Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8739 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 25-08-2026 (13-170443-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

EAB II, Pools executie EAB, verweer m.b.t. artikel 12 OLW verworpen, afzien van weigeren, overlevering toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-170443-26 (EAB II) Datum uitspraak: 25 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 september 2025 door the Regional Court in Poznań , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R Malewicz, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt drie vonnissen, namelijk: judgement of the District Court of Poznań - Stare Miasto in Poznań of 22 February 2024, met referentie VIII K 1545/23 (hierna ‘ vonnis I ’), en judgement of the District Court of Poznań - Stare Miasto in Poznań of 14 June 2024 , met referentie VIII K 35/24 (hierna ‘ vonnis II ’), en judgement of the District Court of Poznań - Stare Miasto in Poznań of 29 August 2024 , met referentie VIII K 729/24, (hierna ‘ vonnis III ’). Ten aanzien van vonnis I De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De straf resteert volgens het EAB nog in het geheel. Ten aanzien van vonnis II De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De straf resteert volgens het EAB nog in het geheel. Ten aanzien van vonnis III De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en 28 dagen. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Ten aanzien van vonnissen I, II en III Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen naar welk adres de oproepingen voor de zittingen onderliggend aan het EAB zijn toegezonden. De opgeëiste persoon heeft het adres van zijn moeder ooit doorgegeven aan de autoriteiten als justitieel adres, maar voor de onderhavige zaak had hij een ander adres opgegeven aangezien hij in de tussentijd gebrouilleerd met zijn moeder was geraakt. Op zijn nieuwe adres heeft hij nimmer een oproep ontvangen, dus mogelijk zijn de oproepingen naar het adres van zijn moeder gestuurd. In dat geval zou de opgeëiste persoon niet op de hoogte kunnen zijn geweest van de zittingen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er moet worden afgezien van het weigeren van de overlevering aangezien de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, de oproepingen naar het door hem opgegeven adres zijn verstuurd en hij die niet heeft opgehaald. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een drietal vonnissen in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de processen, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissingen in persoon aan hem zijn betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat als volgt toe. De opgeëiste persoon heeft in de aanloop naar de zittingen een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproepingen voor de processen die tot de beslissingen hebben geleid zijn gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij een ander adres heeft opgegeven is onvoldoende om niet uit te gaan van de informatie in het EAB. Gelet hierop wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek van de raadsman af. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenkingen en er rekening mee heeft moeten houden dat strafrechtelijke procedures zouden volgen. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen die tot deze vonnissen heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, en diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 en 312 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .