Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07-07-2026 (C/02/420344 / FA RK 24-1321)
Afwijzing verzoek omgangsregeling.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/420344 / FA RK 24-1321 datum uitspraak: 7 juli 2026 nader beschikking betreffende omgang in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1], advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze, tegen [de man], hierna te noemen de man, wonende te [woonplaats 2] Over de minderjarigen: - [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 1], - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 2]. De rechtbank merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het verdere procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - de beschikking van de rechtbank van 19 december 2024 en alle daarin vermelde stukken; - de op 10 juni 2025 ontvangen UHA eindrapportage van het Centrum voor Jeugd en Gezin Etten-Leur & Zundert; - het e-mailbericht van de Raad van 11 juni 2025; - het F2-formulier van mr. Laeyendeckers van 17 juni 2025; - het e-mailbericht van de man van 23 juni 2025; - de brief van de Raad van 16 juli 2025; - het e-mailbericht van de Raad van 7 oktober 2025; - het F9-formulier van mr. Verschuren van 3 december 2025; - het op 5 december 2025 ontvangen rapport van de Raad met bijlage; - het F9-formulier van mr. Verschuren van 24 december 2025; - het op 23 maart 2026 ontvangen aanvullend verzoek met bijlagen; - de brief van de griffier van 17 april 2026. 1.2. De zaak is mondeling behandeld op 22 juni 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad. 1.3. Alhoewel correct opgeroepen is de man niet verschenen. Eveneens is met een bericht van verhindering geen medewerker aanwezig geweest van de GI. 1.4. Gelet op de nauwe samenhang van deze zaak met de zaken met kenmerken C/02/442566 JE RK 25-2128 (verzoek ondertoezichtstelling) en C/02/449478 / FA RK 26-3188 (gezag), zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. In de samenhangende zaken is bij afzonderlijke beschikkingen beslist. 2 De nadere beoordeling 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2024 zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen, is er een voorlopige contactregeling vastgesteld, zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna UHA) en is er een bijdrage ten behoeve van de opvoeding en verzorging van de kinderen vastgesteld ter hoogte van € 216,00 per kind. Het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling is afgewezen alsmede het verzoek van de vrouw om een verklaring van recht. De behandeling van de zaak is verder aangehouden in afwachting van bericht van het zorgloket over het verloop van het UHA-traject. 2.2. Aan de orde zijn nog de volgende verzoeken. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een omgangsregeling inhoudende dat de kinderen bij de man verblijven gedurende: primair één weekend per veertien dagen van zaterdagmiddag tot zondagavond 20.00 uur, waarbij de man beide kinderen ophaalt bij de vrouw voor de tweede voetbalwedstrijd, ervan uitgaande dat beide kinderen een wedstrijd moeten spelen. Mocht er maar één wedstrijd zijn, dan haalt de man daar beide kinderen op. Indien er geen voetbalwedstrijd is, haalt de man beide kinderen bij de vrouw op om 12.00 uur, alsmede; een deel van de vakanties en feestdagen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven: de eerste drie weken van de zomervakantie; in de even jaren vanaf tweede kerstdag tot en met 1 januari en in de oneven jaren op kerstavond en eerste kerstdag; de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen, waarbij de feestdagen die volgen op een omgangsweekend bij de man zullen zijn. De man heeft verzocht, te bepalen dat de man een omgangsregeling zal hebben van een weekend per veertien dagen van zaterdagmiddag tot zondagavond 20.30 uur, waarbij de man beide kinderen ophaalt bij voetbalwedstrijd die op zaterdag het laatst plaatsvindt ervan uitgaande dat beide kinderen een wedstrijd moeten spelen. Bij slechts een wedstrijd zullen na die wedstrijd beide kinderen worden opgehaald. Bij geen wedstrijd haalt de man beide kinderen bij de vrouw op om 13.00 uur; te bepalen dat de kinderen gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man zullen verblijven; te bepalen dat in de even jaren de kinderen kerstavond en eerste kerstdag bij de vrouw, tweede kerstdag tot en met 1 januari bij de man zullen verblijven en in de oneven jaren kerstavond en eerste kerstdag bij de man en tweede kerstdag tot en met 1 januari bij de vrouw zullen verblijven; althans een regeling die de rechtbank in het belang van de kinderen acht. Verder te bepalen dat de vrouw verplicht is de vast te leggen zorg- en contactregeling na te komen zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per keer met een maximum van € 5000,00. 2.3. De rechtbank heeft op 10 juni 2025 de UHA-rapportage ontvangen. Hieruit blijkt dat de met partijen vooraf afgesproken resultaten niet/gedeeltelijk zijn behaald. De vastgestelde voorlopige zorgregeling wordt wel door beide partijen nagekomen. Er zijn signalen dat de kinderen in hun ontwikkeling bedreigd worden. Er is dringend hulpverlening nodig voor partijen en de kinderen. Ondanks de zorgen en de inzet van de Jeugdprofessionals weigert de man alle medewerking. De Jeugdprofessionals vinden een onderzoek van de Raad nodig en adviseren om op te schalen naar een gedwongen kader om hulpverlening in te zetten, alsmede om de voorlopige zorgregeling voort te zetten. 2.4. Bij voormelde brief van 16 juli 2025 heeft de Raad bericht een onderzoek te starten naar de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit onderzoek wordt uitgebreid met een kinderbeschermingsonderzoek. 2.5. Het rapport van het onderzoek van de Raad is bij de rechtbank ontvangen op 5 december 2025. Hierin verzoekt de Raad de kinderrechter om de kinderen onder toezicht te stellen van de GI voor de periode van één jaar. De Raad adviseert de rechtbank om op dit moment geen zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen. 2.6. In reactie op het (concept)rapport van de Raad heeft de man richting de Raad samengevat aangegeven dat hij niet op het rapport ingaat. Hij wil nergens bij betrokken worden en nergens meer aan meewerken. Hij wil geen contact met de vrouw en de kinderen. 2.7. Van de zijde van de vrouw is samengevat bericht dat de vrouw zich kan vinden in het advies van de Raad. Zij is het niet eens met het verzoek van de Raad. Zij ziet een meer passende oplossing in de beëindiging van het gezag van de man en zal daartoe een aanvullend verzoek indienen. 2.8. Het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen is bij de rechtbank ingeschreven met kenmerk C/02/442566 JE RK 25-2128 en is voor het eerst behandeld op de zitting van 8 januari 2026. Bij beschikking van diezelfde datum is de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken met ingang van 8 januari 2026 tot 8 mei 2026. Bij beschikking van 2 april 2026 is het resterende verzoek gedeeltelijk toegewezen en zijn de kinderen onder toezicht gesteld met ingang van 8 mei 2026 tot 8 augustus 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden. 2.9. De vrouw heeft een verzoek ingediend om het gezamenlijk gezag van partijen te wijzigen naar eenhoofdig gezag door de vrouw. Dit verzoek is ingeschreven onder zaaknummer C/02/449478 / FA RK 26-3188. 2.10. Door en namens de vrouw is tijdens de zitting van 22 juni 2026 naar voren gebracht dat er geen uitvoering wordt gegeven aan de omgangsregeling op dit moment. De kinderen geven ook aan op dit moment geen behoefte te hebben aan contact met hun vader. De vrouw heeft aangegeven dat zij het gedrag dat de man laat zien herkent, in die zin dat hij steeds terugtrekt. 2.11. De medewerker van de Raad heeft aangegeven dat de houding van de man een belemmerende factor is. Er is heel veel geïnvesteerd door de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling, maar met een steeds terugtrekkende houding van de man is het niet reëel om te werken aan herstel van het contact tussen de man en de kinderen. De man zal daarvoor een andere houding moeten aannemen. 2.12. De rechtbank heeft bij beschikking van heden het verzoek van de vrouw toegewezen om haar alleen te belasten met het gezag over de kinderen. Daarnaast is bij een beschikking van heden het resterende verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen afgewezen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van de kinderen op 8 augustus 2026 afloopt. 2.13. De rechtbank overweegt verder dat in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden: - omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; - de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind; - het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil; - er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 2.14. De rechtbank stelt vast dat er al geruime tijd geen uitvoering wordt gegeven aan de voorlopige zorgregeling die bij beschikking van 19 december 2024 is vastgesteld. Er is in het geheel geen contact tussen de man en de kinderen. De verhoudingen zijn ernstig verstoord. Ondanks de toezegging van de man op de zitting van 2 april 2026 heeft hij geen medewerking verleend aan de inzet van IGB. Ook is hij niet op de zitting van 22 juni 2026 verschenen en heeft hij de rechtbank ook niet bericht wat zijn huidige standpunt is. De man wenst zijn medewerking niet te verlenen aan de ingezette hulpverlening. De rechtbank stelt dan ook vast dat er geen basis aanwezig is om op enige wijze tegemoet te komen aan de verzoeken van de man en de vrouw tot het vaststellen van een omgangsregeling. Om te komen tot een vorm van omgang is inzet van de man nodig en zolang hij zijn houding niet (blijvend) verandert is dit niet mogelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden een omgangsregeling vaststellen in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. De verzoeken van de man en de vrouw zullen dan ook beide worden afgewezen. Dit betekent ook dat met deze beslissing de voorlopige regeling die is vastgesteld bij beschikking van 19 december 2024 komt te vervallen. 2.15. Het voorgaande betekent dat wordt beslist als volgt. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. wijst de verzoeken af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in tegenwoordigheid van Boink, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.