Rechtbank Rotterdam, 31-08-2026 (25/890)
Eiser is medepleger van de door de onderneming begane overtreding van artikel 2:96 van de Wft (verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder de daartoe benodigde vergunning van de AFM). De rechtbank heeft het boetebedrag gematigd vanwege bijzondere omstandigheden gelegen in de opstelling van eiser na het verdwijnen van de onderneming, de evenredigheid in het algemeen en overschrijding van de redelijke termijn.
Full text
RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/890 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM) gemachtigden: mr. A.J. de Heer, mr. R. den Boer en mr. W.J. Poot. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de AFM eiser in de periode van 13 juli 2018 tot 29 oktober 2021 terecht als medepleger heeft gekwalificeerd van de door [de onderneming] ( [de onderneming] ) begane overtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Eiser heeft het standpunt van de AFM betwist en hiertegen beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden heeft de rechtbank het beroep beoordeeld. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat tussen [de onderneming] en eiser sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het in strijd met artikel 2:96 van de Wft verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder de daartoe benodigde vergunning van de AFM. De bijdrage van eiser is van voldoende gewicht geweest om van medeplegen van overtreding van dit artikellid te spreken. Eiser krijgt dus geen gelijk. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien het boetebedrag te matigen vanwege bijzondere omstandigheden gelegen in de opstelling van eiser na het verdwijnen van [de onderneming] , de evenredigheid in het algemeen en overschrijding van de redelijke termijn. Daarom is het beroep gegrond en is het boetebedrag gematigd tot € 567.500,-. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Eerst komt het procesverloop in deze zaak aan de orde, dan de feiten en totstandkoming van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna. Aan het eind van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. De AFM heeft bij besluit van 4 juni 2024 (het boetebesluit) aan eiser een bestuurlijke boete van € 620.000,- opgelegd wegens het medeplegen van overtreding van artikel 2:96 van de Wft door [de onderneming] en besloten tot openbaarmaking van het boetebesluit (het publicatiebesluit). 3. Bij besluit van 19 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de AFM het bezwaar van eiser tegen het boetebesluit en het publicatiebesluit ongegrond verklaard. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. Op 15 mei 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat het verzoek van 20 februari 2025 van de AFM tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van een aantal bij de rechtbank ingediende dossierstukken gerechtvaardigd is. Op 19 mei 2025 heeft eiser toestemming gegeven dat de rechtbank mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet. 6. De AFM heeft op 21 mei 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 7. Op 4 juli 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat het aanvullende verzoek van de AFM van 21 mei 2025 tot toepassing van artikel 8:29 van de Awb eveneens gerechtvaardigd is. 8. Bij brief van 11 juli 2025 heeft eiser verzocht de beslissingen van 15 mei 2025 en 4 juli 2025 te herzien. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 4 september 2025 eisers verzoek afgewezen. 9. Eiser heeft op 5 september 2025 de rechtbank op grond van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb verzocht de AFM op te dragen aanvullende stukken (twee waarschuwings-brieven) over te leggen. 10. Op 9 september 2025 heeft eiser toestemming gegeven dat de rechtbank ook de vertrouwelijke versie van de stukken waarop de beslissing van 4 juli 2025 ziet bij haar uitspraak mag betrekken. 11. De AFM heeft op 28 november 2025 de op 5 september 2025 gevraagde stukken, inclusief begeleidend schrijven, overgelegd en de rechtbank op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van deze stukken. De rechter-commissaris heeft op 19 januari 2026 beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor het verzoek door de AFM is gedaan gerechtvaardigd is. 12. Op 3 februari 2026 heeft eiser geen toestemming op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend voor kennisname van de op 28 november 2025 overgelegde stukken aan de rechtbank. 13. Op 25 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek van eiser om de AFM opdracht te geven een geanonimiseerde geschoonde feitenmatrix/samenvatting over te leggen, afgewezen. 14. Op 19 maart 2026 heeft eiser nadere stukken en verzoeken ingediend. 15. Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank het verzoek van eiser om op grond van artikel 8:62 van de Awb het onderzoek ter zitting met gesloten deuren te laten plaatshebben, afgewezen. 16. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Tevens zijn namens haar verschenen: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , allen werkzaam bij de AFM. Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit Achtergrond [de onderneming] en de aan haar tegengeworpen overtreding 17. [de onderneming] was een vennootschap, die gebruik maakte van de website [naam website] . Volgens haar website was [de onderneming] gevestigd op Saint Vincent en de Grenadines en was haar (post)adres op de Marshalleilanden. [de onderneming] bood aan (potentiële) beleggers een beleggingsrekening (een zogenoemde ‘managed account’) aan. Een ‘managed account’ kon bij [de onderneming] worden geopend na het ondertekenen door de (potentiële) belegger van een ‘Client Trading Agreement’. Na het openen van een ‘managed account’ kon de belegger op die rekening een geldbedrag met een minimum van € 10.000,- storten. Met het ingelegde vermogen werd door [de onderneming] automatisch belegd in valutaderivaten op de Forex-markt. De belegger kon via een inlogcode de door [de onderneming] met behulp van een zogenoemde Forex-robot uitgevoerde transacties inzien op het platform MetaTrader4 (MT4). Beleggers moesten hun inleg minimaal een jaar laten staan en/of werden ontmoedigd opnames te doen. Winsten konden slechts onder voorwaarden worden opgenomen. 17.1. [de onderneming] zou als volgt werkzaam zijn geweest. [de onderneming] detecteerde met behulp van een zelfontwikkeld algoritme, de Forex-robot (of Expert Advisor), arbitrage-mogelijkheden. Deze Forex-robot nam gelijktijdig voor alle ‘managed accounts’ een (naar rato gelijke) positie in als zo’n mogelijkheid werd gedetecteerd. Deze strategie was gericht op het benutten van prijsverschillen in de koers van vreemde valutaparen. Posities stonden daarbij kortstondig open, het zogenoemde High Frequency Trading (HFT). Na van een koers-schommeling te hebben geprofiteerd, werd het koersverschil bijgeschreven op de ‘managed accounts’ van de beleggers in de valuta die daarop werd aangehouden (Euro). De onderliggende vreemde valuta (doorgaans Britse pond of Japanse Yen) werden nooit fysiek geleverd. [de onderneming] maakte gebruik van een hefboom (van maximaal 1:200) bij haar beleggingen. 17.2. [de onderneming] maakte in de uitoefening van haar bedrijfsmodel gebruik van een ‘affiliate’ programma, waarbij Nederlandse agenten (‘agents’) Nederlandse beleggers introduceerden en aanbrachten bij [de onderneming] . Deze ‘agents’ (ook wel ‘affiliates’ of ‘introducing brokers’ genoemd) gebruikten hun eigen netwerk of marketing kanalen om nieuwe beleggers aan te trekken en deze beleggers ertoe te bewegen zich te registreren en vermogen over te maken naar [de onderneming] , zodat [de onderneming] met dat vermogen kon handelen. De afspraken, rechten en verplichtingen tussen [de onderneming] en deze ‘agents’ werden beschreven op de website van [de onderneming] , maar ook in een ‘Introducing Broker Agreement’ en in correspondentie tussen deze ‘agents’ en de contactpersoon van [de onderneming] in Nederland. Deze contactpersoon noemde zichzelf [naam contactpersoon] (hierna: [naam contactpersoon] ). 17.3. Uit deze afspraken, rechten en verplichtingen tussen [de onderneming] en deze ‘agents’ kan worden afgeleid dat de werkzaamheden en acties van deze ‘agents’ bestonden uit 1) het promoten van de diensten van [de onderneming] , 2) het ondernemen van actie om potentiële beleggers te werven teneinde een provisie van [de onderneming] te ontvangen, 3) het vermelden van een zogenoemde ‘referral link’ (een hyperlink bijvoorbeeld op de website van de ‘agent’ of in een e-mailbericht van de ‘agent’ aan de potentiële belegger, hierna ook: de aanmeld-link), waarmee beleggers zich bij [de onderneming] konden aanmelden om een ‘managed account’ te openen en 4) het zich maximaal inspannen om beleggers te werven en te adviseren bij het inleggen van vermogen. 17.4. [de onderneming] hanteerde een provisiestructuur, die tot gevolg had dat ‘agents’ er belang bij hadden dat de beleggers die zij bij [de onderneming] aanbrachten zoveel mogelijk vermogen zouden inleggen. De ‘agent’ ontving 10% van de inleg van de door hem/haar aangebrachte belegger en ongeveer 10 tot 15% van de beleggingswinst van deze belegger. 17.5. Het bedrijfsmodel van [de onderneming] was er op gericht dat potentiële (Nederlandse) beleggers zich via een Nederlandse ‘agent’ onder gunstiger voorwaarden konden aanmelden op de website van [de onderneming] . Zo betaalden beleggers, als zij via een ‘agent’ instapten, een performance fee van 30% in plaats van 40% over het rendement dat zij op hun inleg behaalden. Nieuwe beleggers ontvingen na hun aanmelding bij [de onderneming] , al dan niet via een ‘agent’, een e-mailbericht van [naam contactpersoon] namens [de onderneming] met verdere instructies om de registratie bij [de onderneming] af te ronden. Nadat een belegger een ‘managed account’ bij [de onderneming] had geopend, bleef de ‘agent’ betrokken en beschikbaar om vragen te beantwoorden en te assisteren in het geval zich een probleem voordeed. Ook deelde de ‘agent’ op verzoek van [de onderneming] zogenoemde ‘credit promotions’, waardoor een belegger werd bewogen extra vermogen in te leggen. 17.6. De ‘agents’ beschikten over een zogenoemd ‘commission account’ bij [de onderneming] waarop de door hen behaalde provisies werden gestort. Zo ontving een ‘agent’ bij het aanbrengen van een nieuwe Nederlandse belegger steeds 10% van de inleg aan provisie van [de onderneming] . Daarnaast ontving een ‘agent’, nadat deze belegger vermogen had ingebracht, doorlopend de helft van de performance fee die de belegger over de behaalde winst moest betalen. Dus zowel [de onderneming] als de ‘agent’ kregen ieder 50% van de performance fee. Ook ontving de ‘agent’ gedurende de dienstverlening aan deze beleggers additionele vergoedingen, bijvoorbeeld voor aanmeldingen van nieuwe beleggers die werden aangebracht door deze beleggers die op hun beurt als ‘agent’ waren opgetreden. Dit waren de zogenoemde circle 2- of circle 3-vergoedingen. Bij een circle 2-vergoeding ontving een ‘agent’ standaard 2,5% van het vermogen dat de nieuwe beleggers inbrachten als aanbrengvergoeding en vervolgens doorlopend 10% van de performance fee. Bij een circle 3-vergoeding ontving de ‘agent’ 1% als aanbrengvergoeding en geen percentage van de performance fee. 17.7. Sinds 29 oktober 2021 is [de onderneming] en ook de contactpersoon [naam contactpersoon] onbereikbaar, is de website van [de onderneming] offline en is MT4 niet langer toegankelijk voor beleggers die vermogen op hun beleggingsrekening (‘managed account’) bij [de onderneming] hadden gestort, waardoor beleggers het door hen aan [de onderneming] toevertrouwde vermogen kwijt zijn. 17.8. De AFM heeft het vorenstaande gereconstrueerd uit de gesprekken met verschillende ‘financiële influencers’ (finfluencers) vanaf september 2021, het nadere onderzoek dat zij naar [de onderneming] heeft verricht en de door ‘agents’ aan haar verstrekte gegevens. Een en ander is verder uitgewerkt in het door haar opgestelde Onderzoeksrapport van 7 augustus 2023. 17.9. Of [de onderneming] daadwerkelijk beleggingsdiensten heeft verricht met het door haar beheerde vermogen van de beleggers die dit vermogen aan haar hadden toevertrouwd, kan overigens niet met zekerheid door de AFM worden vastgesteld omdat [de onderneming] op 29 oktober 2021 is verdwenen en geheel ‘off-line’ is gegaan. Achtergrond eiser 18. Eiser is fiscaal jurist en was eigenaar van [naam zaak 1] (ook wel bekend onder de handelsnaam: [naam zaak 2] ). Onder deze naam beheerde hij een website. Als financieel adviseur begeleidde hij onder meer vermogende particulieren. Verder gaf hij masterclasses over vermogensbescherming, schreef hij (samen met [naam] ) de boeken ‘ [naam boek 1] ’ en ‘ [naam boek 2] ’. Ook deelde hij informatie ( online content ) via een YouTube-kanaal en het platform MoneyTalks. 18.1. Eiser is door zijn (voormalige) echtgenote in contact gekomen met [de onderneming] . In augustus 2017 heeft eiser een beleggingsrekening (‘managed account’) bij [de onderneming] geopend, waarop hij enkele stortingen heeft gedaan. Naar eigen zeggen ontmoette hij in maart 2018 de contactpersoon [naam contactpersoon] van [de onderneming] in Nederland. Daarna heeft eiser een ‘affiliate’ link (de aanmeld-link) aangevraagd bij [de onderneming] en vervolgens een ‘commission account’ ontvangen. Hij heeft vervolgens een aantal personen doorverwezen naar [de onderneming] en hen daarbij gewezen op zijn aanmeld-link op zijn website. Eiser ontving van [de onderneming] een provisievergoeding op zijn ‘commission account’ als (nieuwe) beleggers via zijn aanmeld-link een (‘managed account’) bij [de onderneming] openden en op hun ‘managed account’ bij [de onderneming] geld storten. 18.2. Nadat [de onderneming] offline was gegaan, heeft eiser met een aantal andere ‘agents’ op 29 oktober 2021 een e-mail gestuurd aan beleggers van [de onderneming] waarin zij hen informeerden over het offline gaan van [de onderneming] en de te nemen vervolgstappen. Ze hebben een onderzoeksbureau ingeschakeld die de potentiële locatie van [naam contactpersoon] heeft achterhaald en hebben een Telegramgroep opgericht, waaraan ongeveer 220 Nederlandse gedupeerden deelnamen. Aanleiding onderzoek 19. Tussen 26 maart 2019 en 2 februari 2021 ontving de AFM drie signalen over [de onderneming] . Vanwege het hoge aantal meldingen over partijen die mogelijk zonder vergunning actief zijn in Nederland in het algemeen, de beperkte toezichtcapaciteit van de AFM, risico-gestuurde prioritering en onvoldoende onderbouwing van deze drie signalen, zag de AFM aanvankelijk niet direct aanleiding tot individueel onderzoek naar [de onderneming] . Wel heeft de opkomst van zogenoemde ‘finfluencers’, signalen over promotie op sociale media en diverse mediapublicaties over finfluencers, de AFM in 2021 aanleiding gegeven een thematisch onderzoeksproject te starten naar beleggingsaanbevelingen, -advies en trainingen door finfluencers. De AFM voerde in het kader van dit project gesprekken met enkele finfluencers. Tijdens zo’n gesprek op 10 september 2021 werd de AFM bekend met de provisiestructuur en de (hoogte van) provisies van [de onderneming] die de tussenpersonen (‘agents’) betaald kregen. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksproject en vermoedens van illegaliteit die verband hielden met het bedrijfsmodel en de provisiestructuur van [de onderneming] heeft de AFM op 11 oktober 2021 besloten tot nader onderzoek gericht op [de onderneming] . 19.1. Nadat beleggers vanaf 29 oktober 2021 niet langer toegang tot hun beleggings-account konden krijgen en [de onderneming] ook anderszins niet te bereiken was, zijn er veel meldingen bij de AFM gedaan door beleggers die hun geld verloren waren. Op 25 november 2021 heeft de AFM een openbare waarschuwing gepubliceerd tegen [de onderneming] . Daarna volgden meerdere aangiftes tegen en meldingen over [de onderneming] . Naar aanleiding daarvan heeft de AFM besloten om nader onderzoek te doen naar de rol van de tussenpersonen bij [de onderneming] . Dit onderzoek is in juni 2022 gestart. Procedure 20. Vanaf 30 juni 2022 heeft de AFM meerdere informatieverzoeken gedaan bij eiser, waarop hij in verschillende brieven heeft gereageerd. Daarnaast heeft de AFM bij [naam bank] bankafschriften opgevraagd van een rekening van eiser en zijn voormalige echtgenote. 20.1. Op 7 augustus 2023 heeft de AFM een onderzoeksrapport opgesteld. Na bij brief van 30 augustus 2023 een voornemen tot boeteoplegging kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van eiser daarop, heeft de AFM de bestuurlijke boete opgelegd. De AFM stelt dat [de onderneming] in de periode van 28 juni 2016 tot 29 oktober 2021 artikel 2:96, eerste lid, van de Wft heeft overtreden, omdat zij zonder vergunning van de AFM in Nederland (vermoedelijk) individuele vermogens heeft beheerd ter belegging in financiële instrumenten, meer specifiek valutaderivaten (contracts for differences, CFD’s). De AFM heeft eiser tegengeworpen dat hij van 13 juli 2018 tot 29 oktober 2021 de overtreding door [de onderneming] heeft medegepleegd. De AFM heeft met besluit van 19 december 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Beoordeling door de rechtbank 21. De rechtbank beperkt zich zo veel mogelijk tot het beoordelen van de kern van de gronden en argumenten die eiser naar voren heeft gebracht. Volgens vaste rechtspraak hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden en argumenten in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. 22. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Overtreding [de onderneming] 23. Eiser betoogt dat [de onderneming] geen vergunning in Nederland nodig had en dat artikel 2:96, eerste lid, van de Wft niet is overtreden door [de onderneming] . De AFM was daarom niet bevoegd een bestuurlijke boete aan eiser op te leggen. 24. Volgens artikel 2:96, eerste lid, van de Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning – voor zover hier relevant – beleggings-diensten te verlenen. Vermogensbeheer 25. Eiser stelt dat er geen sprake is geweest van een overtreding van artikel 2:96 van de Wft door [de onderneming] , omdat [de onderneming] geen beleggingsdiensten heeft verleend en geen vermogen is beheerd door [de onderneming] . Er is niet daadwerkelijk belegd in financiële instrumenten en [de onderneming] zou ook nooit dat doel hebben gehad. Het begrip ‘beheer van vermogen ter belegging’ is volgens eiser niet afhankelijk van overeenkomsten en verwachtingen van beleggers, maar van de werkelijke intentie en handelingen van de beheerder. Volgens eiser heeft de AFM niet aangetoond dat er daadwerkelijk vermogen is beheerd door [de onderneming] , nu niet is gebleken dat er daadwerkelijke beleggingsdiensten plaatsvonden. 26. De AFM heeft aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd dat [de onderneming] beleggingsdiensten verleende door het beheren van individueel vermogen als bedoeld in de definitie van artikel 1:1 van de Wft. De definitie van ‘het beheren van een individueel vermogen’ in de zin van dit artikel luidt als volgt: ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf (…) op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht’. 27. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van vermogensbeheer volgens de definitie van artikel 1:1 van de Wft al sprake is als een partij (in dit geval [de onderneming] ) beheer voert over aan haar klanten ‘toebehorende middelen’ ter (dus: met als doel) belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze klant gegeven ‘opdracht’. Of feitelijk door [de onderneming] is belegd in financiële instrumenten is dus geen voorwaarde. De AFM heeft vastgesteld dat tussen [de onderneming] en haar klanten een overeenkomst (‘Client Trading Agreement’) tot individueel vermogensbeheer tot stand kwam en dat [de onderneming] voor deze klanten een zogenoemd ‘managed account’ had geopend. Op dit account hadden die klanten hun inleg/gelden gestort met als doel met die gelden beleggingsdiensten (in dit geval geautomatiseerde transacties op de Forex-markt in valutaderivaten) te laten verrichten door [de onderneming] . Deze klanten hebben hiermee hun gelden aan [de onderneming] in beheer gegeven met het doel te beleggen in financiële instrumenten (valutaderivaten). Dat [de onderneming] (al dan niet willens en wetens) tekort is geschoten in de nakoming van die overeenkomst, is voor de overtreding van artikel 2:96 van de Wft niet relevant. In Nederland 28. Daarnaast stelt eiser dat [de onderneming] zich niet specifiek richtte op Nederland, zodat niet aan dat bestandsdeel van de tegengeworpen overtreding is voldaan. Eiser betoogt dat volgens de rechtspraak er concrete aanwijzingen nodig zijn, zoals Nederlandstalige websites, reclamecampagnes gericht op Nederland of een fysieke aanwezigheid in Nederland. Volgens eiser is geen van deze elementen hier aanwezig, want de website en communicatie waren volledig Engelstalig. 29. Met het bestanddeel ‘in Nederland’ heeft de wetgever beoogd het verlenen van financiële diensten op de Nederlandse financiële markten via een vergunning te reguleren. Daarvan is sprake als de vermogensbeheerder zich tot Nederlandse beleggers richt. Zij hoeft daarbij niet in Nederland te zijn gevestigd. Ook is niet relevant of de vermogensbeheerder zich ook op beleggers in andere landen richt. 30. Alhoewel de website van [de onderneming] was opgesteld in de Engelse taal, beschikte [de onderneming] over een YouTube kanaal met een Nederlandstalige video, waarin de dienstverlening van [de onderneming] werd toelicht. Hiermee richtte [de onderneming] zich rechtstreeks op de Nederlandse markt en deed zij haar aanbod om financiële diensten te verlenen aan in Nederland gevestigde beleggers. Daarnaast werkte [de onderneming] samen met Nederlandssprekende tussenpersonen (‘agents’ of ‘affiliates’ genoemd), die via persoonlijk advies, Nederlandstalige websites en/of eigen sociale media accounts [de onderneming] aanbevolen en promootten om actief beleggers in Nederland te werven. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het initiatief voor het vermogensbeheer in Nederland van [de onderneming] kwam. [de onderneming] bood aldus beleggingsdiensten in financiële instrumenten in Nederland aan en verleende (vermoedelijk) beleggingsdiensten in financiële instrumenten aan Nederlandse beleggers, zodat hiermee sprake is van een vergunningplicht voor [de onderneming] op grond van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft. Conclusie overtreding [de onderneming] 31. Nu [de onderneming] voor het verlenen van beleggingsdiensten geen vergunning had van de AFM en zij zich daarbij niet kon beroepen op een vrijstelling, uitzondering of ontheffing van het verbod, heeft de AFM zich - gelet op het voorgaande - terecht op het standpunt gesteld dat [de onderneming] in strijd met artikel 2:96, eerste lid, van de Wft heeft gehandeld en er dus sprake is van een overtreding door [de onderneming] van dit artikel van de Wft. 32. Het betoog van eiser faalt. Medeplegen door eiser 33. Eiser stelt dat - als al sprake is van overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] - hij niet als medepleger van deze overtreding kan worden aangemerkt. 33.1. Eiser betoogt allereerst dat hij niet als medepleger van de ‘gehele’ overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] kan worden aangemerkt. Zo is ten tijden van de overtreding geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en [de onderneming] , omdat hij tussen 2015 en 2018 volledig onbekend was met [de onderneming] , terwijl [de onderneming] toen al actief was in Nederland en Nederlandse klanten bediende, hij geen rol heeft gehad in de opzet, structuur en initiële exploitatie van [de onderneming] en omdat hij geen feitelijke zeggenschap had over de kernactiviteiten van [de onderneming] . 33.2. Daarnaast betoogt eiser dat bij een doorlopende overtreding het vermeend medeplegen per afzonderlijke periode (tussen 2015-2018 en 2018-2021) moet worden beoordeeld. Volgens eiser is er geen causaal verband tussen zijn betrokkenheid vanaf 2018 en de overtreding daarvoor. Zijn bijdrage aan de overtreding vanaf 2018 is niet zodanig essentieel geweest dat deze de voortzetting van de overtreding door [de onderneming] mogelijk heeft gemaakt. [de onderneming] functioneerde al zelfstandig voor zijn aantreden als ‘agent’ in 2018 en haar activiteiten hebben ook zonder zijn betrokkenheid plaatsgevonden. 33.3. Verder heeft hij geen wezenlijke bijdrage geleverd aan de overtreding door [de onderneming] . Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn betrokkenheid bij [de onderneming] beperkt was. Eiser heeft geen rol gehad in de opzet, structuur en initiële exploitatie van [de onderneming] en heeft geen feitelijke zeggenschap gehad over de kernactiviteiten van [de onderneming] . Hij heeft geen strategische of inhoudelijke beslissingen genomen in samenwerking met [de onderneming] of invloed gehad op de uitvoering van activiteiten van [de onderneming] . Het beheer van gelden werd door [de onderneming] zelf uitgevoerd, zonder enige invloed van eiser. Hij is niet actief betrokken geweest bij de uitvoering of afhandeling van de vermeende overtreding. Evenmin had eiser een rol in het behoud van beleggers. Feitelijk bestond zijn betrokkenheid bij [de onderneming] eruit dat hij een aanmeld-link had en die slechts deelde binnen een beperkte privékring. Eiser heeft [de onderneming] nooit via een website, sociale media, YouTube of ander openbaar kanaal gepromoot. Hij had geen toegang tot klantvermogens, geen toegang tot een broker-omgeving, geen toegang tot orderuitvoering en geen rol in de afhandeling of de beëindiging van de activiteiten van [de onderneming] . 33.4. Eiser had geen overeenkomst met [de onderneming] als ‘agent’ ondertekend en had geen formele taak binnen de organisatie van [de onderneming] . De AFM heeft ten onrechte stelselmatig woorden en etiketten gebruikt die zijn feitelijke rol zwaarder doen lijken. De AFM beschrijft zijn rol als ‘distributie- en aanmeldkanaal’ en als ‘aanspreekpunt’ en ‘mentor’, maar eiser is geen enkele verplichting met [de onderneming] aangegaan. Eiser had slechts een affiliate- of verwijzing link (aanmeld-link) van [de onderneming] en geen formele taak binnen de organisatie van [de onderneming] . Eiser was evenmin belast met de uitvoering van de vermeende beleggingsdienst. Zijn contacten met [de onderneming] beperkten zich tot incidentele communicatie over operationele details. De frequentie van zijn contacten met [de onderneming] was laag. Er waren perioden van 6 tot 8 maanden waarin eiser geen enkel contact met [naam contactpersoon] had. In een beperkt aantal gevallen heeft eiser vragen beantwoord of mensen doorverwezen en in algemene zin informatie gegeven. Echter dit is geen uitvoering van vermogensbeheer en ook geen gezamenlijke uitvoering daarvan. Dit geldt ook voor de twee masterclasses die hij heeft gegeven. Daarin werd niet gesproken over [de onderneming] . Wel heeft hij na afloop van een masterclass één keer gesproken met een deelnemer over [de onderneming] , maar toen heeft hij geen informatie toegezonden (ook niet in samenwerking met een andere ‘affiliate’). Eiser stelt zich op het standpunt dat hij geen beslissende invloed had op het vertrouwen van beleggers van [de onderneming] . 33.5. Eiser was geen ‘agent’ en verwijst in dit verband naar de gebruikelijke werkwijzen in de marketingbranche, waar handelaren aan contactpersonen een ‘affiliate-link’ verstrekken en bij gebruik daarvan een vergoeding wordt betaald. Deze contactpersonen worden ‘affiliates’ genoemd en geen ‘agents’. Eiser deelde slechts de affiliate-link voor [de onderneming] met enkele familieleden en zeer vermogende goede vrienden. Dit deed hij niet als financieel adviseur. Het was een klein netwerk van mensen die op eigen initiatief kozen om via zijn link via [de onderneming] te beleggen en deze mensen bepaalden zelf de hoogte van hun inleg. Ze waren volledig op de hoogte van de risico’s van Forex trading en namen hun beslissingen zelfstandig en gunden eiser de provisievergoeding. De link was niets meer dan een technische verwijzing. Dat eiser in de afgelopen periode hoge provisies van [de onderneming] ontving, hing samen met de hoogte van de ingelegde geldbedragen van enkele zeer vermogende vrienden, maar dit is geen bewijs dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit is inherent aan het provisiemodel dat [de onderneming] hanteerde, waarin ‘affiliates’ passief kunnen profiteren van door anderen uitgevoerde transacties. Het aantrekken van beleggers via een ‘affiliate-link’ kan niet worden gelijkgesteld met het beheren van vermogen door [de onderneming] of het strategisch vormgeven van [de onderneming] door [naam contactpersoon] . ‘Affiliates’ zijn typisch faciliterend en dragen niet wezenlijk bij aan de kernresultaten van de onderneming. 33.6. Eiser beantwoordde weleens een vraag van anderen, maar er was geen sprake van beleggingsadvies of bemiddeling. De vergelijking met een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland met betrekking tot een andere ‘affiliate’ van [de onderneming] die wel via een website over [de onderneming] heeft gepost en een consultaanbod deed, gaat wat hem betreft niet op. Eiser wijst erop dat ook volgens de Hoge Raad (HR) enkele ondersteunende handelingen onvoldoende zijn voor medeplegen. Zelfs de totaliteit van aanbrengen, vragen beantwoorden, doorverwijzen en een vergoeding ontvangen is nog geen gezamenlijke uitvoering van vermogensbeheer. Beoordeling door de rechtbank 34. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder ‘overtreder’ verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Medeplegen doet zich voor als twee of meer (rechts)personen gezamenlijk een overtreding begaan. Hiervoor is niet vereist dat de medeplegers ieder afzonderlijk alle bestandsdelen van het delict vervullen. Voor de vraag of sprake is van medeplegen, wordt aangesloten bij het strafrechtelijk kader van medeplegen, dat voortvloeit uit artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het strafrechtelijk kader is nader uitgewerkt in rechtspraak. In zijn arrest van 2 december 2014 heeft de Hoge Raad (en zie ook de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) ) een overzicht gegeven. Voor medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt op de samenwerking en minder op wie de feitelijke handelingen van de overtreding verricht. De beoordeling of een samenwerking voldoende nauw en bewust is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Aandachtspunt is dat de materiële of intellectuele bijdrage aan het delict van voldoende gewicht (wezenlijk) is. Per geval moet op grond van de relevante feiten en omstandigheden beoordeeld worden of een persoon is aan te merken als medepleger. Daarbij moet rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In een situatie als onderhavige, waarin een bestuurlijke boete is opgelegd, rust de bewijslast dat eiser de overtreding heeft medegepleegd, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. 34.1. Opzet op oplichting of een vergelijkbaar delict is niet de rechtsvraag die hier voorligt. De rechtsvraag die in onderhavige zaak centraal staat is of eiser in de periode van 13 juli 2018 tot 29 oktober 2021 als medepleger kan worden aangemerkt van de overtreding door [de onderneming] van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft, namelijk het verlenen van beleggingsdiensten in Nederland door [de onderneming] zonder de daartoe vereiste vergunning. Daarbij is niet in geschil dat eiser de overtreding niet zelf feitelijk heeft uitgevoerd. Met de AFM is de rechtbank overigens van oordeel dat niet is gebleken dat eiser, voordat [de onderneming] offline ging, zou hebben geweten van de oplichting door [de onderneming] en/of [naam contactpersoon] . De rechtbank overweegt hierbij dat eiser eveneens is gedupeerd door het offline gaan van [de onderneming] en stelt vast dat eiser zich na het verdwijnen van [de onderneming] (tezamen met andere ‘agents’/’affiliates’ van [de onderneming] ) heeft ingespannen om de verblijfplaats van [naam contactpersoon] te achterhalen en aan te sporen tot internationaal onderzoek. Zo heeft hij beleggers van [de onderneming] benaderd en verzocht om informatie aan te leveren voor het onderzoeksbureau dat zij hadden ingeschakeld en zelfs aangespoord om aangifte te doen. 34.2. Bij de beoordeling of een (rechts)persoon is aan te merken als medepleger moet rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van de overtreding, het belang van de rol, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van de overtreding in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook worden geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na de overtreding. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór de overtreding is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de gestelde medepleger van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van de overtreding zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. 34.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM voldoende aangetoond dat eiser de overtreding heeft medegepleegd. Dat de AFM daarbij een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd wordt niet gevolgd. De AFM heeft het toetsingskader gebruikt zoals hierboven is weergeven. De samenwerking tussen [de onderneming] en haar tussenpersonen (‘affiliates’/‘agents’) verliep volgens een vast patroon en volgens overeengekomen voorwaarden. Eiser heeft de conceptovereenkomst (de ‘Introducing Broker Agreement’) met [de onderneming] overgelegd in reactie op het informatieverzoek van de AFM. Hoewel niet vaststaat dat eiser deze overeenkomst heeft ondertekend, beschrijft deze wel adequaat de rechten en verplichtingen die over en weer tussen eiser en [de onderneming] golden. Uit deze overeenkomst volgt onder meer dat eiser verplicht was zich maximaal in te zetten om klanten te werven (‘ 4.3 To put forth maximal effort into acquiring clients to the Company’) en dat [de onderneming] verplicht was aan eiser onder de genoemde voorwaarden commissie (provisie) uit te betalen (‘5.2 Pay out IB commission under the conditions of the Agreement’ ). Niet in geschil is dat eiser beschikte over een ‘commission account’ en dat hij op deze rekening (hoge) vergoedingen ontving voor het aanbrengen van klanten bij [de onderneming] . Hieruit volgt dat hij als ‘agent’ van [de onderneming] kan worden aangemerkt. Tussen [de onderneming] en eiser bestond verder een min of meer vaste taak- of rolverdeling, waarbij [de onderneming] de delictsgedraging vervulde en eiser uitvoering gaf aan zijn verplichtingen jegens [de onderneming] uit hoofde van de overeenkomst, in die zin dat hij zich inspande om zoveel mogelijk klanten (beleggers) aan te brengen en deze klanten te laten beleggen bij [de onderneming] . 34.4. Eiser was drie jaar lang een ‘agent’ van [de onderneming] . Hij heeft als financieel adviseur [de onderneming] geïntroduceerd en aangeprezen. Hij heeft zorgen en twijfels bij beleggers weggenomen en door middel van een aanmeld-link en individueel contact (potentiële) beleggers bewogen om bij [de onderneming] een beleggingsrekening te openen, vermogens in te leggen ter belegging in financiële instrumenten, additioneel vermogen te laten beheren door middel van ‘credit promotions’ en hen zo effectief ervan te weerhouden hun vermogen van hun ‘managed accounts’ op te nemen. Daarnaast heeft hij beleggers gedurende hun aanmeldproces begeleid, gefungeerd als aanspreekpunt voor beleggers en was hij mentor voor andere (sub-)agenten. 34.5. Hoewel het exacte aantal ingestapte (potentiële) beleggers bij [de onderneming] via eisers aanmeld-link de AFM niet bekend is, is de AFM niet ten onrechte uitgegaan van in ieder geval 16 beleggers, zoals kan worden afgeleid uit de door eiser ingediende zienswijze. Voor zover relevant, komt uit het dossier niet naar voren dat dit alleen maar familieleden en vrienden van eiser zijn geweest. Naar aanleiding van het contact met en advies van eiser openden deze (potentiële) beleggers via de aanmeld-link van eiser een ‘managed account’ bij [de onderneming] en maakten zij ieder afzonderlijk bedragen tussen de € 45.000,- en € 600.000,- aan [de onderneming] over. Eiser heeft op deze wijze in de periode van 13 juli 2018 tot 29 oktober 2021 een bedrag van circa € 620.000,- aan provisies van [de onderneming] ontvangen. De door [de onderneming] gehanteerde provisie-structuur had tot gevolg dat eiser er belang bij had dat hij zoveel mogelijk beleggers bij [de onderneming] aanbracht en dat die zoveel mogelijk vermogen zouden inleggen. De bijdrage van eiser was de noodzakelijke en wezenlijke eerste schakel om de delictsgedraging (het illegale vermogensbeheer) door [de onderneming] te kunnen uitvoeren. 34.6. Uit het onderzoek van de AFM is gebleken dat eiser zich onder meer via (de website van) zijn adviespraktijk en masterclasses richting (potentiële) beleggers presenteerde en positioneerde als fiscaal en financieel adviseur met kennis en ervaring over beleggen en het beschermen van vermogen. Dat eiser tijdens de masterclasses zelf niet specifiek over [de onderneming] sprak, doet er niet aan af dat hem in één op één gesprekken erna of in e-mails wel de deskundigheid en achtergrond van financieel adviseur werd toegedicht en hierdoor bij (potentiële) beleggers vertrouwen wekte. Ook wordt in enkele aangiftes specifiek benoemd dat eiser de financieel adviseur van de betreffende belegger is en in die rol het advies gaf in te stappen bij [de onderneming] . Daarbij was de belegger niet altijd bekend dat eiser een provisievergoeding ontving, als men via zijn aanmeld-link zou inleggen bij [de onderneming] en eiser er dus belang bij had om beleggers aan te brengen. 34.7. Eiser wist dat [de onderneming] geen vergunning van de AFM had, maar toch besloot hij als ‘agent’ voor [de onderneming] op te treden. Dat eiser dacht dat een dergelijke vergunning niet nodig was, is onvoldoende om hem dit niet aan te rekenen. Eiser begaf zich op een streng gereguleerde markt. Een ieder die zich op de financiële markt begeeft is ervoor verantwoordelijk om zich ervan te vergewissen en zeker te stellen dat de verrichte activiteiten voldoen aan de voorschriften uit het toezichtrecht. Aan deze eigen verantwoordelijkheid kan eiser zich niet onttrekken. Het lag op de weg van eiser om te onderzoeken of de partij met wie hij samenwerkte en haar activiteiten legaal waren. Hij heeft dit nagelaten, ondanks de wetenschap dat [de onderneming] een ondoorzichtig bedrijfsmodel voerde, dat bestond uit hoge rendementen op basis van risicovolle beleggingen en tegelijkertijd het toekennen van significante provisies aan ‘affiliates’ die beleggers aanbrachten. Hij was er mee bekend dat [de onderneming] vermogens van beleggers beheerde ter belegging in financiële instrumenten, dat [de onderneming] in valutaderivaten handelde door middel van een Forex-robot en dat er een hefboom werd gebruikt. Daarnaast wist eiser dat [de onderneming] in Nederland actief was en Nederlandse agenten inzette om Nederlandse klanten te werven. Kritische vragen en zorgen van beleggers beantwoordde hij met geruststellende boodschappen en hij heeft hierin geen aanleiding gezien om zijn samenwerking met [de onderneming] onder de loep te nemen of zelfs te beëindigen. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee op de hoogte was van alle gedragingen van [de onderneming] die de delictsomschrijving van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft vormen. 34.8. Eiser had in het aanmeldproces en het aanbrengen van (aanvullend) vermogen door middel van ‘credit promotions’ bij [de onderneming] een faciliterende en bemiddelende rol. Zo blijkt uit het dossier dat eiser vragen beantwoordde, zorgde voor aanlevering van ontbrekende documentatie en leidde hij de storting van vermogen op ‘managed accounts’ in goede banen. Hoewel hij dit zelf ter zitting heeft ontkend, blijkt uit een e-mail van [naam contactpersoon] aan een andere tussenpersoon (‘agent’) die eiser begeleidde, dat hij als tussenpersoon aangebrachte beleggers kon monitoren via een applicatie genaamd Plug-it. Of eiser dit ook heeft gedaan, kan overigens in het midden blijven. Ook ondernam hij actie richting beleggers van [de onderneming] naar aanleiding van de verzoeken en instructies van [naam contactpersoon] . Eiser en [naam contactpersoon] onderhielden intensief contact. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de weergave van de WhatsApp gesprekken in het dossier waarin eiser en [naam contactpersoon] spraken over nieuwe klanten en [naam contactpersoon] daarbij instructies aan eiser gaf die hij opvolgde. Dat er soms een aantal maanden geen contact was tussen [naam contactpersoon] en eiser doet hieraan niet af. Dat [naam contactpersoon] met het geld van de beleggers vertrokken is, betekent niet dat in het geheel geen waarde kan worden gehecht aan de betrouwbaarheid van [naam contactpersoon] uitspraken in overgelegde correspondentie over de samenwerking. Daarbij is van belang dat de uitspraken van [naam contactpersoon] ook steun vinden in andere stukken in het dossier, bijvoorbeeld verklaringen van beleggers in aangiftes bij de politie of meldingen bij de AFM of Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD). Tenslotte is van belang dat eiser ook optrad als mentor voor sub-agents. Hij beantwoordde vragen van nieuwe ‘agents’ en begeleidde hen. Dit blijkt niet alleen uit de vermelding daarvan door [naam contactpersoon] , maar ook uit e-mails van een andere ‘agent’ die bij hem om informatie vroeg. Eiser zat in de tweede cirkel, hetgeen betekent dat hij ook andere ‘agents’ heeft aangebracht. Hij kreeg ook een provisievergoeding als deze agenten beleggers aanbrachten bij [de onderneming] (de zogenoemde cirkel 2-provisievergoeding). 34.9. Uit het totaal aan gedragingen heeft de AFM naar het oordeel van de rechtbank terecht afgeleid dat eiser nauw en bewust heeft samengewerkt met [de onderneming] en dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] . Eisers gedragingen hebben ertoe geleid dat (potentiële) beleggers zich aanmeldden via zijn aanmeld-link en vermogen overmaakten op een ‘managed account’ bij [de onderneming] , zodat het vermogen daadwerkelijk kon worden beheerd door [de onderneming] . Ook heeft eiser door middel van ‘credit promotions’ beleggers additioneel vermogen laten inleggen bij [de onderneming] en laten beheren door [de onderneming] . Hij stuurde immers e-mails die hij van [naam contactpersoon] ontving met een actie om tegen gunstige voorwaarden extra vermogen in te leggen aan beleggers door. Daarnaast fungeerde eiser als aanspreekpunt voor beleggers. Door al deze gedragingen tezamen heeft eiser een wezenlijke bijdrage geleverd voorafgaand aan en tijdens de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] . 34.10. Hoewel eiser dus zelf geen individuele vermogens heeft beheerd, heeft hij aldus een wezenlijke bijdrage geleverd aan het illegale vermogensbeheer door [de onderneming] . Eiser zijn bijdrage was cruciaal voor [de onderneming] om de delictsgedraging uit te voeren en hij leverde die bijdrage door bewust en nauw met [de onderneming] samen te werken op basis van voorafgaand vastgestelde en voor ieder kenbare afspraken. Voor het nakomen van die afspraken ontving eiser hoge provisies (vergoeding) van [de onderneming] . Gelet op deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de criteria voor medeplegen. 34.11. Eiser was de essentiële schakel tussen zijn netwerk van vermogende klanten en particuliere beleggers die hij bij [de onderneming] aanbracht en het door [de onderneming] aan die beleggers verleende illegale vermogensbeheer. Als eiser (en de andere ‘agents’) deze werkzaamheden voor [de onderneming] niet had verricht, had het illegale vermogensbeheer niet of in ieder geval niet met een zelfde omvang kunnen plaatsvinden. Dat de overtreding door [de onderneming] al jarenlang plaats vond voordat eiser medepleger werd, leidt niet tot een ander oordeel. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het een doorlopende overtreding betreft, waarbij steeds opnieuw handelingen worden verricht die leiden tot de delictsgedraging. De ‘agents’ waren de kruiwagens die [de onderneming] nodig had om het vermogen van Nederlandse beleggers bij haar in te leggen. Dat de ‘agents’ onderling inwisselbaar waren en in de doorlopende overtreding gedurende verschillende periodes samenwerkten met [de onderneming] , maakt niet dat eisers bijdrage in de genoemde periode niet wezenlijk was. 34.12. Evenmin leidt eisers verwijzing naar de uitspraak (in een civiele zaak) van de rechtbank Midden-Nederland van 16 augustus 2023 tot een andere conclusie. In die uitspraak heeft de rechtbank beoordeeld of sprake was van een zelfstandige overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft doordat de gedaagde beleggingsadvies had verleend of had bemiddeld in overeenkomsten tussen [de onderneming] en een specifieke belegger. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde geen beleggingsadvies in de zin van artikel 1:1 van de Wft had verleend en dat het bemiddelen in een overeenkomst tussen een beleggings-onderneming en een belegger in algemene zin geen beleggingsdienst is. Op basis van deze overwegingen concludeerde de rechtbank dat artikel 2:96, eerste lid, van de Wft niet was overtreden. Deze uitspraak is derhalve niet relevant voor de beoordeling van het medeplegen door eiser. 34.13. Ook de overige in beroep door eiser in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, wat van de juistheid daarvan ook zij, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank volstaat met dit oordeel, omdat de AFM in het door eiser bestreden besluit gemotiveerd uiteen heeft gezet dat deze gestelde feiten en omstandigheden onverlet laten dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en eiser niet voldoende heeft geconcretiseerd waarom die motivering van de AFM tekortschiet. 34.14. Het betoog van eiser faalt. Rechtsbeginselen Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel 35. Eiser heeft een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gedaan. Eiser heeft in dit verband verwezen naar een gesprek tussen de AFM en een andere ‘affiliate’ (‘agent’) in september 2021, waarin door de AFM de indruk is gewekt dat het aanbieden van een aanmeld-link naar [de onderneming] geen overtreding opleverde en is aangegeven dat de link op de website van die andere ‘affiliate’ niet hoefde te worden verwijderd. Door de AFM zou in dit gesprek alleen zijn gezegd dat “ het onwenselijk was dat [de onderneming] geen vergunning had ”. Naar aanleiding van dit gesprek kon ook eiser ervan uitgaan dat er geen sprake was van een overtreding van de Wft door deze ‘agent’ dan wel door [de onderneming] , laat staan dat hij moest vrezen voor een bestuurlijke boete in verband met het medeplegen van de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] , zoals door de AFM nu is opgelegd. 36. Volgens vaste rechtspraak moet voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als eerste stap aannemelijk worden gemaakt dat er sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van een ambtenaar die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens derden zijn niet aan te merken als een toezegging. Ook is er geen sprake van een toezegging als er uitdrukkelijk over het concrete geval aan de betrokkene een voorbehoud is gemaakt. 36.1. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen deelnemer aan dit gesprek was en dus van een toezegging aan eiser geen sprake kan zijn. De vermeende toezegging staat ook niet op schrift. Het gesprek vond plaats in de context van een verkenning door de AFM naar ‘finfluencen’ dan wel het onderzoeksproject naar ‘finfluencers’. De AFM heeft naar eigen zeggen nadrukkelijk geen standpunt ingenomen tijdens dit gesprek en evenmin een opmerking gemaakt dat de aanmeld-link naar [de onderneming] kon blijven staan of dat niet handhavend zou worden opgetreden. Het tegendeel is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Het vertrouwensbeginsel noch het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. 36.2. Eisers betoog slaagt niet. Verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel 37. Eiser stelt dat de AFM het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. De AFM heeft uitsluitend handhavend opgetreden tegen ‘agents’ en [de onderneming] ongemoeid gelaten. Eiser verwijst naar de zaken BullionVault en GoldMoney. Deze zaken tonen aan dat de AFM in vergelijkbare situaties wel handhavend optrad tegen de kernpartij. Eiser vindt dat de AFM haar toezichtstaak onvoldoende effectief heeft ingevuld en meent dat haar aanpak willekeurig en onaanvaardbaar is. Eiser heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat andere ‘agents’ enkel een waarschuwing van de AFM in plaats van een boete hebben gekregen. 38. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Uit het dossier volgt dat de AFM eerst onderzoek heeft gedaan om vast te kunnen stellen dat [de onderneming] artikel 2:96 eerste lid, van de Wft overtrad. Op het moment dat het onderzoek was afgerond en de AFM op 25 november 2021 een openbare waarschuwing met betrekking tot [de onderneming] uitvaardigde, was [de onderneming] al van de markt verdwenen en bestond zij niet langer als rechtspersoon. Hierdoor was het ook niet meer mogelijk voor de AFM om andere bestuursrechtelijke instrumenten in te zetten tegen [de onderneming] of haar vertegenwoordiger [naam contactpersoon] . Wel heeft de AFM ook aan andere tussenpersonen (‘agents’) van [de onderneming] een bestuurlijke boete vanwege medeplegen opgelegd. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat de dienstverlening en activiteiten van BullionVault en GoldMoney afwijken van de onderhavige zaak. Het gaat om verschillende gevallen met een afwijkend juridisch kader. 38.1. Wat betreft de stelling van eiser dat andere ‘agenten’ slechts een waarschuwing hebben gekregen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft met een beroep op artikel 8:45 van de Awb de stukken die hierop betrekking hebben bij de AFM via de rechtbank laten opvragen. De AFM heeft met een verzoek op vertrouwelijkheid in de zin van artikel 8:29 van de Awb deze stukken overgelegd. De rechter-commissaris van deze rechtbank heeft dit verzoek gerechtvaardigd geacht en geoordeeld dat alleen de rechtbank kennis van deze stukken mag nemen. Eiser heeft echter geweigerd toestemming voor die kennisname te verlenen, zodat deze stukken ongezien zijn geretourneerd aan de AFM. De rechtbank heeft dus geen gelegenheid gehad deze stukken inhoudelijk te beoordelen in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft ook zelf zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet nader onderbouwd. Van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld is niet gebleken. 38.2. Gelet hierop is het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel niet overtreden door de AFM. Het betoog van eiser slaagt niet. Nemo tenetur 39. Eiser betoogt dat de AFM het nemo tenetur-beginsel heeft geschonden, omdat zij gebruik heeft gemaakt van bankafschriften die de AFM onder dwang in het kader van informatieverzoeken van eiser heeft ontvangen. Eiser stelt dat de gebruikte bankafschriften wilsafhankelijk materiaal bevatten, dat nog niet in fysieke zin zou hebben bestaan ten tijde van de informatieverzoeken van de AFM. Eiser wijst op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en nationale rechtspraak. 40. AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bankafschriften, die de AFM door middel van het informatieverzoek van 30 juni 2022 heeft opgevraagd, kwalificeren als wilsonafhankelijk materiaal. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak. Hieruit volgt dat bij bescheiden als de onderhavige bankafschriften van rekeningen waarvan eiser reeds als rekeninghouder is geïdentificeerd en van welke stukken het bestaan mag worden aangenomen, buiten twijfel staat dat het gaat om materiaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene (eiser) bestaat. Van een schending van het nemo tenetur-beginsel van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geen sprake. 40.1. Het betoog van eiser slaagt niet. Recht op een eerlijk proces 41. Eiser betoogt dat geen sprake is van een onafhankelijke en onpartijdige behandeling van zijn bezwaar. Eiser stelt - kort samengevat - vraagtekens bij de vormgegeven functiescheiding bij de AFM en de onafhankelijkheid van de behandelaren van het bezwaar. Naar zijn opvatting heeft er geen volledige heroverweging van zijn bezwaar plaatsgevonden. De AFM heeft de argumenten van eiser in zijn bezwaar met name gebruikt om haar besluiten van een betere motivering te voorzien. Verder geeft de AFM feiten deels onjuist of onvolledig weer, doet aan ‘cherry picking’ en schetst een eenzijdig beeld. De AFM heeft een valse getuigenverklaring opgenomen en in de beslissing op bezwaar een nieuwe getuigenverklaring opgenomen, die niet op hem van toepassing is. Eiser is dan ook van opvatting dat het recht op een eerlijk proces is geschonden als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. 42. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de AFM heeft gehandeld in strijd met het vereiste van functiescheiding of het verbod van vooringenomenheid. Op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt in bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. De heroverweging wordt, zo volgt uit de Awb, gedaan door hetzelfde bestuursorgaan dat ook het primaire besluit heeft genomen. In zoverre is van een (strikt) onafhankelijke behandeling in de bezwaarfase geen sprake. Op grond van artikel 7:5, eerste lid, van de Awb en vaste rechtspraak geldt daarbij echter wel dat de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) niet door dezelfde persoon mag worden voorbereid als de persoon die ook betrokken was bij de voorbereiding van het primaire besluit. Hieraan is in dit geval gevolg gegeven. Het boetebesluit en de beslissing op bezwaar zijn door verschillende afdelingen/medewerkers genomen. De AFM handelt, door een personele scheiding op zaaksniveau toe te passen tussen behandelaars van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar, conform de daartoe gestelde eisen. 42.1. In paragraaf 3.4 van het onderzoeksrapport zijn de bij het onderzoek gebruikte bronnen vermeld. Daarin wordt vermeld dat bij het onderzoek onder meer vier AFM-meldingen, dertien aangiftes bij de Nationale Politie en drie FIOD-meldingen zijn gebruikt. Documenten 036 en 064 maken hier onderdeel van uit en zijn in gelakte vorm aan eisers dossier ten grondslag gelegd. Dat een citaat uit de verklaring van de persoon uit document 036 voor het eerst aan de besluitvorming in bezwaar ten grondslag is gelegd, kan dus niet worden gevolgd. Evenmin ziet de rechtbank aanwijzingen voor de stelling van eiser dat de verklaring van de persoon uit document 064 een valse verklaring betreft. Zoals de AFM in de beslissing op bezwaar terecht heeft opgemerkt betreft het een ander persoon dan eiser in zijn bezwaarschrift voor ogen heeft. Voorts zijn in de besluitvorming wel meermaals (delen uit) verklaringen geciteerd of opgeknipt, maar doordat de rechtbank inzage heeft in de niet- geanonimiseerde 8:29 stukken waarvoor door eiser toestemming is verleend, blijkt wel degelijk sprake te zijn van meerdere verschillende beleggers van [de onderneming] die hebben verklaard. 42.2. Ook voor het overige acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Opportuniteit 43. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. 44. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat AFM met het opleggen van de bestuurlijke boete wil bereiken. Door zonder vergunning van de AFM beleggingsdiensten te verlenen in Nederland heeft [de onderneming] zich onttrokken aan het toezicht van de AFM dat (mede) gericht is op de bescherming van belangen van beleggers. De risico’s die dat toezicht beoogt te mitigeren, hebben zich verwezenlijkt: voor het verlenen van deze beleggingsdiensten heeft [de onderneming] hoge provisies betaald aan haar ‘agents’ en zijn beleggers hun geld kwijtgeraakt nadat [de onderneming] van de markt was verdwenen. 44.1. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] een ernstige overtreding betreft, die eiser heeft medegepleegd. Eiser was gedurende meer dan drie jaar een essentieel verlengstuk van een illegale vermogensbeheerder op de financiële markt. Zoals hiervoor is overwogen bij de beoordeling over medeplegen was zijn rol niet marginaal. De geloofwaardigheid en het vertrouwen dat eiser genoot, heeft ertoe geleid dat beleggers zich als klant aanmeldden bij [de onderneming] en daadwerkelijk vermogen aan [de onderneming] ter beschikking stelden met het doel dat dit vermogen zou worden beheerd en belegd door [de onderneming] . Daarmee was eiser een cruciale schakel tussen [de onderneming] en deze beleggers en heeft eiser eraan bijgedragen dat de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] op omvangrijke schaal kon plaatsvinden. Gelet hierop had een minder ingrijpende maatregel dan een punitieve sanctie niet volstaan. Het opleggen van een bestuurlijke boete is dan ook opportuun. Boetehoogte 45. Eiser heeft meer subsidiair betoogd dat de opgelegde boete te hoog en buiten proportie is. Het betreft volgens hem geen ernstige en verwijtbare overtreding die een boete van € 620.000,- rechtvaardigt. Eiser stelt in dit verband dat er geen sprake was van opzet en dat de AFM ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn draagkracht en economische bestaansrecht. Eiser is niet eens in staat de rente over de bestuurlijke boete te betalen. Ook hebben de publicatie van de bestuurlijke boete op de website van de AFM en de negatieve publicatie in de media geleid tot beperking van zijn professionele en commerciële activiteiten in de financiële wereld en zodoende tot gederfde inkomsten. Door de publicatie heeft eiser geen of nauwelijks meer inkomsten gegenereerd. Eiser is zijn huis en auto kwijt, zijn huwelijk is gestrand en zijn goede naam is weg. Zijn financiële positie is sterk verslechterd en hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij werkt gedwongen tegen minimumloon onder zijn kwalificatieniveau om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verder is het verkregen voordeel onjuist berekend door de AFM. De AFM heeft bij het vaststellen van de hoogte van de boete geen rekening gehouden met de kosten die in directe relatie staan tot de vermeende overtreding, zoals belastingafdrachten. 46. De AFM heeft de hoogte van de opgelegde boete bepaald aan de hand van de omstandigheden die zijn genoemd in artikel 1b, aanhef en onder a tot en met f, van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) en zoals neergelegd in het stappenplan van het Boetetoemetingbeleid AFM 2021. De rechtbank toetst aan de hand van die stappen zonder terughoudendheid of de boete in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt zij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd en de draagkracht van de overtreder. De rechtbank gebruikt daarbij het criterium ‘passend en geboden’. Stap 1: basisbedrag en ernst, omvang en duur van de overtreding 46.1. Op grond van artikel 1:81, eerste en tweede lid, van de Wft en artikel 10, eerste lid, van het Bbbfs valt overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft in de derde boetecategorie en geldt voor deze overtreding een basisbedrag van € 2.500.000,-. 46.2. De AFM heeft de overtreding terecht als ernstig bestempeld, gelet op de omvang en duur van de overtreding, het met de overtreding verkregen voordeel en de ernstige gevolgen van de overtreding. Door samen te werken met [de onderneming] , een illegale vermogens-beheerder, heeft eiser [de onderneming] in staat gesteld vermogen aan te trekken. Eiser heeft immers zeker zestien beleggers aangebracht bij [de onderneming] , in een periode van drie jaar en drie maanden, waarmee hij ruim € 620.000,- aan provisies heeft verdiend. De AFM heeft bij vaststelling van de periode van drie jaar uit mogen gaan van het moment dat eiser het ‘commission account’ bij [de onderneming] heeft verkregen (13 juli 2018) en het moment dat [de onderneming] van de markt is verdwenen (29 oktober 2021). In die periode konden potentiële beleggers via de aanmeld-link van eiseres een beleggingsrekening (‘managed account’) openen bij [de onderneming] en daarop vermogen inleggen en kreeg eiser van [de onderneming] hiervoor een provisie-vergoeding op zijn ‘commission account’. De beleggers zijn als gevolg van het verdwijnen van [de onderneming] hun geld kwijt geraakt. De vergunningplicht van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft en de doorlopende gedragsregels proberen dergelijke misstanden juist te voorkomen. De AFM heeft terecht geen aanleiding gezien om het basisbedrag te verhogen of te verlagen wegens de ernst van de overtreding. In de indeling van de overtreding in boetecategorie 3 en de daaraan gekoppelde hoogte van het basisbedrag van € 2.500.000,- is al een intrinsieke ernst verwerkt. Stap 2 en 3: mate van verwijtbaarheid en geen recidive 46.3. De rechtbank volgt het standpunt van de AFM dat geen aanleiding bestaat het basisbedrag te verhogen of te verlagen vanwege verminderde of verhoogde verwijtbaarheid. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 34.7 is de rechtbank van oordeel dat eiser wist dat [de onderneming] geen vergunning had. Toch heeft het hem er niet van weerhouden beleggers bij [de onderneming] in te laten stappen met hoge provisies voor hemzelf. Gelet op zijn financiële en fiscale achtergrond mocht van hem worden verwacht dat hij op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving en de verplichtingen naleeft. Hij heeft nauw en bewust met [de onderneming] samen gewerkt en daardoor een wezenlijke bijdrage aan de overtreding geleverd. Dit is hem te verwijten. Van recidive is geen sprake. Het basisbedrag blijft € 2.500.000,-. Stap 4: omvangtabel 46.4. De AFM heeft uit de door eiser verstrekte gegevens afgeleid dat eiser een vermogen heeft van minder dan € 500.000,-, zodat hij wordt ingedeeld in de 5% categorie. Het boetebedrag komt hiermee op € 125.000,-. Stap 5 en 6: passendheidstoets en verkregen voordeel 46.5. Het op basis van de voorgaande stappen vastgestelde boetebedrag kan worden verlaagd op grond van overige omstandigheden van het geval, waaronder de opstelling van de overtreder en de evenredigheid in het algemeen. Er kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die in het voorgaande niet zijn betrokken, maar in het kader van de evenredigheid van de hoogte van de boete in een specifiek geval wel relevant zijn. De boete kan (verder) worden verlaagd op grond van een of meer omstandigheden uit deze ‘restcategorie’. 46.6. De AFM heeft in stap 5 van haar besluitvorming de boetehoogte vastgesteld op € 118.00,- gelet op de opstelling van eiser na het verdwijnen van [de onderneming] . De AFM heeft hierbij gewezen op de opstelling van eiser na het verdwijnen van [de onderneming] . Eiser heeft zich (tezamen met een aantal andere tussenpersonen) ingespannen om gedupeerde beleggers te helpen en een onderzoeksbureau onderzoek laten verrichten naar de verblijfplaats van [naam contactpersoon] gericht op internationale opsporing. Hierin heeft de AFM overigens geen aanleiding gezien om tot een verdere verlaging van de boete over te gaan. 46.7. In stap 6 is de keuze gemaakt om, als het door de overtreding behaalde voordeel kan worden vastgesteld en het na stap 5 vastgesteld bedrag lager is dan het bedrag van het verkregen voordeel, het boetebedrag te verhogen tot ten minste het bedrag van het voordeel. Anders dan eiser stelt is de in stap 6 van het Boetetoemetingsbeleid 2021 opgenomen passendheidstoets niet in strijd met de wet. Voor het buiten toepassing laten van deze bepaling van het Boetetoemetingsbeleid van de AFM dan wel het onverbindend verklaren daarvan is dan ook geen aanleiding. De AFM hecht eraan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. In stap 6 heeft de AFM de boete vastgesteld op € 620.000,-, bestaande uit het verkregen voordeel berekend op basis van de verkregen bankafschriften van eiser. Het bedrag aan verkregen voordeel is tussen partijen niet in geschil, zodat de rechtbank van dit bedrag zal uitgaan. Hierbij heeft de AFM rekening gehouden met de eigen inleg van € 90.000,- van eiser en zijn (voormalige) echtgenote op het ‘managed account’ bij [de onderneming] en het daarop voor de periode van de overtreding ontvangen rendement van € 5.829,- en een gemiddelde aan kosten van € 2.100,- vanwege het met andere tussenpersonen inschakelen van een onderzoeksbureau. Stap 7: Draagkracht 46.8. In stap 7 van het Boetetoemetingsbeleid heeft de AFM geen aanleiding gezien om de boete te verlagen wegens beperkte draagkracht van eiser, omdat dit beleid als uitgangspunt hanteert dat het met de overtreding verkregen voordeel geldt als het minimale boetebedrag. De rechtbank overweegt hieromtrent verder het volgende. 46.9. De rechtbank is van oordeel dat de AFM terecht geen rekening heeft gehouden met de draagkracht van eiser. Wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen, ook als dat voordeel door een overtreder al zou zijn uitgegeven. Eiser heeft daarbij onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De AFM heeft er terecht op gewezen dat het draagkrachtformulier onvolkomenheden bevat. Eiser gaf aan in 2021 circa € 23.082,- netto aan inkomsten te hebben gehad, terwijl uit de bankafschriften van eiser blijkt dat hij in datzelfde jaar alleen al circa € 220.000,- aan provisies van [de onderneming] heeft ontvangen. Dit terwijl eiser in die periode ook andere bronnen van inkomsten had. Eisers draagkracht kan daarom niet eenduidig worden vastgesteld op basis van de door hem aangeleverde informatie. Dat eiser de boete niet zal kunnen betalen, zoals hij heeft gesteld, heeft hij dan ook niet aannemelijk gemaakt. De AFM heeft er terecht op gewezen dat in het kader van de invorderingsprocedure nadere gegevens kunnen worden overgelegd en een betalingsregeling mogelijk is. 46.10. Vooralsnog gaat ook de rechtbank dus uit van bovenstaand bedrag aan verkregen voordeel van € 620.000,-. De AFM was niet gehouden om door eiser gestelde belastingen van het verkregen voordeel af te trekken. De door eiser genoemde uitspraak van het CBb van 21 juni 2017 ziet op een ander toetsingskader (namelijk artikel 1:83 van de Wft) en is in deze niet relevant. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat een overtreding niet mag lonen. Matiging van de boete 47. Hoewel het door de AFM gehanteerde Boetetoemetingsbeleid duidelijk is en het behaalde voordeel in beginsel als ondergrens moet worden gehanteerd, ziet de rechtbank toch aanleiding om de boete te matigen. Zij overweegt hiertoe als volgt. 47.1 Het heeft erg lang heeft geduurd voordat de AFM na de eerste meldingen daadwerkelijk heeft opgetreden tegen [de onderneming] . Hoewel het begrijpelijk is dat, gelet op de toezichtcapaciteit van de AFM en de hoeveelheid meldingen in het algemeen die bij de AFM binnen komen, keuzes moesten worden gemaakt, was er al wel langere tijd (sinds 2019) sprake van een aantal (redelijk concrete) meldingen over [de onderneming] die aanleiding hadden kunnen geven voor nader onderzoek door de AFM en tot ingrijpen hadden kunnen leiden. Pas in het kader van de gesprekken met finfluencers is de AFM bekend geworden met de impact, de omvang van de dienstverlening en de provisiestructuur van [de onderneming] en is in 2021 nader onderzoek gaan doen, welk onderzoek pas in 2022 meer op eiser (en andere finfluencers) is toegespitst. Ook heeft AFM, nadat [de onderneming] was verdwenen met de inleg van beleggers, pas op 25 november 2021 een openbare waarschuwing uitgevaardigd. Hierdoor heeft de overtreding door [de onderneming] langer kunnen voortduren en heeft de inleg van beleggers, de provisies van tussenpersonen en uiteindelijk de verliezen van deze beleggers in omvang kunnen toenemen. Hoewel eiser – zoals eerder geoordeeld – zelf ook een verantwoordelijkheid had in deze en (meer) nader onderzoek had moeten doen naar [de onderneming] en zich mogelijk eerder had kunnen terug trekken en de beleggers had kunnen waarschuwen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet geheel aan eiser (en andere tussenpersonen) kan worden toegerekend. Door niet tijdig en adequaat in te grijpen heeft de AFM aan [de onderneming] de gelegenheid geboden om langere tijd illegaal binnen de financiële markt te kunnen blijven opereren. 47.2. Omdat het verder enige tijd heeft geduurd voordat de AFM duidelijkheid verschafte ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van de ‘agents’, zoals eiser, heeft eiser gedurende langere tijd in onzekerheid moeten verkeren. In deze bijzondere omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de boete op grond van de evenredigheid in het algemeen te matigen met € 50.000,-. Een bestuurlijke boete van € 570.000,- acht de rechtbank in dit geval passend en geboden. 47.3. De rechtbank ziet in de overige door eiser aangevoerde omstandigheden, met uitzondering van de hierna te bespreken overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding voor een verder matiging van het boetebedrag. Overschrijding van de redelijke termijn 48. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit tot matiging van de boete dient te leiden. 49. Volgens vaste rechtspraak geldt bij punitieve sancties als hier aan de orde als uitgangspunt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. Overschrijding van de redelijke termijn behoort in beginsel te leiden tot verlaging van de boete, mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. 49.1. Hoofdregel is dat de redelijke termijn gaat lopen op het moment dat het bestuursorgaan jegens de overtreder een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Dat moment is in dit geval het voornemen tot het nemen van het boetebesluit dat op 30 augustus 2023 door de AFM is uitgebracht. Vanaf dat moment tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank is drie jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met één jaar is overschreden. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die een verlenging van die termijn rechtvaardigen, zoals de AFM betoogt. De rechtbank volgt de AFM evenmin in haar betoog dat er geen reden is om de boete te matigen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, omdat het hier uitsluitend zou gaan om het ontnemen van verkregen voordeel. 49.2. Gelet op de in de uitspraak van het CBb van 30 april 2024 gegeven uitgangspunten, betekent dit dat de boete in geval van een overschrijding van meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden wordt verminderd met 10%, met een maximum van € 2.500,-. 49.3. In een vergelijkbare zaak is een beroep gedaan op de overschrijding van de termijn uit artikel 5:51 van de Awb (de dertienwekentermijn). Ook uit het onderhavige dossier volgt dat tussen het onderzoeksrapport met dagtekening 7 augustus 2023 en het primaire boetebesluit van 4 juni 2024 een periode van ongeveer 10 maanden zit. De in artikel 5:51 van de Awb gestelde termijn van dertien weken tussen de dagtekening van het rapport en de dagtekening van het primaire besluit is dus overschreden met ongeveer 7 maanden. De rechtbank ziet in deze overschrijding van de dertienwekentermijn, die gesteld wordt in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb, echter geen aanleiding om de boete nog verder te matigen dan zij al heeft gedaan (onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 47.1 en 47.2 van deze uitspraak). De in deze bepaling genoemde dertienwekentermijn, waarbinnen een bestuursorgaan moet beslissen of een boete wordt opgelegd, is een termijn van orde. Wel kan de rechter de overschrijding van de beslistermijn verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete (Kamerstukken II 2003/4, 29 702, nr. 3, p. 150). De rechtbank heeft aanleiding gezien om de hoogte van de boete te matigen gelet op de lange duur tussen de meldingen over [de onderneming] , het onderzoek naar [de onderneming] door de AFM en de uiteindelijke kwalificatie van de gedragen van de ‘agents’ van [de onderneming] door de AFM. Hierin zit dus ook verdisconteerd de overschrijding van de beslistermijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. 49.4. Het voorgaande betekent dat de boete wordt verminderd met € 2.500,-, zodat de boete uitkomt op een bedrag van € 567.500,-. Publicatie 50. Eiser betoogt dat de publicatie van het boetebesluit tot ernstige reputatieschade heeft geleid. Volgens eiser is sprake van disproportionele gevolgen. De AFM heeft met het besluit en de publicatie daarvan geen oog gehad voor de verwoestende impact op natuurlijke personen. Het boetebesluit en de publicatie ervan heeft geleid tot sociale uitsluiting en economische vernietiging van eiser. Hij wordt bedreigd in zijn bestaanszekerheid. Zijn (herschreven) boek komt niet meer op de markt, zijn video’s worden niet meer gemaakt en interviews worden niet meer afgenomen, omdat hij na de persberichten wordt ‘uitgekotst’ in de financiële sector. 51. De AFM heeft het boetebesluit op 12 juni 2024 ongeanonimiseerd (met uitzondering van vertrouwelijke gegevens) openbaar gemaakt op haar website (en inmiddels is ook de beslissing op bezwaar gepubliceerd). Het beroep is gericht op de publicatie van het boetebesluit. 51.1. Op grond van artikel 1:97, eerste lid, van de Wft maakt de AFM een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze wet openbaar. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk is geworden. Indien tegen het besluit bezwaar, beroep of hoger beroep is ingesteld, maakt de AFM de uitkomst daarvan tezamen met het besluit openbaar. Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel maakt de AFM in afwijking van het eerste lid een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar, indien het een bestuurlijke boete betreft ter zake overtreding van een voorschrift dat op grond van artikel 1:81 is gerangschikt in de derde categorie. Op grond van het vijfde lid van dit artikel maakt de AFM de indiening van een bezwaar of de instelling van een beroep of hoger beroep tegen een besluit als bedoeld in het derde lid, alsmede de beslissing op bezwaar en de uitkomst van dat beroep of hoger beroep, zo spoedig mogelijk openbaar, tenzij het besluit op grond van artikel 1:98 niet openbaar is gemaakt. 51.2.. In dit geval is sprake van een bestuurlijke boete gerangschikt in de derde categorie, zodat de boete zo spoedig mogelijk openbaar dient te worden gemaakt, tenzij één van de situatie als bedoeld in artikel 1:98 van de Wft van toepassing is. 51.3. Op grond van artikel 1:98, eerste lid, van de Wft wordt openbaarmaking op grond van artikel 1:97 uitgesteld of geschiedt deze in zodanige vorm dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover a. die gegevens herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon en bekendmaking van zijn persoonsgegevens onevenredig zou zijn; b. betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend; (…). 52. Uitgangspunt bij de beoordeling of betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend als bedoeld in artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wft is dat de AFM een evenwichtigheidsbeoordeling moet uitvoeren die er onder omstandigheden toe kan leiden dat openbaarmaking wordt uitgesteld of geanonimiseerd plaatsvindt. Uitgestelde of geanonimiseerde openbaarmaking is aangewezen, voor zover volledige openbaarmaking betrokken partijen in onevenredige mate schade zou berokkenen. Het criterium “onevenredige mate van schade” veronderstelt dat moet worden beoordeeld of er sprake is van schade die in verhouding tot de met de niet-geanonimiseerde (volledige) openbaarmaking na te streven doelen en daarmee te dienen belangen van dien aard is dat openbaarmaking uitgesteld of geanonimiseerd moet plaatsvinden. 52.1. De doelen die in het algemeen worden nagestreefd met openbaarmaking en de belangen die daarmee worden gediend, zijn: (1) het doel het publiek zo ruim mogelijk kennis te kunnen laten nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden daarvoor, (2) het doel andere instellingen die onder toezicht staan te laten weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en inzicht te laten krijgen in de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft, (3) het doel personen, die door de inbreuk schade hebben geleden, eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend te kunnen laten maken en (4) het doel andere personen en ondernemingen die onder toezicht staan te ontmoedigen om overtredingen te begaan. 52.2. Dit betekent dat de toezichthouder de belangen die met het nastreven van deze vier doelen worden gediend, moet betrekken in zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat in het concrete geval met openbaarmaking wordt gediend. 53. De AFM was ten tijde van het publicatiebesluit nog niet bekend met de uitspraken van het CBb van 25 februari 2025 en 15 juli 2025, maar heeft in haar besluitvorming de evenwichtigheidsbeoordeling wel verricht en het juiste criterium gehanteerd. De AFM heeft immers de vier doelen die volgens de wetgever met de openbaarmaking worden nagestreefd en de belangen die daarmee worden gediend blijkens het openbaarmakingsbesluit (paragraaf 11.4 van het primaire besluit) betrokken bij haar beoordeling en afgewogen tegen het belang van eiser dat zijn overtreding niet bekend wordt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van de in artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wft genoemde uitzonderingsgronden en dat zij in dit geval de openbaarmaking niet hoefde te anonimiseren of uit te stellen. 53.1. Zoals de AFM terecht heeft opgemerkt, dient de openbaarmaking in ieder geval het belang om de markt te informeren en/of te waarschuwen en kunnen daarnaast ook voormalige klanten met of via wie eiser eventueel in de toekomst in financiële instrumenten zou handelen belang hebben geïnformeerd te zijn over de door hem begane overtreding. Dat eiser nu niet meer in de financiële sector actief is, sluit niet uit dat hij in de toekomst wel weer actief kan worden. Ook heeft de AFM terecht opgemerkt dat het informeren of waarschuwen van belang is voor de generale preventieve werking, omdat marktpartijen daardoor worden ingelicht over het handhavend optreden van de toezichthouder en de mogelijke gevolgen van een overtreding van de vergunningplicht voor het verlenen van beleggingsdiensten. 53.2. Wat eiser heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat er sprake is van schade die in verhouding tot deze belangen van dien aard is dat de openbaarmaking uitgesteld of geanonimiseerd had moeten plaatsvinden. De AFM heeft er terecht op gewezen dat eiser voorafgaand aan het boetebesluit geen individuele omstandigheden heeft aangedragen waarom publicatie hem onevenredig zou schaden en deze omstandigheden waren deze de AFM ook niet anderszins bekend. Hoewel hij hierop wel is gewezen in het boetebesluit, heeft eiser ook geen verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Voor zover eiser stelt dat hij geen geld voor een advocaat had, is van belang dat een dergelijk verzoek ook zonder advocaat kan worden ingediend. Dat eiser door de publicatie van het boetebesluit in zijn goede naam is aangetast en het ingrijpende gevolgen kan hebben gehad voor zijn privésituatie, is op zich niet onaannemelijk. De AFM heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheden niet opwegen tegen de zwaarwegende belangen van publicatie. Dat publicatie negatieve gevolgen heeft gehad komt dan ook niet door de publicatie zelf maar door de door eiser gepleegde overtreding, te weten het medeplegen van de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [de onderneming] . 53.3 De AFM is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat volledige openbaarmaking van het boetebesluit eiser geen onevenredige schade heeft berokkend en dat de openbaarmaking van zijn persoonsgegevens niet onevenredig is. Het betoog van eiser dat de openbaarmaking van het boetebesluit onevenredig is, slaagt dan ook niet. Dat de bestuurlijke boete aan eiser breed is uitgemeten in de media naar aanleiding van de publicatie, maakt dit niet anders. Wel merkt de rechtbank op dat de AFM bij publicatie van het bestreden besluit expliciet het door de rechtbank vastgestelde (gematigde) boetebedrag en de reden daarvan dient te vermelden. De AFM dient daarbij tevens het persbericht aan te passen naar aanleiding van het door de rechtbank vastgestelde (gematigde) boetebedrag en de reden daarvan. Conclusie en gevolgen 54. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit in zoverre te herroepen en de hoogte van de boete vast te stellen op € 567.500,-. 55. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de AFM het door eiser betaalde griffierecht dienen te vergoeden. 56. Eiser heeft om proceskostenvergoeding gevraagd. In dat kader heeft eiser drie nota’s van een advocaat ingediend en een reiskostenvergoeding gevraagd. 57. Voor zover hier relevant kan op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op: a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, (…) d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende, (…). 57.1. Op grond van artikel 8:75 van de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar (…) redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. 58. De door eiser ingediende nota’s van zijn toenmalige gemachtigde zijn van voor het boetebesluit van 4 juni 2024 en zien dus niet op de bezwaar- of beroepsfase. Deze kosten kunnen dus niet in aanmerking komen voor proceskostenvergoeding. 59. De AFM dient wel de verzochte reiskostenvergoeding van € 17,- op basis van het openbaar vervoertarief 2e klas te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft; - verklaart het bezwaar gegrond voor zover het de hoogte van de boete betreft, herroept het primaire besluit in zoverre, stelt de hoogte van de boete vast op € 567.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; - draagt de AFM op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt de AFM in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 17,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Artikel 6 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. (…). Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 5:1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Artikel 5:51 1. Indien van een overtreding een rapport is opgemaakt, beslist het bestuursorgaan omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport. Artikel 7:15 (…) De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. (…). Artikel 8:29 1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. 2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. 3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer. 6. Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend. Artikel 8:75 De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. Wet op het financieel toezicht (Wft) Artikel 1:1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder: (…) verlenen van een beleggingsdienst: a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten; b. in de uitoefening van beroep of bedrijf voor rekening van die cliënten uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten; c. beheren van een individueel vermogen; d. in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten; e. in de uitoefening van beroep of bedrijf overnemen of plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening (https://www.inview.nl/openCitation/idf03cac7769924a3c8b3544363e463d9d) met plaatsingsgarantie; f. in de uitoefening van beroep of bedrijf plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening zonder plaatsingsgarantie; (…) beheren van een individueel vermogen: in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan als beheerder van een beleggingsinstelling of beheerder van icbe, op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht. Artikel 1:97 De toezichthouder maakt een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze wet of artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht openbaar. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk is geworden. Indien tegen het besluit bezwaar, beroep of hoger beroep is ingesteld, maakt de toezichthouder de uitkomst daarvan tezamen met het besluit openbaar. (…) In afwijking van het eerste lid maakt de toezichthouder een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar, indien het een bestuurlijke boete betreft ter zake overtreding van: a. een voorschrift dat op grond van artikel 1:81 is gerangschikt in de derde categorie; b. (…). 4. (…). 5. De toezichthouder maakt de indiening van een bezwaar of de instelling van een beroep of hoger beroep tegen een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, alsmede de beslissing op bezwaar en de uitkomst van dat beroep of hoger beroep, zo spoedig mogelijk openbaar, tenzij het besluit op grond van artikel 1:98 niet openbaar is gemaakt. Artikel 1:98 1. Openbaarmaking op grond van artikel 1:97 wordt uitgesteld of geschiedt in zodanige vorm dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover: a. die gegevens herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon en bekendmaking van zijn persoonsgegevens onevenredig zou zijn; b. betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend; c. een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopend onderzoek door de toezichthouder naar mogelijke overtredingen zou worden ondermijnd; of d. de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou worden gebracht. 2 Openbaarmaking op grond van artikel 1:97 blijft achterwege, indien openbaarmaking overeenkomstig het eerste lid: a. onevenredig zou zijn gezien de geringe ernst van de overtreding, tenzij het een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete betreft; b. niet in overeenstemming is met het doel van de opgelegde bestuurlijke sanctie, tenzij het een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete betreft; of c. de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou brengen. Artikel 2:96 Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel, het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd. Zie bijvoorbeeld CRvB 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267. Zie Kamerstukken II 29 708, nr. 19, p. 465. Rb. Midden-Nederland 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:7516. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716. CBb 20 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:315, CBb 21 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:312 en CBb 17 februari 2026 ECLI:NL:CBB:2026:57. Vergelijk bijvoorbeeld HR van 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972. Dossierstuk 050.1, bijlage 5. Zie bijvoorbeeld dossierstukken 027 en 064. Zie dossierstuk 032. Zie dossierstukken 026 en 027. Dossierstuk 048. Zie bijvoorbeeld dossierstukken 046, 050 (bijlage), 058.2 en 61.2. Zie bijvoorbeeld dossierstukken 048 en 049. Rechtbank Midden-Nederland 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBNME:2023:7516. Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694. Zie bijvoorbeeld HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359 en EHRM 4 oktober 2022, 58342/15. Verwezen wordt naar randnummers 106 tot en met 108 van de beslissing op bezwaar, hetgeen ziet op dossierstuk 064. Verwezen wordt naar randnummer 105 van de beslissing op bezwaar, hetgeen ziet op dossierstuk 036. Zie arrest HR 21 januari 2021, ECLI:HR:2021:1. CBb 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:206. CBb 4 april 2023, ECLI:NL:CBB:2023:172. CBb 30 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:316. Zie CBb 25 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:102 en CBb 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:353.