Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8543 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 27-08-2026 (13-309819-25)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak waarbij in het kader van artikel 11 OLW een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon is vastgesteld en het onderzoek is heropend en geschorst om te bezien of er binnen een afzienbare tijd een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Gewijzigde omstandigheden. De opgeeiste persoon zal verblijven in een éénpersooncel en daar ziet het algemeen gevaar niet op (slechts op meerpersoonscellen). Overlevering toestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-309819-25 Datum uitspraak: 27 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 4 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 oktober 2025 door the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , 1 Procesgang De zitting van 1 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De tussenuitspraak van 15 juli 2026 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd en de beslissing over de overlevering aangehouden. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie onvoldoende is om het reeds vastgestelde algemeen gevaar op schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden indien hij na zijn overlevering in het remand regime in the External Branch of the Koronowo Penitentiary in Chojnice wordt geplaatst. De rechtbank heeft op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing over de overlevering aangehouden omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het vastgestelde reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog - binnen afzienbare tijd - kan worden weggenomen. De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zitting van 13 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 15 juli 2026 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB de strafbaarheid van het feit, de garantie als bedoeld in art 6 OLW en de weigeringsgrond van artikel 11 OLW voor wat betreft het algemeen reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces in Polen. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW Poolse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 6.2 van de tussenuitspraak van 15 juli 2026 over de omstandigheden in het remand regime na de overlevering van de opgeëiste persoon. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Op 22 juli 2026 en vervolgens op 5 augustus 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) de uitvaardigende justitiële autoriteit gewezen op het tussenvonnis van de rechtbank en om aanvullende informatie gevraagd. Op 5 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: “In addition, the Court informs that the procedure for persons deprived of liberty provides for special supervision of their situation in isolation in a penitentiary unit and the activities planned with the participation of such persons are carried out immediately (as soon as possible). [de opgeëiste persoon] will be treated in the same way, for whom it is necessary to undergo forensic psychiatric examinations, after which he will be immediately released from isolation. It should be noted that it was [de opgeëiste persoon] 's attitude that led to such a situation in which, in connection with the ongoing proceedings, there is a need to perform procedural actions with his participation in the case of the act he was alleged to have committed. The court had previously made an attempt to serve the correspondence, but it turned out to be ineffective, as [de opgeëiste persoon] 's attitude torpedoes all activities in the case. If [de opgeëiste persoon] had received the correspondence and complied with the summons, there would probably have been no need to implement the procedure related to the European Arrest Warrant in the case, let alone the deprivation of his liberty, which in this case involves a significant amount of working time of a huge number of people, both on the Dutch and Polish sides.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Uit de aanvullende informatie blijkt niet van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de tussenuitspraak van 15 juli 2026. De aanvullende informatie geeft geen duidelijkheid over het aantal vierkante meters persoonlijke ruimte dat de opgeëiste persoon na zijn overleving tot zijn beschikking zal hebben en evenmin over hoeveel uur per dag hij buiten zijn cel kan verblijven, ook al blijkt uit de informatie die op 5 augustus 2026 is verstrekt, dat het niet gaat om een meerpersoonscel, maar om een cel waarin hij alleen – in isolatie – zal worden geplaatst. Bovendien blijft het onduidelijk wanneer het psychiatrisch onderzoek waaraan hij zal worden onderworpen plaats zal vinden. Tenslotte blijkt uit de verstrekte aanvullende informatie niet of de opgeëiste persoon na afronding van het psychiatrische onderzoek in vrijheid zal worden gesteld of dat hij dan, in afwachting van de resultaten van het onderzoek, wel voor langere tijd zal worden geplaatst in een meerpersoonscel. In dat geval ontbreekt informatie over het aantal vierkante meters dat hij als individuele ruimte in die cel zal krijgen en ook hoeveel uren hij dagelijks buiten die cel kan doorbrengen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich, in tweede instantie, op het standpunt gesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat de overlevering kan worden toegestaan. Blijkens de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 zal de opgeëiste persoon immers na zijn overlevering geplaatst worden in een éénpersoonscel. Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar ziet op meerpersoonscellen en niet op éénpersoonscellen. Uit de aanvullende informatie van 1 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na afronding van het psychiatrisch onderzoek zal worden vrijgelaten (“ released”) . Hij zal dan dus niet alsnog in een meerpersoonscel worden geplaatst. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 een wijziging van de omstandigheden oplevert. Daar waar de rechtbank er op basis van eerder informatie vanuit is gegaan dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zou worden geplaatst in een meerpersoonscel, blijkt uit de aanvullende informatie van 5 augustus 2026 dat hij zal worden geplaatst in een éénpersoonscel (“ in isolation ”). Blijkbaar houdt dit verband met het forensisch psychiatrisch onderzoek dat hij moet ondergaan en waarvoor hij op een bepaalde afdeling ( External Branch ) van de gevangenis in Chojnice wordt geplaatst. Het door de rechtbank vastgestelde algemene reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime geplaatst worden in Polen, ziet niet op éénpersoonscellen maar op de situatie dat voorlopig gedetineerden in meerpersoonscellen worden geplaatst. Door de raadsman zijn geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd op basis waarvan de rechtbank zou moeten komen tot het aannemen van een soortgelijk algemeen gevaar voor éénpersoonscellen. Uit de aanvullende informatie van 18 mei 2026 blijkt verder dat de voorlopige hechtenis na afloop van het forensisch psychiatrisch onderzoek onmiddellijk wordt opgeheven. In de aanvullende informatie van 5 juni 2026 wordt dit herhaald. Uit de aanvullende informatie van 1 juli 2026 blijkt nogmaals dat de opgeëiste persoon na afronding van het psychiatrisch onderzoek onmiddellijk zal worden vrijgelaten (“ released”) . De rechtbank stelt op basis van deze informatie vast dat de opgeëiste persoon na afronding van het onderzoek zal worden heengezonden en dat hij niet alsnog in een meerpersoonscel wordt geplaatst. De rechtbank hoeft derhalve niet na te gaan hoe de omstandigheden zijn in een dergelijke cel in het remand regime in de gevangenis in Chojnice. Nu er geen algemeen gevaar is van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg en zal de rechtbank de overlevering toestaan. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department , Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG713126359915QÈ G713126359915 ECLI:NL:RBAMS:2026:7194