Rechtbank Noord-Holland, 26-08-2026 (HAA 26/3021)
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening in verband met een door het college verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van vier padelkooien. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Full text
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: 26/2931 en HAA 26/3021 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoeker 1] e.a., uit Kwadijk, verzoekers 1 en [verzoeker 2] e.a. , uit Kwadijk, verzoekers 2 (gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen), Hierna tezamen: verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam (gemachtigden: S. Hoekstra en B. Köne) Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Sportvereniging Kwadijk, (de vergunninghouder) (gemachtigde: D. Damsma). Inleiding en procesverloop 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening in verband met een door het college aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van vier padelkooien op het perceel [perceel] in Kwadijk. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek om een ordemaatregel is bij uitspraak van 10 juni 2026 afgewezen. 1.2. De vergunninghouder heeft op 5 november 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van vier padelbanen op het perceel [adres 1] in Kwadijk (op de oefenhoek van de Sportvereniging Kwadijk). 1.3. Het college heeft met het besluit van 6 november 2025 de omgevingsvergunning verleend. 1.4. Met het bestreden besluit van 28 april 2026 op het bezwaar van verzoekers is het college bij dat besluit gebleven. Daartegen hebben verzoekers beroep ingesteld, zodat de verzoeken om een voorlopige voorziening gelden als verzoeken gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Zij verzoeken om het besluit (de omgevingsvergunning) te schorsen om een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. 1.5 De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekers 1 zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . [verzoeker 2] , [naam 3] en [naam 4] namens verzoekers 2, vergezeld door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder. 2. Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen op het beroep als na afloop van de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zoals ter zitting besproken zijn er twee procedures gestart waarbij veel gronden zijn aangevoerd. De omvang van die gronden is zodanig dat die het bestek van behandeling bij een voorlopige voorziening te buiten gaan. Door verzoekers is drie dagen voor de zitting nog een groot aantal stukken ingediend, waaronder een contra-expertise ter zake van het geluid. De voorzieningenrechter is, naast het feit dat partijen nog niet afdoende op elkaars stukken hebben kunnen reageren gelet op de termijn waarbij nog stukken zijn ingediend, ook gelet daarop niet in de mogelijkheid om kort te sluiten. 2.1. De voorzieningenrechter zal zich daarom in dit stadium van de behandeling van de zaken voor zover mogelijk enerzijds uitlaten met een voorlopig rechtmatigheidsoordeel, en zich voor zover onderwerpen de behandeling van de voorlopige voorziening te buiten gaan, anderzijds beperken tot een belangenafweging. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemgedingen niet. Waar gaan deze zaken over? 4.1. Op 5 november heeft de vergunninghouder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag ziet op de volgende activiteiten: Een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow); Een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit het afwijken van het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Ow. Het perceel is onderdeel van het omgevingsplan, deelgebied ‘Dorpskernen 2016’. De gronden hebben de bestemming ‘Sport’ en dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap-Stelling van Amsterdam’. 4.2. Het college heeft bij brief van 27 november 2024 aan vergunninghouder laten weten dat er nog onvoldoende gegevens en bescheiden zijn om de aanvraag te beoordelen en verzoekt de vergunninghouder een aantal gegevens aan te leveren. Op 6 februari 2025 verzoekt vergunninghouder om verlenging van de termijn. Het college verlengt daarop de termijn tot uiterlijk 21 maart 2025. 4.3. Bij het primaire besluit van 6 november 2025 verleent het college – onder voorschriften – de aangevraagde omgevingsvergunning. Wat staat er in het bestreden besluit? 5. Het college stelt zich op het standpunt dat de voorgestelde activiteit in beginsel in strijd is met de beoordelingsregels uit het omgevingsplan, maar dat het omgevingsplan zelf voorziet in een mogelijkheid om af te wijken van de regels (binnenplanse afwijking). Artikel 24.4.1 bepaalt dat het bevoegd gezag kan afwijken van dit verbod indien de kernkwaliteiten van deze bestemming niet worden geschaad, en de provincie schriftelijk advies heeft gegeven over de afwijking. Met het bestreden besluit van 28 april 2026 op de bezwaren van eisers heeft het college het primaire besluit onder nadere voorschriften in stand gelaten. De nadere voorschriften zijn: Bij het aanleggen van de 8 parkeerplaatsen dient gebruik te worden gemaakt van grastegels; De lichtmasten mogen uitsluitend tussen 08:00 uur en 21:30 uur zijn ingeschakeld; Het gebruik van geluidsversterkende apparatuur of vergelijkbare hulpmiddelen is niet toegestaan op het perceel; Het eventueel aanvragen van een vergunning voor een Natura 2000 activiteit of flora en fauna activiteit dient bij de provincie te gebeuren. Spoedeisend belang 6.1. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald aan welke formele vereisten moet worden voldaan alvorens de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen. Er dient tegen een besluit beroep te zijn ingediend en het verzoek dient te worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak. Bovendien dient onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, te eisen dat een voorlopige voorziening getroffen wordt. 6.2. Verzoekers 2 hebben eerder hangende hun bezwaar ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend omdat de vergunninghouder gestart was met de werkzaamheden. Vergunninghouder heeft naar aanleiding van het door verzoekers ingediende verzoek de werkzaamheden stilgelegd en schriftelijk verklaard dat zij in afwachting van de beslissing op bezwaar de werkzaamheden staakt en gestaakt zal houden. Met het bestreden besluit van 28 april 2026 op het bezwaar van verzoekers heeft het college het primaire besluit onder aanvulling van nadere voorwaarden in stand gelaten. Omdat vergunninghouder de werkzaamheden heeft hervat en heeft aangegeven de werkzaamheden niet te zullen staken of op te schorten hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen en in afwachting daarvan een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 10 juni 2026 geen toepassing gegeven aan zijn bevoegdheid om bij wijze van ordemaatregel te bepalen de gevraagde voorziening te treffen. 6.3. Bij brief van 4 augustus 2026 heeft de vergunninghouder aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat de bouw van de padelkooien inmiddels is afgerond en gereed gemeld. Voorts blijkt uit die mededeling dat ingebruikname niet aan de orde is, omdat de parkeerplaatsen nog niet zijn uitgebreid en dat was één van de voorwaarden in de vergunning. Ter zitting is gebleken dat ten aanzien van de parkeerplaatsen en de aanpassing van de huurovereenkomst bij verre geen overeenstemming bestaat tussen de vergunninghouder en het college. Voor wat betreft de parkeerplaatsen is gebleken dat de parkeerplaatsen zoals deze nu vergund zijn, gesitueerd zijn voor de nooduitgang. Daarin is (hoogstwaarschijnlijk) beletsel gelegen om die op deze wijze te realiseren. Dit zal ingebruikname van de padelkooien op korte termijn dan ook niet mogelijk maken. Sterker nog: dat zal waarschijnlijk eerst tot een aangepaste omgevingsvergunning moeten leiden. De tekening waarop de parkeerplaatsen zijn gerealiseerd maken immers onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat uit de door verzoekers naar voren gebrachte emailwisseling met grondzaken blijkt dat ook op dit moment verre van overeenstemming is bereikt ten aanzien van de aanpassing van de huurovereenkomst. Ter zitting is naar voren gebracht dat een preventieve last onder dwangsom is verstuurd naar de vergunninghouder die vooralsnog ook de ingebruikname van de padelbanen belemmert. 6.4. Uit het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter af dat van een spoedeisend belang ter zake van mogelijke problemen bij het realiseren van padelbanen geen sprake is, immers is dat punt gepasseerd en achterhaald. Gelet op vorenstaande waaruit blijkt dat ingebruikname op korte termijn niet mogelijk is, lijkt het spoedeisend belang in dit geval enkel te kunnen worden gevonden in toekomstige, maar bij vorenstaande stand van zaken onzekere, ingebruikname van de padelbanen. Voor zover in de hiervoor genoemde toekomstige ingebruikname op dit moment een spoedeisend belang is gelegen overweegt de voorzieningenrechter het navolgende. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel 7. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en hebben verschillende gronden aangevoerd. Verzoekers voeren – onder meer en kort samengevat – aan dat sprake is van een onjuist toetsingskader dat is gebruikt door het college, er zou sprake zijn van civielrechtelijke belemmeringen, het aantal parkeerplaatsen is niet juist tot stand gekomen, de belangenafweging is niet juist gemaakt en door het plan zal er sprake zijn van verkeers- en geluidsoverlast. 7.1. Gelet op de omvang van het geding komt de voorzieningenrechter ten aanzien van het voorlopig rechtmatigheidsoordeel en een belangenafweging tot de navolgende overwegingen. De toets aan het bestemmingsplan 8. De voorzieningenrechter kan het standpunt van het college volgen. De padelkooien worden gerealiseerd op gronden met de bestemming Sport en de dubbelbestemming Landschap -Stelling van Amsterdam. Ter plaatse van de bestemming Sport is padel als sportactiviteit toegestaan. De afwijking die hier in het geding is, is de omstandigheid dat in de dubbelbestemming Stelling van Amsterdam wordt gebouwd, daar ziet de afwijking op. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de aanvraag niet voldoet aan de regels in artikel 24.2.1 behorend bij de bestemming Stelling van Amsterdam. Daarin wordt bepaald dat niet gebouwd mag worden op de gronden met genoemde bestemming. Op dit verbod zijn uitzonderingen mogelijk. Het omgevingsplan voorziet zelf in een mogelijkheid om af te wijken van de regels genoemd in artikel 24.2.1. Dit wordt een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid genoemd. Artikel 24.4.1 bepaalt dat het bevoegd gezag kan afwijken van dit verbod indien de kernkwaliteiten van deze bestemming niet worden geschaad, en de provincie schriftelijk advies heeft gegeven over de afwijking. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid heeft kunnen toepassen. Voor zover verzoekers met hun grond hebben aangevoerd dat een buitenplanse vrijstelling had moeten worden verleend volgt de voorzieningenrechter dit standpunt niet. Samenvattend mag in beginsel niet worden gebouwd op deze gronden, tenzij het bevoegd gezag ten behoeve van andere bestemmingen bouwwerken toestaat. Dit kan alleen als de kernkwaliteiten van de bestemming niet worden geschaad. Ook dient de provincie schriftelijk advies te geven over de afwijking van het verbod. Het college heeft uitgebreid gemotiveerd beoordeeld dat de kernkwaliteiten niet worden geschaad. Daar wordt bij betrokken dat ter plaatse reeds een sportcomplex is gerealiseerd. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het advies van de provincie zich niet in de dossierstukken bevindt. Uit punt 20 van het stuk van de gemachtigde van verzoeker 2 alsook toegelicht ter zitting heeft de voorzieningenrechter begrepen dat dat stuk, een schriftelijk stuk, een e-mail betreft. De voorzieningenrechter heeft het college verzocht om dat stuk (alsnog) in te brengen in de bodemprocedures. Ter zitting heeft het college bevestigd dat het een op de zaak betrekking hebben stuk is en zij dat stuk alsnog zal inbrengen in de bodemprocedures. De voorzieningenrechter heeft op voorhand geen twijfel om aan te nemen dat dit een schriftelijk advies is dat aan de vereisten voldoet. Voor zover het college twijfelt is ter zitting aan het college medegedeeld dat nu alsnog de mogelijkheid bestaat om in de bodemprocedures een bevestiging in te brengen van het bevoegd gezag van de provincie. De voorzieningenrechter kan op dit moment niet vaststellen of aan de tweede voorwaarde is voldaan, maar ziet hierin geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 22.281 van het Omgevingsplan moet het college – in het geval zij gebruik maakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid – ook beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Het college moet niet alleen beoordelen of de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet worden geschaad door de afwijking, maar dient ook vervolgens een belangenafweging te maken waarbij dient te worden beoordeeld of het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in overeenstemming is met etfal. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat bij de etfal-toets uitsluitend die belangen kunnen worden betrokken die worden geraakt door onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het omgevingsplan en voor zover van de dubbelbestemming Stelling van Amsterdam wordt afgeweken. Het college stelt zich op het standpunt dat door verlening van de omgevingsvergunning nog steeds sprake is van etfal, daar waar het gaat om de bescherming van de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam. Bij deze stand van zaken is geen reden om te twijfelen aan de mogelijkheid om met een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid de padelbanen te realiseren. In zoverre deelt de voorzieningenrechter de conclusie dat dit slechts een geringe afwijking van het geldend planologisch regime betreft. De evidente civielrechtelijke belemmeringen 9. Verzoekers voeren aan dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Vergunninghouder heeft bij akte van levering op 3 januari 1978 de percelen in eigendom gekregen. Deze percelen zijn in januari 2016 verkocht aan de gemeente, waar de kettingbedingen uit de notariële akte van levering van 3 januari 1978 onderdeel van uitmaken. De eigenaar van [adres 2] stelt op grond van een kettingbeding dat hij toestemming moet geven voor de bouw van de padelbanen. Uit sub K van dit kettingbeding volgt dat: “ Met uitzondering van voorzieningen, noodzakelijk voor een goed verloop van de sport- en spelbeoefening op het verkochte, over de aanleg waarvan vooraf met verkoper casu quo zijn rechtsopvolger met betrekking tot het huisperceel [adres 2] overleg dient te worden gepleegd, is het koopster en haar rechtsopvolgers als hiervoor bedoeld niet toegestaan op het gekochte enige vorm van bebouwing te plegen of toe te staan ”. De voorzieningenrechter kan het college volgen in het standpunt dat gelet op de uitleg van de verplichtingen uit de leveringsakte geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Door het college is het standpunt ingenomen dat de eigenaar van [adres 2] (rechtsgeldig) aanspraak kan maken op dit beding. Het college stelt dat sprake is van een uitzonderingsgrond die het mogelijk maakt om de padelbanen alsnog te realiseren op grond van de uitzondering ‘voorzieningen noodzakelijk voor een goed verloop van sport- en spelbeoefening’. Voor zover in de voorlopige voorziening betoogd is dat er civielrechtelijke belemmeringen zijn gelegen in de toestemming van het college, namelijk in de te wijzigen huurovereenkomst tussen de gemeente en de vergunninghouder, ziet de voorzieningenrechter bij deze stand van zaken geen reden om dat aan te nemen. Ten aanzien van het parkeren en de aanpassing huurovereenkomst zelf is in het genomen besluit geen civielrechtelijke belemmering door het college aangenomen. Op pagina 2 van de vergunning is enkel omschreven welke formaliteiten moeten worden doorlopen. Daaraan is geen inhoudelijk voorbehoud of voorwaarde verbonden. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter - in weerwil van wat door de Afdeling grondzaken in de email is gesteld – ook op dit punt geen aanknopingspunt voor evidente civielrechtelijke belemmeringen. Ontbrekende natuurtoets, Natura 2000 en Hoogheemraadschap 10. Door het college is het standpunt ingenomen dat dit buiten de beoordeling en het toetsingskader valt. Het college stelt dat uit de Omgevingswet volgt dat een flora- en fauna activiteit en/of een Natura 2000 activiteit niet gelijktijdig met een omgevingsvergunning voor een bouw- of omgevingsplanactiviteit hoeft te worden aangevraagd. Vergunninghouder is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van (eventueel nog) benodigde toestemmingen en voor de naleving van de toepasselijke natuurtoets. De beoogde ontwikkeling ziet op het realiseren van padelkooien, waarbij er enkel sprake is van (relatief kleine) strijdigheid met de bouwregels op het punt van Stelling van Amsterdam. Het gebruik is immers al toegestaan ter plaatse op grond van de bestemming Sport. Het college stelt dat het door verzoekers genoemde belang bij het voorkomen van overlast voor de natuur niet is opgenomen als weigeringsgrond binnen de regels bij Stelling van Amsterdam. De stelling dat de vergunning voor padelbanen kan leiden tot aantasting van de natuur, kan daarom volgens het college niet baten in de procedure tegen de verleende omgevingsvergunning. Voorts stelt het college dat een watervergunning niet langer onlosmakelijk is verbonden met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De handhaving voor het eventuele niet beschikken over een watervergunning, wordt gedaan door het daarvoor bevoegde waterschap. Volgens het college was consultatie bij het hoogheemraadschap niet noodzakelijk voor verlening van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Parkeren 11. Voor zover is betoogd dat er meer dan acht parkeerplaatsen benodigd zijn, volgt de de voorzieningenrechter dit standpunt niet. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de door het college gemaakte berekening onjuist is. Het college heeft voor de beoordeling van de parkeerbehoefte aangesloten bij de CROW-kencijfers en een verkeersonderzoek laten uitvoeren. Het kencijfer betreft een gemiddelde. Het college merkt op dat het bestaande parkeertekort buiten beschouwing mag blijven bij de beoordeling van de parkeerbehoefte van het nieuwe plan. De voorgeschreven realisatie van acht nieuwe parkeerplaatsen is volgens het college juist bedoeld om de extra parkeerbehoefte die door het plan ontstaat op te vangen. Gestelde schendingen in voorprocedure en AVG 12. Naar voorlopig oordeel is, wat hier ook van zij, hierin geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Zorgplicht dierenwelzijn 13. Het college stelt zich op het standpunt dat paardenhouderijen niet als geluidgevoelige gebouwen worden aangemerkt en daarom niet afzonderlijk hoeven te worden beoordeeld. Daarnaast is in de directe omgeving al sprake van meerdere bestaande geluidbronnen, waaronder de naastgelegen N244 en voetbalvelden. Op de voetbalden worden reeds piekgeluiden geproduceerd, zoals fluittonen, stemmen en dichtslaande autodeuren. De voorzieningenrechter kan het standpunt van het college volgen. Op voorhand ziet de voorzieningenrechter geen reden dat dit onjuist zou zijn. Planschade 14. Door het college is terecht verwezen naar de planschadeprocedure. Door het college is in bezwaar onderkend dat een vergunningbesluit mogelijk gevolgen kan hebben en erop gewezen dat eventuele schade langs de daarvoor bestemde route van nadeelcompensatie kan worden beoordeeld. Bibob en financiële haalbaarheid 15. De voorzieningenrechter overweegt dat er geen aanleiding of signalen bestonden waardoor het college had moeten aannemen dat er een Bibob-toets had moeten plaatsvinden. Door het collegehet college is terecht gesteld dat onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan buiten het kader valt waarbinnen de aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden getoetst, datzelfde geldt ook voor de Bibob-toets. Nut, noodzaak en maatschappelijk belang 16. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vraag of de padelkooien als overbodig kunnen worden beschouwd, geen deel uitmaakt van het toetsingskader. Het college stelt dat de toetsing slechts van belang is voor zover de kernwaarden van de Stelling van Amsterdam in het geding zouden zijn. Het oordeel dat er geen nut, noodzaak of maatschappelijk belang zou zijn gediend met de padelkooien ofwel een oordeel over de ruimtelijke aanvaardbaarheid, wordt niet gewogen tegen de kernwaarden van de Stelling van Amsterdam voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Ook dit vormt geen onderdeel van het kader waaraan getoetst dient te worden door het college. Stedenbouwkundig oordeel en welstand 17. Door het college is in het besluit opgenomen dat reeds een sportcomplex aanwezig was met de nodige licht- en geluidsbelasting. Met inachtneming van interne stedenbouwkundige adviezen heeft het college zich op het standpunt gesteld dat: “ Het plan is stedenbouwkundig uitvoerbaar door de uitvoering met doorzichtig plexiglas, waardoor de landschappelijke openheid op minimale wijze wordt aangetast’. Door de commissie fysieke leefomgeving is geconcludeerd dat: “ De commissie adviseert akkoord te gaan met de aanvraag”. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de adviezen niet deugen. Geluid en verkeersbewegingen 18. De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel gelet op de omvang van de gronden op deze punten en gelet op het in laat stadium ingediende geluidsrapport buiten het bestek van deze voorlopige voorziening valt. De rechter zal zich daarom voor dit deel beperken tot een belangenafweging. De belangen Verzoekers 19. De belangen van verzoekers zijn gelegen in mogelijke overlast bij ingebruikname van de padelbanen, indien aannames en berekeningen van het college ten aanzien van geluid en verkeer onjuist zouden zijn en het besluit aldus gebreken vertoont. Dit belang ziet op de periode zolang nog niet in de bodemprocedure op de zaken is beslist en ook daarover een inhoudelijk oordeel is gegeven. Vergunninghouder en gemeente 20. Zoals ter zitting begrepen en toegelicht is het belang van vergunninghouder en de gemeente gelegen in het behoud van de Sportvereniging Kwadijk als enige laatst overgebleven maatschappelijke vereniging/locatie van Kwadijk. Om de leefbaarheid van deze kern te behouden is volgens het college een combinatie van het in stand houden van voorzieningen en het versterken van de sociale structuur nodig. Dit heeft – gelet op de motivering van het college in het besluit – ook een grote rol gespeeld bij de afwegingen bij gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Concreet is het belang van vergunninghouder en de gemeente, zo begrijpt de voorzieningenrechter, ook het gebruik van de kantine van de Sportvereniging voor andere activiteiten waarvoor het wordt gebruikt, als een soort ‘buurthuis’. Vergunninghouder 21. De voorzieningenrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling dat de Sportvereniging noodlijdend is. De financiële situatie was mogelijk reeds niet rooskleurig. Daar komt bovenop dat daarnaast, zoals ter zitting is toegelicht, ook andere grote financiële belangen spelen. Zo heeft de voorzieningenrechter uit het verhandelde ter zitting begrepen dat voor de aanleg van deze banen door vergunninghouder een lening is afgesloten van een half miljoen bij een particulier. Er zijn aldus grote financiële belangen die zijn gemoeid bij voortbestaan van de Sportvereniging. Niet is uit te sluiten dat het stuiten van de ingebruikname aan ondergang van de Sportvereniging zal bijdragen. Zo een ondergang is hoogstwaarschijnlijk wel een onomkeerbare situatie. Een bij de afweging te betrekken omstandigheid 22. De voorzieningenrechterweg overweegt dat ook indien er mogelijk gebreken zijn op de punten geluid en verkeer, dit niet automatisch betekent dat de realisatie van padelbanen in zijn geheel niet zou kunnen worden gehandhaafd. indien er bijvoorbeeld overschrijdingen zijn van geluidsnormen zijn er ook andere oplossingen denkbaar, bijvoorbeeld door middel van het aanpassen van voorschriften om die overschrijdingen weg te nemen. Mochten bijvoorbeeld naar aanleiding van geconstateerde verkeersbewegingen toch situaties ontstaan die onaanvaardbaar zijn, dan zijn er door middel van andere aanpassingen ook oplossingen denkbaar. Mocht het project met aanpassingen geen doorgang kunnen vinden, dan blijft het zo dat de vergunninghouder uiteindelijk voor eigen rekening en risico heeft gebouwd, met de mogelijke consequenties die daarbij horen. Conclusie 23. De voorzieningenrechter weegt gelet op het vorenstaande de belangen van vergunninghouder en de gemeente zwaarder dan de belangen van de omwonenden. De voorzieningenrechter zal daarom geen voorlopige voorziening treffen. 24. Zoals ter zitting aan het college voorgehouden leent de nu ontstane situatie waarbij de padelbanen geheel zijn gerealiseerd zich bij uitstek om bij ingebruikname daarbij behorende representatieve metingen en tellingen te verrichten om het gelijk van het door het college in de vergunning ingenomen standpunt te bevestigen. 25. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk. Bijlage Juridisch kader Bestemmingsplan Dorpskernen 2016 Artikel 16 - Sport 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. sportvoorzieningen; met daarbij behorende: b. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. wegen en paden; d. open terreinen waaronder parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen. 16.2 Bouwregels 16.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen uitsluitend ten behoeve van deze bestemming bouwwerken worden gebouwd. 16.2.2 Gebouwen Voor gebouwen geldt dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd, en waarbij is bepaald dat: a. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte, maximum bouwhoogte’ staat aangegeven; b. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage' staat aangegeven. 16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: c. de bouwhoogte van ballenvangers en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 15 m; d. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. Artikel 24 Waarde – Landschap – Stelling van Amsterdam Artikel 24.1. Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Landschap - Stelling van Amsterdam' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en versterken van de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap en werelderfgoed 'De Stelling van Amsterdam' (een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen, een groene en relatief stille ring rond Amsterdam en relatief grote openheid). Artikel 24.2 Bouwregels Artikel 24.2.1 Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mag niet worden gebouwd. 24.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 3.6, lid 1, onder d. van de Wet ruimtelijke ordening nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en omvang van bouwwerken, voor zover dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van het UNESCO-werelderfgoed Stelling van Amsterdam. Artikel 24.4 Afwijken van de bouwregels Artikel 24.4.1 Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 24.2.1 en toestaan dat ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemmingen bouwwerken worden gebouwd, mits: a. daardoor de kwaliteiten, zoals bepaald in artikel 24.1 niet worden geschaad; b. alvorens de omgevingsvergunning te verlenen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de provincie 24.4.2 Weigeringsgrond omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van de in artikel 24.1 bedoelde gronden of de eveneens voorkomende bestemming kan worden geweigerd indien door de bouwwerken of bouwwerkzaamheden, het belang van het Nationaal landschap en werelderfgoed 'De Stelling van Amsterdam' onevenredig wordt geschaad. 24.4.3 Onderzoeksplicht Burgemeester en wethouders dienen voorafgaand aan de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van de in artikel 24.1 bedoelde gronden of de eveneens voorkomende bestemming advies in te winnen bij de provincie. Arikel 24.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en/of gronden; b. het bebossen en beplanten van gronden. 24.5.2 Uitzondering Een omgevingsvergunning voor het aanleggen als bedoeld onder a is niet vereist voor de volgende werken en werkzaamheden: c. het normale onderhoud van paden, water, tuinen en groenvoorzieningen; d. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 24.5.3 Weigering De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, het belang van het werelderfgoed 'De Stelling van Amsterdam' onevenredig wordt geschaad. Kernkwaliteiten Artikel 6.61 Omgevingsverordening 2022 Artikel 6.61 Kernkwaliteiten Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 8a Kernkwaliteiten UNESCO, Bijlage 8b Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies enbijlage 8c Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies. Artikel 8.0a. Bkl (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen) 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. 2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.