Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8728 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 25-08-2026 (13-052130-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Pools executie-EAB, verweer met betrekking tot ne bis in idem verworpen, overlevering partieel geweigerd i.v.m. artikel 12 OLW

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-052130-26 Datum uitspraak: 25 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 16 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2026 door the Regional Court in Słupsk , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt twee vonnissen, namelijk the valid judgement of the Regional Court in Słupsk of 5th July, 2022, met referentie II K 30/21, it became final on 26th January 2023 following its upholding by the judgment of the Court of Appeal in Gdańsk of 26 January 2023, met referentie II AKa 356/22, (hierna ‘ vonnis I ’), en the valid judgement of the District Court in Słupsk of 24th March 2022, it became valid on 1st April 2022, met referentie II K 1307/21 ; the decision of the District Court in Słupsk of 18th May 2023 , met referentie II.I.Ko 484/23 (hierna ‘ vonnis II ’). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van Polen. In vonnis I is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en twee maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, één maand en 28 dagen. Voor vonnis II blijkt uit onderdeel F van het EAB, gelezen in samenhang met aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat in het vonnis van 24 maart 2022 een vrijheidsbeperkende straf van één jaar en zes maanden is opgelegd, die bestond uit een werkstraf van 30 uren per maand. Bij beslissing van the District Court in Słupsk van 18 mei 2023, met kenmerk II K 1307/21, is deze vrijheidsbeperkende straf omgezet in een vrijheidsbenemende straf van 246 dagen. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Oordeel van de rechtbank T.a.v. vonnis I Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De rechtbank zal daarom enkel de beslissing van the Court of Appeal in Gdańsk of 26 January 2023 , met referentie case file no. AKa 356/22 toetsen aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 28 juli 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon zijn adres heeft opgegeven als correspondentieadres. Tevens is hij gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden. Uit de aanvullende informatie van 28 juli 2026, gelezen in samenhang met de vraagstelling, blijkt ook dat de adresinstructie voor het hoger beroep gold en dat de opgeëiste persoon hiervan op de hoogte was. Vervolgens is de oproep voor het proces in hoger beroep daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces in hoger beroep zou volgen. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat hij ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Daarom levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. T.a.v. vonnis II De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet echter vooralsnog onvoldoende basis om te kunnen afzien van weigering. Uit de verstrekte informatie kan niet worden afgeleid of de opgeëiste persoon als verdachte is verhoord over de verdenking die tot de veroordeling van 24 maart 2022 heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon (1) een adresinstructie heeft ontvangen en dat (2) de dagvaarding naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is gestuurd, niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht of kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit die omstandigheden kan niet zonder meer worden afgeleid dat de opgeëiste persoon voldoende op de hoogte was van de concrete beschuldiging jegens hem. Dit laatste is wel een vereiste voordat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon (al dan niet impliciet) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht dan wel met betrekking tot de uitoefening van dat aanwezigheidsrecht kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep, dan wel dat hij daarmee redelijkerwijs rekening moest houden en of hij al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces of dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Om die reden zou de rechtbank het onderzoek in beginsel willen heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Echter, de rechtbank stelt vast dat de beslistermijn eindigt op 8 september 2026. De beslistermijn biedt – mede gelet op de agenda van de rechtbank – onvoldoende ruimte om de antwoorden op de vragen van het IRC af te wachten, een zitting te plannen en binnen de beslistermijn uitspraak te doen. De rechtbank zal daarom, nu de beslistermijn onvoldoende ruimte biedt om vragen te stellen en de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen afzien van weigering, de overlevering met betrekking tot vonnis II op grond van artikel 12 OLW weigeren. Dit laat evenwel onverlet dat het de Poolse autoriteiten vrij staat om, na overlevering voor vonnis I, aanvullende toestemming te vragen met betrekking tot vonnis II. T.a.v. beslissing met kenmerk II.I Ko 484/23 Gelet op de bovenstaande overweging ten aanzien van vonnis II, komt de rechtbank niet toe aan het toetsen van de beslissing met kenmerk II.I Ko 484/23. 5 Strafbaarheid ; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandelingen van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Overige verweren Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van artikel 9 OLW te weigeren in verband met de omstandigheid dat in Nederland nog een strafzaak loopt tegen de opgeëiste persoon. Subsidiair is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden tot na de inhoudelijke behandeling van de in Nederland aanhangige strafzaak, nu de opgeëiste persoon die zitting in persoon wenst bij te wonen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse strafzaak geen beletsel vormt voor de overlevering, en dat een eventueel beletsel voor de feitelijke overlevering buiten de reikwijdte van de onderhavige procedure valt. Oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt de verwijzing van de raadsvrouw naar artikel 9 OLW zo dat zij zich primair heeft beroepen op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. Deze weigeringsgrond ziet echter op het geval dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor dezelfde feiten als die aan het EAB ten grondslag liggen. Gesteld noch gebleken is dat die situatie aan de orde is. Eventueel openstaande strafzaken in Nederland kunnen een belemmering vormen voor de feitelijke overlevering in de zin van artikel 36 OLW. De toets aan artikel 36 OLW kan echter pas aan de orde komen nadat is beslist dat de overlevering wordt toegestaan en de zaak moet daarvoor op de raadkamer worden aangebracht. Daarom zal de rechtbank de behandeling van de zaak, zoals verzocht door de raadsvrouw, niet aanhouden. 8. Slotsom De rechtbank staat de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van de straf zoals opgelegd bij vonnis I. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dit vonnis het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank stelt ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot vonnis II vast dat het EAB dient te worden geweigerd. 9 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Słupsk (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij vonnis I. WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij vonnis II. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Aangevuld met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 juli 2026. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .