Rechtbank Amsterdam, 01-09-2026 (13-057903-26)
Executie-EAB uit Polen. Meerdere vonnissen. Artikel 12 OLW: in persoon verschenen bij de processen die tot vonnis I en II hebben geleid. Afzien van weigeren met betrekking tot vonnis III en IV. Overlevering toegestaan.
How it connects
References
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-057903-26 Datum uitspraak: 1 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 september 2026 door the Regional Court in Siedlce , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 4 augustus 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.J. van Dam, advocaat in Gouda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de antwoorden van de Poolse autoriteiten op de vragen die door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) zijn gesteld in het kader van artikel 12 OLW af te wachten. Zitting van 20 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.J. van Dam, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een vonnis van the Regional Court in Siedlce van 27 januari 2021, met kenmerk II K 66/17, en onherroepelijk geworden op 8 juni 2021 (hierna: vonnis I); een vonnis van the District Court in Garwolin van 8 januari 2020, met kenmerk II 702/19, en onherroepelijk geworden op 21 maart 2020 (hierna: vonnis II); een vonnis van the District Court in Garwolin van 24 maart 2021, met kenmerk II K 365/20, en onherroepelijk geworden op 1 april 2021 (hierna: vonnis III); en een vonnis van the District Court in Garwolin van 13 april 2021, met kenmerk II K 489/20, en onherroepelijk geworden op 21 april 2021 (hierna: vonnis IV). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van: ten aanzien van vonnis I: één jaar en drie maanden; ten aanzien van vonnis II: één jaar en tien maanden; ten aanzien van vonnis III: één jaar; ten aanzien van vonnis IV: tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld in de hiervoor genoemde vonnissen en hij moet deze straffen ondergaan in Polen. Van deze straffen resteert volgens het EAB de gehele periode. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van vonnis I en II gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van vonnis III en IV op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW doen zich niet voor. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom van toepassing. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij geen adresinstructies heeft ontvangen. Bovendien is het onduidelijk naar welk adres de oproepingen voor de zittingen zijn gestuurd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis I en II op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. De officier van justitie heeft de rechtbank ten aanzien van vonnis III en IV verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft in beide zaken een adres opgegeven, een adresinstructie gekregen en hij is gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan deze instructie. Ook is de opgeëiste persoon steeds op het door hem opgegeven adres opgeroepen. De opgeëiste persoon heeft kennelijk onzorgvuldig gehandeld door niet bereikbaar te blijven voor officiële correspondentie op het door hem opgegeven adres. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van vonnis I en II Het EAB vermeldt ten aanzien van vonnis I en II dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Gelet op het tijdsverloop tussen de data van de vonnissen en de data waarop deze onherroepelijk zijn geworden, heeft het IRC op 29 juni 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd of sprake is geweest van procedures in hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18 augustus 2026 en 19 augustus 2026 volgt dat in beide zaken geen sprake is geweest van een procedure in hoger beroep. Tevens wordt bevestigd dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen in vonnis I en II hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van vonnis III en IV De rechtbank stelt ten aanzien van vonnis III en IV vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon - kort gezegd - in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de processen, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissingen in persoon aan hem zijn betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 18 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in beide zaken gedurende het voorbereidend onderzoek als verdachte is gehoord. Hij heeft toen een adresinstructie gekregen, inhoudende de verplichting tot het doorgeven van iedere adreswijziging. Daarbij is hij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft op 2 mei 2020 respectievelijk 1 mei 2020 voor ontvangst van de adresinstructies getekend. In beide zaken heeft de opgeëiste persoon tijdens het verhoor een adres opgegeven. De oproepingen voor de zittingen van 24 maart 2021 respectievelijk 13 april 2021, die hebben geleid tot vonnis III en IV, zijn tweemaal naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verzonden, maar niet door hem opgehaald. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als - kort gezegd - voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: oplichting, meermalen gepleegd; poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd; diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; verduistering; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 311, 321 en 326 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Siedlce (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .