Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07-07-2026 (C/02/449478 / FA RK 26-3188)
Toewijzing verzoek eenhoofdig gezag.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/449478 / FA RK 26-3188 datum uitspraak: 7 juli 2026 nader beschikking betreffende gezag in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze, tegen [de man] , hierna te noemen de man, wonende te [woonplaats 2] Over de minderjarigen: - [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De rechtbank merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 23 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen; - de beschikking van de rechtbank van 19 december 2024 (zaaknummer C/02/420344 / FA RK 24-1321) - de brief van de griffier van 17 april 2026. 1.2. De zaak is mondeling behandeld op 22 juni 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad. 1.3. Alhoewel correct opgeroepen is de man niet verschenen. Eveneens is met een bericht van verhindering geen medewerker aanwezig geweest van de GI. 1.4. Gelet op de nauwe samenhang van deze zaak met de zaken met de zaaknummers C/02/442566 JE RK 25-2128 (verzoek ondertoezichtstelling) en C/02/420344 / FA RK 24-1321 (omgang), zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. In de samenhangende zaken is bij afzonderlijke beschikkingen beslist. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De kinderen zijn geboren binnen deze relatie die is beëindigd begin 2023. Partijen hebben met elkaar samengewoond. 2.2 De man heeft de kinderen erkend. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2024 zijn partijen gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. 2.3 De minderjarigen verblijven bij de vrouw. 2.4 Bij beschikking van 8 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken tot 8 mei 2026. Bij beschikking van 2 april 2026 is het resterende verzoek gedeeltelijk toegewezen en zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 8 augustus 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden. De rechtbank verwijst voor de verdere overwegingen in die zaak naar de afzonderlijk gegeven beschikking. 2.5 In de procedure met zaaknummer C/02/420344 / FA RK 24-1321 moest de rechtbank nog een beslissing nemen over de verzoeken van de man en de vrouw tot vaststelling van een omgangsregeling. De rechtbank heeft deze beide verzoeken afgewezen. De rechtbank verwijst voor de verdere overwegingen in die zaak naar de afzonderlijk gegeven beschikking van heden. 2.6 De rechtbank heeft bij beschikking van heden het verzoek resterende verzoek van de Raad om de kinderen onder toezicht te stellen afgewezen in de zaak met zaaknummer C/02/442566 JE RK 25-2128. 3 Het verzoek 3.1. De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag zal worden belast. 4 De beoordeling 4.1. Ter toelichting op dit verzoek heeft de vrouw aangegeven dat er op dit moment geen contact is tussen de man en de kinderen en dat zij hiervoor nu ook niet open staan. Het gedrag en de uitspraken van de man zijn erg belastend voor de kinderen. [minderjarige 1] heeft aangifte gedaan van bedreiging vanuit de man. Het gedrag van de man frustreert de te nemen beslissingen over de kinderen. Hij werkt niet mee aan hulpverleningstrajecten en vertraagt/verhindert hierdoor het hulpverleningsproces. De relatie tussen partijen is dusdanig ernstig verstoord dat constructief overleg niet mogelijk is. De man heeft ook meermaals uitgesproken geen contact met de vrouw te willen. Het lukt partijen niet om gezamenlijk afspraken te maken over de kinderen. Bij het voortzetten van het gezamenlijk gezag vergroot dit de kans dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen. De man stelt ook richting de Raad dat hij nergens meer bij betrokken wil worden, hij nergens meer aan zal meewerken en geen contact wil hebben met de vrouw en de kinderen. Binnen de procedure van de ondertoezichtstelling van de kinderen toont de man dezelfde houding. De vrouw ziet geen andere uitweg dan te verzoeken haar met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten. 4.2. De medewerker van de Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat het hulpverleningstraject voor de kinderen wordt belemmerd door de terugtrekkende houding van de man. De Raad voorziet problemen als de ouders met het gezag blijven belast. Indien de vrouw alleen het gezag zal uitvoeren dan is er geen noodzaak meer voor een ondertoezichtstelling en kan de hulpverlening overgedragen worden naar het vrijwillige kader. Deze kan zich dan ook met name richten op de opvoedingssituatie van de vrouw. Zij staat achter de hulpverlening en is ook in staat om beslissingen in het belang van de kinderen te nemen, aldus de Raad. Wettelijk kader 4.3. In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de kinderen krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie die geleid heeft tot de beslissing van 19 december 2024 om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag. Dit maakt dat een nieuwe beoordeling van de situatie nodig is. De wijziging is hierin gelegen dat, ondanks intensieve pogingen om partijen te betrekken bij de reorganisatie van het ouderschap en daarmee samenhangende hernieuwde invulling van de contacten tussen de man en de kinderen, er geen vooruitgang is ontstaan in dit traject. De man is bij herhaling niet in staat gebleken zijn medewerking te verlenen aan de voorgenomen interventies, zoals laatstelijk het IGB-traject. Er is op geen enkel vlak contact tussen partijen over de verzorging en opvoeding van de kinderen en eveneens niet over de te nemen gezagsbeslissingen die daarmee samenhangen. Het draagvlak ontbreekt in het geheel hiervoor en de man trekt zich terug waardoor er geen zicht is op verbetering van de situatie. Dit terwijl tegelijkertijd de inzet van hulpverlening ten behoeve van de kinderen noodzakelijk is. Deze omstandigheden maken dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om het gezamenlijk te beëindigen. 4.5. Dit betekent dat de rechtbank met ingang van datum van deze beschikking het gezag alleen aan de vrouw zal opdragen. 4.6. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijzigt de beschikking van 19 december 2024 als volgt: bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag draagt over: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ; 5.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr.Van Leuven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in tegenwoordigheid van Boink, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda .