving niet kan worden ingetrokken. ECLI:NL:RVS:2021:134. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353867 · 2026-09-10
