Rechtbank Limburg, 01-09-2026 (03.281784.24 + 03.115722.25 (gev. ttz.))
De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving in eendaadse samenloop met het medeplegen van dwang en mishandeling, voor belaging in eendaadse samenloop met het aanwezig doen zijn van een spy-cam in een woning en voor bedreiging tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden. De verdachte dient het slachtoffer van onder meer de wederrechtelijke vrijheidsberoving een schadevergoeding van € 8.276,21 te betalen. Het slachtoffer van onder meer de belaging is niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aangiften.
Full text
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummers : 03.281784.24 en 03.115722.25 (gev. ttz.) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1995, wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 augustus 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [slachtoffer.] heeft zich in de zaak met parketnummer 03.281784.24 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting gehoord, bijgestaan door advocaat mr. R.S.M. van der Leij, advocaat te Etten-Leur. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich in de zaak met parketnummer 03.115722.25 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. De zaak met parketnummer 03.281784.24 is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met het parketnummer 03.281781.24. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03.115722.25, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: parketnummer 03.281784.24 Feit 1: op 1 september 2024 in de gemeente [naam 2] samen met (een) ander(en) [slachtoffer.] van zijn vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden; Feit 2: op 1 september 2024 in de gemeente [naam 2] samen met (een) ander(en) [slachtoffer.] heeft gedwongen zijn telefoon af te geven en/of zijn kleding uit te doen; Feit 3: op 1 september 2024 in de gemeente Urmond [slachtoffer.] heeft mishandeld; parketnummer 03.115722.25 Feit 1: in de periode van 1 september 2024 tot en met 28 februari 2025 te Urmond [slachtoffer] heeft belaagd; Feit 2: in de periode van 1 september 2024 tot en met 23 januari 2025 te Urmond een spy-cam in een woning op/aan het [adres 2] te Urmond aanwezig heeft doen zijn met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt of opgenomen (primair) dan wel met een spy-cam een gesprek dat in een woning, te weten [adres 2] , werd gevoerd, heeft afgeluisterd (subsidiair); Feit 3: op 23 januari 2025 te Urmond [slachtoffer] en/of [naam 1] heeft bedreigd. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie parketnummer 03.281784.24 De officier van justitie acht feiten 1, 2 en 3 bewezen. De officier van justitie acht de verklaringen van [slachtoffer.] zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris betrouwbaar en voldoende gedetailleerd en de verklaring wordt door objectieve omstandigheden ondersteund. Er was sprake van een wezenlijke bijdrage ten aanzien van feiten 1 en 2 van medeverdachte [medeverdachte] waardoor sprake was van medeplegen. Daarnaast had een dag eerder een soortgelijk incident plaatsgevonden waarbij beide verdachten aanwezig waren en een rol in hebben gehad waardoor sprake was van dezelfde modus operandi. Ten aanzien van feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van de onderdelen wat betreft het vergrendelen van de auto en het meerdere malen tegen [slachtoffer.] zeggen dat hij zal worden neergeschoten. Er is sprake van eendaadse samenloop. parketnummer 03.115722.25 De officier van justitie acht feit 1 bewezen. De verdachte heeft [medeverdachte] in de periode van 2 september tot 28 februari 2025 belaagd door [medeverdachte] veelvuldig (anoniem) te bellen en een camera in haar woning te plaatsen. Hierdoor was sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [medeverdachte] . De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onderdelen wat betreft het sturen van brieven, SMS-berichten en Snapchat-berichten. Voorts acht de officier van justitie feit 2 bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte had het oogmerk om gesprekken af te luisteren met de spycam die aanwezig en aangesloten was in de woning van [medeverdachte] . Ten aanzien van feit 1 met betrekking tot het aansluiten van de spycamera en feit 2 is sprake van eendaadse samenloop. Tot slot acht de officier van justitie feit 3 bewezen, gelet op de verklaringen van [medeverdachte] en [naam 1] , de gemaakte melding bij de politie, de gemiste oproepen waaruit blijkt dat de verdachte contact zocht en de verklaring van de verdachte dat hij aan de deur heeft gestaan. 3.2 Het standpunt van de verdediging parketnummer 03.281784.24 Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het uit laten doen van [slachtoffer.] zijn kleding en het zeggen tegen [slachtoffer.] dat hij zal worden neergeschoten. Ten aanzien van het oordeel of sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 2. Het afgeven van de telefoon heeft aan het begin plaatsgevonden en [slachtoffer.] is niet gedwongen zijn telefoon af te geven door onder meer het uittrekken van de kleding of het slaan. Wat betreft het uitdoen van de kleding bestaat onvoldoende bewijs. [slachtoffer.] heeft aanvankelijk bij de politie niet daarover verklaard en de verdachten hebben zonder dat zij dat van elkaar wisten min of meer hetzelfde verklaard. Zij hebben verklaard dat het uitdoen van de kleding niet heeft plaatsgevonden. Voorts is het vreemd dat er geen bloed is aangetroffen op het lichaam dan wel op de kraag van het shirt van [slachtoffer.] indien hij zijn kleding had moeten uitdoen en hem een bloedneus is geslagen. Tot slot heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu de verdachte heeft bekend. parketnummer 03.115722.25 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Het is van belang om bij de beoordeling van de verklaring van [medeverdachte] rekening te houden met het feit dat niet alles hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard blijkt te kloppen. De politie heeft op pagina 52 en 53 van het dossier opgemerkt dat hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard niet wordt teruggelezen in het chatverkeer tussen de verdachte en [medeverdachte] . Wat betreft het sturen van brieven, SMS-berichten en Snapchat-berichten bevindt zich geen ondersteuning in het dossier. Ten aanzien van het bellen zijn ook veel telefoontjes beantwoord door [medeverdachte] en hebben [medeverdachte] en de verdachte gesprekken van lange duur gevoerd. Daarnaast heeft [medeverdachte] in een periode van één maand zelf vijf keer gebeld. Voorts heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van feit 2 primair en subsidiair. Weliswaar heeft de verdachte bekend dat hij de camera heeft aangesloten, maar de camera heeft nooit gewerkt. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat dit niet is achterhaald, mede door afwezigheid van een geheugenkaart, of er met deze camera opnames zijn gemaakt. Tot slot heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van feit 3. Weliswaar is er voldoende wettig bewijs, maar in de aangifte van [medeverdachte] stelt zij niets over de bedreigende woorden, de melding van de politie betreft geen uitwerking van deze woorden en de verdachte heeft ontkend. 3.3 Het oordeel van de rechtbank parketnummer 03.281784.24 Feiten 1, 2 en 3 Bewijsmiddelen [slachtoffer.] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Op 1 september 2024 omstreeks 20.30 uur kwam ik aan nabij het adres van [slachtoffer] ( de rechtbank begrijpt telkens: [slachtoffer] ) [adres 2] in Urmond. [slachtoffer] had mij verteld dat in de avond van 31 augustus 2024 een vriend op bezoek zou komen. Die vriend is op bezoek gekomen, was twee minuten binnen en werd vervolgens benaderd door de broer van [slachtoffer] genaamd [medeverdachte] en haar ex-vriend [verdachte] ( de rechtbank begrijpt: de verdachte ). [verdachte] en [medeverdachte] hebben de vriend van [slachtoffer] meegenomen naar buiten, in de kofferbak van een auto geduwd en zijn telefoon afgepakt. Naar aanleiding van dit incident is [slachtoffer] op 1 september 2024 gaan slapen bij een vriendin van haar. Ik wilde [slachtoffer] troost bieden en besloot daarom om naar haar woning te rijden met een bloemetje. Ik verliet mijn personenauto met de bloemen en liep middels het voetpad naar de voordeur van [slachtoffer] . Aldaar zette ik de bloemen in een vaas neer, maakte ik een foto en werd vervolgens aangesproken door een persoon. Deze persoon naderde mij van achteren, onverwachts vanuit een andere zijde van het voetpad. Ik herkende deze persoon als zijnde de ex-vriend van [slachtoffer] , genaamd [verdachte] . [verdachte] deelde mij het navolgende mede: “Waarom of voor wie zet jij hier bloemen neer? Kom je voor [slachtoffer] ? Zij is mijn vrouwtje!” Daaropvolgend zag ik dat [verdachte] begon te bellen met zijn mobiele telefoon. Vervolgens zag ik twee personen vanuit de richting van de [straat] aan komen lopen. Ik herkende een van deze personen als [medeverdachte] . Op de eerder genoemde vraag van [verdachte] antwoordde ik dat ik kwam voor een vriend zijn oma om bloemen af te leveren. Hierop stelde [verdachte] mij op zeer intimiderende wijze de vraag: “Bel die vriend dan maar ...! Ik hoop voor je dat die vriend opneemt anders vang jij de klappen!” Instinctief nam ik mijn mobiele telefoon ter hand en belde ik [naam 2] ( de rechtbank begrijpt: getuige [naam 2] ). Op het moment dat [naam 2] zijn telefoon opnam, rukte [medeverdachte] mijn telefoon uit mijn handen. Ik hoorde [medeverdachte] meermaals op zeer intimiderende wijze vragen aan [naam 2] : “Heb jij hier bloemen laten brengen en voor wie?”. Ik hoorde [naam 2] meermaals hierop antwoorden: “Wie is dit? Met wie spreek ik?”. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Als jij hier niet komt opdagen dan pakken wij jouw maatje aan! Je mag blij zijn als je hem dan nog terugziet!” Eerder genoemde vragen bleven herhaaldelijk gesteld worden door [verdachte] en [medeverdachte] . Vervolgens hoorde ik [verdachte] tegen [medeverdachte] zeggen: “We nemen hem mee, we gaan naar de auto!” Ik hoorde [medeverdachte] zeggen: “Dat doen we!” Hierop zei [verdachte] : “Kom we gaan naar de auto!” Hij pakte mij vast bij mijn linker onderarm en trok mij mee richting de auto die geparkeerd stond in een parkeervak achter de woning van [slachtoffer] . Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Je mag kiezen of het kofferbak of de achterbank.” Ik koos hierop voor de achterbank. Ik nam plaats in de personenauto achter de bestuurdersstoel, [verdachte] nam plaats naast mij op de achterbank, [medeverdachte] nam plaats als zijnde bestuurder en de derde voor mij onbekende persoon nam plaats als zijnde passagier naast [medeverdachte] . Tijdens deze rit had [verdachte] constant mijn mobiele telefoon in zijn bezit en bekeek hij de verschillende data op mijn telefoon. Ik zag dat [verdachte] op enig moment zag dat ik gearchiveerde chats had en deze opende. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Je hebt tegen mij gelogen!” Hierop gaf [verdachte] mij direct twee klappen met zijn rechter platte hand. In de uitvoering van de klappen wendde ik mijn gezicht richting het portier waardoor [verdachte] mijn rechter gezichtshelft raakte en tevens mijn bril vernielde. [verdachte] bleef hierna gedurende de rit verbaal agressief gedrag vertonen. Omstreeks 22.00 uur stopte [medeverdachte] de auto nabij een voor mij onbekend bosperceel. Ik zag dat [verdachte] en de onbekende derde persoon de personenauto verlieten. Ik bleef op dit moment in de auto zitten met [medeverdachte] . [medeverdachte] sloot de auto af van binnenuit en stelde mij de navolgende vraag: “Ik geef je nog een kans om eerlijk te zijn! Hoe heb jij [slachtoffer] echt leren kennen?” Hierop deelde ik hem het navolgende mede: ik heb drie weken geleden iets gepost op Instagram Threats. Dit was een voor mij emotionele post. Op enig moment reageerde [slachtoffer] daar openbaar op met de navolgende tekst: “Als je met iemand wilt praten, kan je mij DM’en (berichten via Instagram).” Dit heb ik vervolgens ook gedaan. [medeverdachte] antwoordde hier vervolgens niet meer op en nam genoegen met dit antwoord waarna hij de sloten van de personenauto weer ontgrendelde. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Stap uit de auto!” Ik hoorde dat [medeverdachte] aan [verdachte] mededeelde dat ik [slachtoffer] had leren kennen via Instagram. Buiten de personenauto bleef [verdachte] verbaal agressief. Wij liepen allen richting het bos. Op dat moment splitste het pad zich in een Y-vorm en werd door [verdachte] het linkerpad gekozen. Ik moest op een gegeven moment stoppen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Trek al je kleren uit!” Ik hoorde dat [medeverdachte] zei: “Je boxershort kun je aanhouden!” Hierop kleedde ik mij uit en had ik uiteindelijk alleen mijn boxershort nog aan. Ik moest op aangeven van [verdachte] vervolgens doorlopen over de naastgelegen grindberm van het pad. Op enig moment zag ik [verdachte] op mij af komen lopen. Ik zag dat hij zijn rechterhand balde tot een vuist en een zwaaistoot in de richting van mijn gezicht maakte. Deze kon ik ontwijken waarna [verdachte] nog bozer werd en opnieuw twee keer sloeg. Ik voelde de twee navolgende stoten mijn gezicht raken. Een van deze stoten raakte de bovenkant links van mijn neus en de tweede raakte de wenkbrauw boven mijn rechter oog. Ik voelde acuut een hevige pijn. De klap op mijn neus gaf de meeste pijn. Mijn neus begon tevens gelijk te bloeden. Na het geven van de klappen trapte [verdachte] met zijn rechtervoet tegen mijn linker scheenbeen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ik ga je poten breken!” Ik moest op aangeven van [verdachte] in het hoge gras gaan liggen omdat er een persoon met een hond aan kwam lopen. Deze persoon mocht mij van [verdachte] niet naakt en bebloed zien. Ik was zeer bang. Ik dacht bij mezelf: “Dit is het moment! Hij gaat een pistool pakken en gaat mij doodschieten!” Meerdere keren over de avond had [verdachte] gezegd ‘Ik zou je neer moeten schieten!’ en opmerkingen van gelijke strekking. Ik zag aan het wazige silhouette dat [verdachte] een staande plashouding aannam om te doen alsof hij aan het plassen was in het hoge gras. Doordat ik mijn bril niet op had en het donker was, zag ik vrijwel niks. Ik zag [verdachte] heel wazig en zag dat hij zijn handen bij zijn geslachtdeel had. Ik was erg bang, omdat ik dacht dat hij daar een vuurwapen zou hebben. Vervolgens moest ik opstaan uit het hoge gras en moest ik het pad hervatten. Ik zag dat de onbekende derde persoon mijn kleren oppakte en deze aan [verdachte] gaf. Gedurende de wandeling over en nabij het pad moest ik mij weer aankleden. Dit heb ik gedaan. Ik zag dat [verdachte] mijn sokken weggooide. Op enig moment kwamen wij, met enige omwegen, weer uit bij de personenauto. Ik moest van [verdachte] plaatsnemen op dezelfde plek in de personenauto. [verdachte] , [medeverdachte] en de onbekende derde persoon namen plaats op dezelfde plek. Ik hoorde dat [medeverdachte] met piepende banden wegreed. Ik zag dat [medeverdachte] met hoge snelheden reed en op enig moment stopte bij een tankstation. Ik zag dat [verdachte] uitstapte. Toen [verdachte] binnen in de shop van het tankstation was, zag ik politieauto’s aan komen rijden. Bij de aangifte is een fotoblad gevoegd waarop is te zien dat [slachtoffer.] letsel heeft aan zijn gezicht en benen, dat er bloed op zijn shirt en aan zijn hand zit en zijn bril is vernield. Getuige [naam 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Om 21:28 uur belde [slachtoffer.] . Deze oproep had ik gemist. Ik belde hem meteen dezelfde minuut nog terug. Toen kreeg ik mannen aan de telefoon die ik niet herkende. Er waren twee mannen. De een die schreeuwde alleen maar en de andere was rustiger. Ik heb achteraf gehoord dat de schreeuwende jongen [verdachte] was en de rustige jongen de broer van [slachtoffer] genaamd [medeverdachte] was. In eerste instantie kwam er een heel verhaal over bloemen. Ik wist niets over bloemen en ik begreep er ook niets van. [slachtoffer.] had een verhaal opgehangen dat ik bloemen had besteld voor mijn oma en dat [slachtoffer.] de bloemen ging af leveren, maar hij had het adres door elkaar gehaald. Het was de bedoeling dat ik dat zou bevestigen. [verdachte] en [medeverdachte] waren er al snel achter dat het verhaal van [slachtoffer.] niet klopte. Toen kreeg ik [verdachte] aan de lijn en hij zei dat ik die kant op moest komen. Als ik dat niet zou doen, dan zouden ze dat wel uit [slachtoffer.] slaan. [verdachte] bleef schreeuwen. [slachtoffer.] zou de klappen voor mij wel vangen en ik mocht blij zijn als ik [slachtoffer.] nog wel zou zien. Het maakte niet uit met hoeveel mensen ik zou komen, want hij zou ze allemaal wel neerschieten. Ik heb toen 112 gebeld. Ik werd gebeld door [slachtoffer.] en ik kreeg op dat moment appjes van hem of ik alsjeblieft wilde opnemen. Ik kreeg een berichtje met ‘anders is het klaar, snel hij haalt iets’. Ik schrok hiervan. Ik heb toen weer 112 gebeld. Toen stuurde [slachtoffer.] losse berichtjes. Ik keek op ‘Find my Iphone’ app en ik zag toen dat [slachtoffer.] zijn telefoon uitstraalde in een groen gebied. Ik zag dat er bij stond ‘ [naam 3] ’. Ik zag dat ze een industrieterrein op waren gereden. Even later zag ik dat ze stil stonden bij een tankstation. Ik zag later op Find my Iphone app dat hij op [adres 3] was. Ik gaf dit ook door en ik hoorde toen van de politieagenten dat zij [slachtoffer.] hadden gevonden. U, verbalisant, vraagt mij hoe [slachtoffer.] op mij overkwam en waaraan ik dat merkte. Paniekerig. Ik hoorde hem op de achtergrond en hij vroeg steeds aan mij of ik het verhaal over de bloemen wilde bevestigen. Aan de manier waarop [slachtoffer.] praatte, hoorde ik echt dat hij het daar niet gezellig had. Hij klonk als iemand die in gevaar is, maar doet alsof hij niet in gevaar is. Hij praatte echt alsof zijn hart in zijn keel zat. Zijn stem klonk hoger en hij ging steeds sneller praten. Het klonk echt alsof die jongens [slachtoffer.] iets aan wilde gaan doen. De vraag was niet of ze hem klappen wilde geven maar hoe vaak. Verbalisanten [naam 4] en [naam 5] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: Op 1 september 2024 ontvingen wij een melding van het Operationeel Centrum in Maastricht dat [slachtoffer.] tegen zijn wil werd meegenomen dan wel vastgehouden. De eerdere melding werd vervolgens door het Operationeel Centrum aangevuld op 1 september 2024 omstreeks 22.11 uur. De melder zou middels de telefoon een live locatie te zien krijgen waar [slachtoffer.] zich bevond. [slachtoffer.] zou zich in het [naam 3] in [naam 2] bevinden. Omstreeks 22.50 uur kwamen wij, samen met collega’s [naam 6] en [naam 7] , in het [naam 3] aan bij een open plek in het park. Wij zagen in het park een witte sok liggen. Wij liepen verder richting de nieuwe live locatie. Toen wij daar ter plaatse kwamen, zagen wij dat er een parkeerterrein aan het park grenst. Toen wij met onze zaklampen in de richting van deze parkeerplaats schenen, zagen wij dat er een voertuig met hoge snelheid de parkeerplaats af reed. Ik, [naam 4] , vermoedde dat het om een grijskleurige BMW zou gaan. Wij hoorden middels de portofoon dat het voertuig zich verplaatste richting het [adres 3] te Elsloo. Wij hoorden van collega’s dat de live locatie van [slachtoffer.] zich niet meer verplaatste en stilstond ter hoogte van het Shell pompstation aan het [adres 3] te Elsloo. Ik, [naam 4] , zag ter hoogte van pomp 1 een grijskleurige BMW staan. Ik zag dat er drie mannen in het voertuig zaten. De man die op de achterbank van het voertuig, achter de bestuurder zat, kon mij geen identiteitsbewijs tonen. Ik vroeg aan de man wat zijn naam was. Ik hoorde dat hij zei: “ [slachtoffer.] .” Ik zag dat [slachtoffer.] een snee op zijn neus had en dat deze snee voorzien was van vers bloed. Verbalisant [naam 8] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: Op 1 september 2024, omstreeks 22.50 uur, hoorde ik portofonisch van de collega’s dat er contact was met de melder. De melder kreeg de live-locatie door van [slachtoffer.] . Ik hoorde dat [slachtoffer.] zich verplaatste door [naam 2] in de richting van Elsloo. Ik hoorde dat de locatie van [slachtoffer.] bleef staan ter hoogte van het Shell-tankstation gelegen aan het [adres 3] te Elsloo. Ik reed vervolgens samen met de collega’s het tankstation op en ik zag een grijze BMW stilstaan met meerdere personen erin. Ik zag dat collega [naam 4] naar de BMW liep en contact maakte met de inzittenden. Ik zag dat collega [naam 4] een man in mijn richting stuurde. Ik hoorde dat de man zei dat hij [slachtoffer.] was. Ik zag dat [slachtoffer.] bloed had aan de rechterzijde van zijn neus en dat er bloedvlekken op zijn witte T-shirt zaten. Ik zag dat [slachtoffer.] mank liep toen hij naar mij toe kwam. Ik hoorde dat [slachtoffer.] verklaarde dat hij tegen zijn wil in meegenomen was in de auto en dat hij bang voor de inzittenden was. Aan mij werd vervolgens gevraagd om samen met collega [naam 5] richting het [naam 3] gelegen aan de Heidekampweg te [naam 2] te gaan. Daar zou een witte sok zijn aangetroffen door collega [naam 5] . [slachtoffer.] verklaarde dat deze sok van hem was. Om 02.18 uur trof ik de sok aan in het [naam 3] . Bewijsoverwegingen De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer.] De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer.] uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over hetgeen is voorgevallen op 1 september 2024 in de gemeente [naam 2] . De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer.] te twijfelen, te meer nu zijn verklaring op verschillende onderdelen bevestiging vindt in de overige bewijsmiddelen. Immers kon [slachtoffer.] bij het tankstation worden gelokaliseerd aan de hand van de livelocatie die de getuige [naam 2] aan de politie doorgaf, is door politieagenten waargenomen dat [slachtoffer.] toen letsel en bloed had aan zijn neus en zag verbalisant [naam 8] dat [slachtoffer.] mank liep toen hij naar hem toeliep. Ook was zijn bril stuk. De sok van [slachtoffer.] werd in het [naam 3] aangetroffen. Voorts heeft getuige [naam 2] verklaard dat hij werd gebeld door [slachtoffer.] , hij de verdachten aan de telefoon kreeg die dreigden met geweld en de verdachte heeft gezegd dat het niet uitmaakte met hoeveel mensen [naam 2] zou komen, want de verdachte zou ze allemaal wel neerschieten. En dat [slachtoffer.] toen een paniekerige indruk op hem maakte. Dat er geen bloed is aangetroffen op het bovenlichaam dan wel de kraag van het T-shirt van [slachtoffer.] , sluit het moeten uittrekken van de kleding door [slachtoffer.] niet uit. Immers is onbekend op welk moment [slachtoffer.] begon te bloeden. Ook het feit dat [slachtoffer.] pas bij het doen van aangifte heeft verklaard dat hij gedwongen werd zich uit te kleden, is niet vreemd, gelet op hetgeen hij heeft moeten doorstaan en de emotionele toestand waarin hij verkeerde. Deze omstandigheden leiden niet tot de onbetrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer.] . De verklaringen van de verdachten bevatten daarentegen innerlijke en onderlinge tegenstrijdigheden. Zij hebben verschillende verklaringen afgelegd, die op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer.] dan ook betrouwbaar en geloofwaardig en neemt zij deze als uitgangspunt van de bewijsvoering. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2 in het bijzonder Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een zeer bedreigende en intimiderende situatie voor [slachtoffer.] gecreëerd waardoor hij niet de vrijheid had zich aan de situatie te onttrekken en waarin [slachtoffer.] zich gedwongen voelde zijn telefoon af te geven en zijn kleding uit te doen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer.] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden en [slachtoffer.] heeft gedwongen zijn telefoon af te geven en zijn kleding uit te doen, waaronder ook door de auto te vergrendelen, [slachtoffer.] zijn kleding uit te laten doen en meerdere malen tegen [slachtoffer.] te zeggen dat hij zal worden neergeschoten. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat de medeverdachte een voldoende materiële bijdrage aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dwang van [slachtoffer.] heeft gehad. De medeverdachte heeft zich, nadat hij werd gebeld door de verdachte en naar de woning van [slachtoffer] is gegaan, met de situatie bemoeid. Zo heeft hij zich mede intimiderend opgesteld, er mede voor gezorgd dat [slachtoffer.] in zijn auto plaatsnam waarna hij naar een bosperceel is gereden, heeft hij de auto vergrendeld waarna [slachtoffer.] antwoord moest geven op zijn vraag en heeft hij zich bemoeid met het uitdoen van de kleding door [slachtoffer.] . Hoewel de medeverdachte geen geweld heeft gebruikt, heeft hij met zijn handelingen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de strafbare feiten. De medeverdachte had dan ook (op zijn minst) voorwaardelijk opzet op zowel de wederrechtelijke vrijheidsberoving en dwang van [slachtoffer.] als de samenwerking daartoe met elkaar. Dat volgt immers al uit de langdurige vrijheidsberoving van [slachtoffer.] in aanwezigheid van de verdachten bij de woning van [slachtoffer] , in de auto en in het park. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 in het bijzonder Gelet op het bewijsmiddelenoverzicht en het hiervoor overwogene acht de rechtbank feit 3 eveneens wettig en overtuigend bewezen. Overweging ten aanzien feiten 1, 2 en 3 De feiten zijn gepleegd in eendaadse samenloop. parketnummer 03.115722.25 Feiten 1, 2 en 3 Bewijsmiddelen [slachtoffer] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Op 23 januari 2025 zat ik in mijn woning [adres 2] in Urmond. Omstreeks 16.53 uur kreeg ik een privébericht op Instagram van een account dat ik niet herkende. De naam van het account betreft ‘ [naam 9] ’. De persoon die mij berichten stuurde, maakte zichzelf niet kenbaar, maar attendeerde mij erop dat ik in de gaten werd gehouden door iemand. Ook zei hij dat ik het niet hardop moest zeggen omdat de persoon die mij in de gaten hield het kon horen. Hij heeft de naam van de persoon niet gezegd, maar ik denk dat het mijn ex-partner [verdachte] betreft. Ik heb via Instagram berichten gestuurd met de vraag om meer info te krijgen. De persoon reageerde met ‘koelkast’. Hij zei dat ik moest zoeken naar een stekker, omdat het stroom moest krijgen. Ik ging toen samen met [naam 10] bij de koelkast kijken. Ik zag dat er in het stroomcontact achter de koelkast een stekker instak. Aan de stekker hing een kabeltje met daaraan vast een zwart bolletje. In dat bolletje zat een camera. Ik trok meteen de stekker uit het contact en deed zilverfolie over de camera. Omstreeks 18.00 uur zat ik op de bank samen met de kinderen en mijn vriendin [naam 10] . Wij hoorden toen gerommel aan de voordeur. Ik hoorde dat iemand riep ‘hallo, hallo’. Vervolgens hoorde ik dat er tegen de deur getrapt of geslagen werd. Ik herkende de stem als die van mijn ex-partner [verdachte] . Ik pakte toen mijn telefoon en belde 112. Ik vertelde dat hij tegen de deur bleef schoppen en ik bang was dat hij door de deur naar binnen zou komen. [naam 10] liep naar de voordeur en deed deze open om te kijken of de persoon er nog was. [naam 10] heeft gezien dat [verdachte] er nog stond. Ook heeft [verdachte] in september 2024 iemand ontvoerd. Ik was toen helemaal klaar met de relatie en de manier hoe [verdachte] mij behandelde. Ik heb de relatie ongeveer in september beëindigd. [verdachte] komt te pas en te onpas over de vloer. Ik ben heel angstig voor [verdachte] . Sinds zijn gedragsverandering weet ik niet meer tot waar [verdachte] toe in staat is. Ik merk de laatste tijd dat zijn gedrag verandert en heftiger is naar mij toe. Het feit dat hij een camera in mijn woning heeft geplaatst geeft mij een heel onveilig gevoel. Ik vind het ziekelijk. Op 7 februari 2025 is [slachtoffer] aanvullend gehoord en heeft zij – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [verdachte] benadert mij nog via zijn eigen mobiele nummer, maar dat heb ik geblokkeerd. Hij belt anoniem. Ik weet dat mensen mij anoniem bellen, dus ik neem wel op en dan hoor ik dat hij aan de telefoon is. De ene keer druk ik dan meteen af en de andere keer zeg ik dat hij moet stoppen. Toen hij aan de deur stond omdat ik de camera uit getrokken had, zei hij dat hij me zou vermoorden. Toen was ik ook echt bang. Op 18 februari 2025 is [slachtoffer] aanvullend gehoord en heeft zij – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [verdachte] was in het bezit van mijn huissleutel. Ik heb deze teruggevraagd, maar nooit teruggekregen. Hij kwam binnen wanneer hij wilde. Ik ben twee à drie weken geleden 45 keer gebeld geworden midden in de nacht door een anoniem nummer. Ik denk dat dit [verdachte] is. Gisteren ben ik weer twee keer door een anoniem nummer gebeld en heb ik opgepakt. Toen bleek het [verdachte] te zijn. Zodra ik zijn stem hoor, hang ik gelijk op. Opmerking verbalisant: wij zien dat ze met een grote hoeveelheid anoniem gebeld wordt afgelopen dagen. Verbalisant [naam 11] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: Gebruikersgegevens Uit onderzoek bleek dat [verdachte] en [slachtoffer] de volgende telefoonnummers gebruiken: - [nummer 1] : betreft het mobiele telefoonnummer in gebruik bij [slachtoffer] ; - [nummer 2] : betreft het mobiele telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] ; - [nummer 3] : betreft het mobiele telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] . Historische verkeersgegevens Door mij werden de historische verkeersgegevens telefonie geanalyseerd van het telefoonnummer in gebruik bij [slachtoffer] en de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] tussen 23 januari 2025 (ontdekken van de camera in woning [slachtoffer] ) en de einddatum van de bevraagde vordering historische verkeersgegevens telefonie op 28 februari 2025. Ik zag het volgende: - tussen genoemde datums zijn er 97 oproepen inkomend vanuit [verdachte] ( [nummer 2] ) naar [slachtoffer] ; - tussen genoemde datums zijn er 64 oproepen inkomend vanuit [verdachte] ( [nummer 3] ) naar [slachtoffer] . In bovenvermeld proces-verbaal van verbalisant [naam 11] zijn twee afbeeldingen, aangeleverd door [slachtoffer] , weergegeven waarop inkomende anonieme oproepen, beantwoord dan wel onbeantwoord, zichtbaar zijn. Uit onderzoek in de historische verkeersgegevens telefonie blijkt dat deze oproepen zijn uitgevoerd door het telefoonnummer [nummer 3] , in gebruik bij [verdachte] . Op de afbeelding in het proces-verbaal is te zien dat op 3 februari 2025 met dit nummer meerdere malen naar het telefoonnummer [nummer 1] , in gebruik bij [slachtoffer] , is gebeld. Voorts is in het proces-verbaal een andere afbeelding weergegeven waarop inkomende anonieme oproepen, waarvan één beantwoord, zichtbaar zijn. Uit onderzoek in de historische verkeersgegevens telefonie blijkt dat deze oproepen zijn uitgevoerd door het telefoonnummer [nummer 2] , in gebruik bij [verdachte] . Op de afbeelding in het proces-verbaal is te zien dat op 27 januari 2025 met dit nummer meerdere malen naar het telefoonnummer [nummer 1] , in gebruik bij [slachtoffer] , is gebeld. In het proces-verbaal van verbalisant [naam 11] is gerelateerd dat enkele minuten na het uittrekken van de camera [slachtoffer] meermaals wordt gebeld door [verdachte] . Op de afbeelding in het proces-verbaal is te zien dat op 23 januari 2025 tussen 17:35 uur en 18:11 uur met het nummer [nummer 2] meerdere malen naar het telefoonnummer [nummer 1] is gebeld. Op 23 januari 2025, om 18:00 uur, wordt door [slachtoffer] een melding gemaakt bij de politie omdat [verdachte] zichzelf met geweld toegang wil verschaffen tot de woning. [slachtoffer] meldt dat [verdachte] de deur in probeert te trappen en hierbij roept dat hij haar wil vermoorden. Om 18:06 uur gaat [verdachte] weg bij de woning van [slachtoffer] . Getuige [naam 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Op 23 januari 2025 was ik in de woning van mijn vriendin [slachtoffer] , gelegen op de [adres 2] in Urmond. Omstreeks 18.00 uur hoorde ik hard gebonk uit de richting van de voordeur komen. Dit gebonk leek op getrap tegen de deur. Ik hoorde een mannenstem, welke ik herken als zijnde die van [verdachte] , de volgende dingen roepen: “ [slachtoffer] maak de deur open!”, “Als jullie de deur niet openen, dan doe ik jullie wat aan!” en “Ik zal jullie vermoorden!” of woorden van gelijke strekking. Terwijl [verdachte] de zojuist genoemde dingen riep, bleef hij kloppen en trappen tegen de voordeur. Op enig moment stopte het gebonk en geschreeuw van [verdachte] . Ik liep naar de deur, welke de gang naar de voordeur en de woonkamer scheidt, en opende deze enkele centimeters zodat ik de gang in kon kijken. Ik zag door het geblurde glas van de voordeur een manspersoon voor de deur staan. Ik heb [verdachte] meerdere keren voor langere tijd gezien en herken de manspersoon, als zijnde [verdachte] , aan zijn postuur en door de kleding welke hij regelmatig draagt. De verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Ik was op 1 september 2024 bij de woning van [slachtoffer] . Het klopt dat ze mij daarvoor berichten had gestuurd dat ze niet verder wilde en dat ik mijn spullen moest ophalen. Ik heb de sleutel later teruggegeven. De spy-cam die [slachtoffer] na een tip op 23 januari 2025 achter de koelkast in haar woning heeft aangetroffen, heb ik daar opgehangen. Ik heb die er twee weken van te voren opgehangen toen ik de tip kreeg van [naam 12] dat er sprake was van overspel. De tip van [naam 12] ontving ik begin januari 2025. Nadat [slachtoffer] de stekker van de spy-cam eruit getrokken had, heb ik haar een aantal keren gebeld. Ik had de spy-cam opgehangen om haar te betrappen op overspel en het stelen van geld. Ik ging bij [slachtoffer] aan de deur omdat ik geen antwoord kreeg en geen gehoor kreeg toen ik haar belde. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 in het bijzonder De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over het handelen van de verdachte in de periode van 1 september 2024 tot en met 28 februari 2025. [slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat de verdachte haar meermaals (anoniem) heeft gebeld, (on)aangekondigd naar het huis van [slachtoffer] is gegaan en een spy-cam in haar huis heeft aangesloten. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen, te meer nu haar verklaring bevestiging vindt in de overige (objectieve) bewijsmiddelen. Immers is gebleken dat de verdachte tussen 23 januari 2025 en 28 februari 2025 in totaal 161 keer naar [slachtoffer] heeft gebeld en op 27 januari 2025 en op 3 februari 2025 meerdere malen anoniem naar [slachtoffer] heeft gebeld. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat veel telefoontjes zijn beantwoord door [slachtoffer] en dat zij en de verdachte gesprekken van lange duur hebben gevoerd. Gebleken is dat er inderdaad contact is geweest, maar dit betreffen korte gesprekken van een aantal minuten. Dat zij lange gesprekken zouden hebben gevoerd, is niet gebleken uit het dossier. Daarnaast zijn ook vele oproepen niet door [slachtoffer] opgenomen. Dat [slachtoffer] in een periode van één maand zelf vijf keer heeft gebeld, weegt niet op tegen de hoeveelheid van inkomende oproepen van de verdachte. Voorts blijkt uit het dossier dat de verdachte op 1 september 2024 en op 23 januari 2025 daadwerkelijk bij de woning van [slachtoffer] is geweest en wat betreft de spy-cam heeft de verdachte zelf verklaard die stiekem in de woning van [slachtoffer] te hebben geplaatst. Dat uit het chatverkeer tussen de verdachte en [slachtoffer] tussen mei 2023 en 1 september 2024 niet is gebleken dat de verdachte controlerend was, maakt de verklaring van [slachtoffer] over de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte niet onbetrouwbaar. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dan ook betrouwbaar en geloofwaardig en neemt zij deze als uitgangspunt van de bewijsvoering. De rechtbank stelt vast dat de verdachte [slachtoffer] meermaals (anoniem) heeft gebeld, (on)aangekondigd naar het huis van [slachtoffer] is gegaan en een spy-cam in de woning van [slachtoffer] heeft geplaatst. Wat betreft het laatste overweegt de rechtbank dat de verdachte met dit handelen een grote inbreuk heeft gemaakt op de privacy van [slachtoffer] . De verdachte is immers stiekem in de woning van [slachtoffer] geweest en niet kan worden uitgesloten dat de spy-cam opnames heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de onder feit 1 ten laste gelegde belaging wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal van het meermaals sturen van brieven, SMS-berichten en Snapchat-berichten partieel worden vrijgesproken, nu deze gedragingen onvoldoende ondersteuning vinden in het dossier. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 primair in het bijzonder De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in de periode van 1 januari 2025 tot en met 23 januari 2025 te Urmond een spy-cam in de woning van [slachtoffer] aanwezig heeft doen zijn. Met ‘oogmerk’ wordt de (primaire) bedoeling van de verdachte bedoeld. Nu de verdachte heeft verklaard dat hij de spy-cam heeft geplaatst met onder meer het doel [slachtoffer] te betrappen op overspel, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte het oogmerk had tot afluisteren, aftappen en/of opnemen van beelden/gesprekken van [slachtoffer] . Met zijn handelen heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de privacy van [slachtoffer] . Zij was er niet van op de hoogte dat de camera in haar woning was geplaatst. Nu de spy-cam heimelijk in haar woning aanwezig was waarmee zonder instemming een gesprek kon worden afgeluisterd, was het handelen van de verdachte wederrechtelijk. Dat de spy-cam mogelijkerwijs nooit heeft gewerkt, maakt dat niet anders. De rechtbank acht daarom feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 in het bijzonder Uit de verklaring van [naam 1] blijkt dat de verdachte op 23 januari 2025 in Urmond ‘Als jullie de deur niet openen, dan doe ik jullie wat aan!’ en ‘Ik zal jullie vermoorden!’ heeft geroepen, hetgeen wordt ondersteund door de aanvullende verklaring van [slachtoffer] op 7 februari 2025 en de gemaakte melding door [slachtoffer] bij de politie. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde uitlatingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [slachtoffer] en [naam 1] opleveren. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte parketnummer 03.281784.24 1 op 1 september 2024 in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer.] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door - de telefoon van die [slachtoffer.] af te pakken, - tegen die [slachtoffer.] te zeggen: “of in de kofferbak of op de achterbank”, - die [slachtoffer.] tegen zijn wil te laten plaatsnemen op de achterbank van de auto, - die [slachtoffer.] meerdere malen in zijn gezicht te slaan, - een stuk te gaan rijden, - de auto te vergrendelen, - de auto tot stilstand te brengen in een bosschage, - die [slachtoffer.] zijn kleding uit te laten doen, - die [slachtoffer.] te slaan en te schoppen, en - meerdere malen tegen die [slachtoffer.] te zeggen dat die [slachtoffer.] zal worden neergeschoten; 2 op 1 september 2024 in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met een ander, een ander, te weten [slachtoffer.] , door geweld of enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en te dulden, te weten zijn telefoon af te geven en zijn kleding uit te doen, door - de telefoon van die [slachtoffer.] af te pakken, - tegen die [slachtoffer.] te zeggen: “of in de kofferbak of op de achterbank”, - die [slachtoffer.] tegen zijn wil te laten plaatsnemen op de achterbank van de auto, - die [slachtoffer.] meerdere malen in zijn gezicht te slaan, - een stuk te gaan rijden, - de auto te vergrendelen, - de auto tot stilstand te brengen in een bosschage, - die [slachtoffer.] zijn kleding uit te laten doen, - die [slachtoffer.] te slaan en/of te schoppen, en/of - meerdere malen tegen die [slachtoffer.] te zeggen dat die [slachtoffer.] zal worden neergeschoten; 3 op 1 september 2024 in Nederland [slachtoffer.] heeft mishandeld door die [slachtoffer.] meerdere malen te slaan, te stompen en te schoppen; parketnummer 03.115722.25 1 in de periode van 1 september 2024 tot en met 28 februari 2025 te Urmond, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door - die [slachtoffer] meermaals (anoniem) te bellen, - (on)aangekondigd naar het huis van die [slachtoffer] te gaan, - een spycamera in het huis van die [slachtoffer] aan te sluiten, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; 2 primair in de periode van 1 januari 2025 tot en met 23 januari 2025 te Urmond, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere gegevensoverdracht en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen, een technisch hulpmiddel, te weten een spy-cam (met heimelijke camera en/of microfoon) op een bepaalde plaats, te weten in een woning op/aan het [adres 2] te Urmond aanwezig heeft doen zijn; 3 op 23 januari 2025 te Urmond [slachtoffer] en [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] en [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen “Als jullie de deur niet openen, dan doe ik jullie wat aan! Ik zal jullie vermoorden!”. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: parketnummer 03.281784.24 feit 1 : medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; in eendaadse samenloop met feit 2 : medeplegen van een ander door geweld, een feitelijkheid en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden; en feit 3 : mishandeling; parketnummer 03.115722.25 feit 1 : belaging; in eendaadse samenloop met feit 2 primair : met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doen zijn; feit 3 : bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren en met daaraan gekoppeld een contactverbod met [slachtoffer.] en [slachtoffer] , met uitzondering van het contact dat nodig is voor hun kind, en een locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer] als bijzondere voorwaarden op te leggen. De officier van justitie heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het reclasseringsrapport kan weliswaar positief worden gelezen, maar er is sprake van een ontkennende verdachte waardoor geen delictananalyse mogelijk is en het recidiverisico niet kan worden ingeschat. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. Zij heeft daartoe verwezen naar een zaak van deze rechtbank van 23 maart 2026 (ECLI:NL:RBLIM:2026:2743) waarbij een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 324 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren is opgelegd. Daarnaast heeft zij verzocht rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht bij het bepalen van de straf van onderhavige zaak en de andere zaak waarvoor verdachte vandaag terecht staat, nu dat nadelige gevolgen voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de verdachte kan hebben. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op hetgeen zij heeft bepleit en nu er geen gronden meer aanwezig zijn vanwege tijdsverloop. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich op 1 september 2024 schuldig gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en dwang en aan mishandeling. Op deze dag was [slachtoffer.] naar Urmond gereden om een bos bloemen bij de deur van de woning van [slachtoffer] neer te zetten om haar een hart onder de riem te steken. Kennelijk was de verdachte daar in de buurt aanwezig. Hij benaderde [slachtoffer.] met de vraag voor wie hij bloemen kwam brengen en contacteerde medeverdachte [medeverdachte] die met zijn vriend naar hen toekwam. [slachtoffer.] , die op de hoogte was van een ontvoering de dag ervoor door de verdachte, moest zijn vriend bellen om zijn (verzonnen) verhaal door hem te laten bevestigen. De verdachten gedroegen zich agressief/intimiderend en er werd gedreigd met geweld. Uiteindelijk moest [slachtoffer.] plaatsnemen in de auto van [medeverdachte] waarin de verdachte [slachtoffer.] twee klappen in zijn gezicht heeft gegeven, waarbij zijn bril stuk ging. Medeverdachte [medeverdachte] stopte vervolgens bij een bosperceel alwaar hij, nadat de verdachte en zijn vriend waren uitgestapt, de auto vergrendelde en [slachtoffer.] door hem ondervraagd werd. Daarna moest [slachtoffer.] de auto uitstappen en het bos inlopen waar hij werd gedwongen zijn kleding uit te trekken en de verdachte hem heeft geslagen en geschopt. De verdachte heeft meerdere keren gezegd dat hij [slachtoffer.] zou neerschieten. Afgezien van het feit dat reeds de nodige vraagtekens kunnen worden gezet bij de aanwezigheid van de verdachte bij de woning van [slachtoffer] en het zich bemoeien met het neerzetten van de bloemen door [slachtoffer.] , hebben de verdachten zich zeer agressief en dwingend gedragen. [slachtoffer.] , die ver van huis was, heeft in een tijdsduur van ongeveer anderhalf uur doodsangsten uitgestaan, heeft zijn kleding moeten uittrekken, hetgeen zeer vernederend is, en er is daadwerkelijk geweld tegen hem gebruikt. De verdachten hebben met hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke waardigheid van [slachtoffer.] en de rechtbank rekent hen dit zwaar aan. Uit de op de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring blijkt welke ingrijpende gevolgen de strafbare feiten voor [slachtoffer.] hebben gehad. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan stalking, bedreiging met de dood van [slachtoffer] en [naam 1] en heeft hij een spy-cam in de woning van [slachtoffer] geplaatst. Hij heeft [slachtoffer] gedwongen te dulden dat hij steeds weer contact met haar zocht. Hij heeft haar meermaals (anoniem) gebeld en is (on)aangekondigd naar het huis van [slachtoffer] gegaan. Ook met het heimelijk plaatsen van de spy-cam in de woning van [slachtoffer] met als doel om haar te betrappen op vreemdgaan heeft hij een grove inbreuk gemaakt op haar privacy. Daarnaast heeft hij aan de deur gestaan bij [slachtoffer] en heeft vervolgens daar onder meer geroepen dat hij [slachtoffer] en [naam 1] zal vermoorden. [slachtoffer] is hierdoor ernstig in haar privacy aangetast en er is een grove inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Bovendien heeft hij [slachtoffer] angst aangejaagd door zijn gedragingen omdat hij niet wilde accepteren dat de relatie ten einde was. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het over de verdachte opgemaakt strafblad van 22 juli 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 4 augustus 2026. Hierin is vermeld dat de verdachte niet bekend is met agressieproblematiek. De relatie met zijn vriendin ( [slachtoffer] ) is verbroken. De verdachte woont begeleid bij ‘ [naam 13] ’ en heeft zicht op een eigen woning via [naam 14] . Hij werkt als procesoperator, kent geen financiële problemen, is abstinent van drugs en heeft een klein, maar positief sociaal netwerk. Hij heeft zich tijdens de schorsing van de preventieve hechtenis (gedurende ruim anderhalf jaar) gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Naar de inschatting van de reclassering kenmerkt het gedrag van de verdachte zich vooral door een zekere impulsiviteit en onbevangenheid, maar mag hij in staat worden geacht mogelijke toekomstige problemen binnen de wet op te lossen. De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke straf met een contactverbod met [slachtoffer.] en [slachtoffer] en locatieverbod (zonder elektronisch toezicht) voor de straat waar [slachtoffer] woont geadviseerd. Zij vindt interventies of toezicht niet nodig. De rechtbank houdt bij de bepaling van de straf in strafverzwarende zin rekening met het feit dat de verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Hij heeft slechts deels verantwoordelijkheid genomen en weinig blijk gegeven de onjuistheid en verwijtbaarheid van zijn handelen in te zien. De verdachte lijkt zijn rol te bagatelliseren. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, niet worden volstaan met een andere modaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank zal – conform de eis van de officier van justitie – aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk – met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht – en daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden. Hieraan zullen de bijzondere voorwaarden inhoudende een contactverbod met [slachtoffer.] en [slachtoffer] (behoudens contact in het kader van een schriftelijk vastgelegde omgangs- of contactregeling met betrekking tot hun kind) en een locatieverbod voor de straat waar [slachtoffer] woonachtig is worden gekoppeld. Gelet op de opgelegde gevangenisstraf, zal het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering worden afgewezen. 7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij parketnummer 03.281784.24 De benadeelde partij [slachtoffer.] heeft – na wijziging ter terechtzitting – met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 een schadevergoeding gevorderd van € 776,21 ter zake van materiële schade en van € 7.500,- ter zake van immateriële schade. De vordering is ten aanzien van de materiële schade opgebouwd uit de volgende posten: reiskosten: € 42,17; overige reiskosten: € 249,15; kleding: € 59,94; medisch: € 375,00; overig: € 49,95. De benadeelde heeft verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen, tevens is verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. parketnummer 03.115722.25 De benadeelde partij [slachtoffer] heeft met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 een schadevergoeding gevorderd van € 7.500,- ter zake van immateriële schade. Tevens is verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie parketnummer 03.281784.24 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige en hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, gelet op de onderbouwing en de gevolgen die het bewezenverklaarde tot op heden voor de benadeelde heeft gehad. Voorts heeft de officier van justitie verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. parketnummer 03.115722.25 De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de vordering niet is onderbouwd. 7.3 Het standpunt van de verdediging parketnummer 03.281784.24 De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht een lager bedrag toe te wijzen dan gevorderd. Allereerst is van hoofdstuk 19.1 van de Rotterdamse Schaal de categorie ‘ernstig’ passender dan de categorie ‘meest ernstig’. Daarnaast laat hetgeen de benadeelde heeft aangevoerd over zijn vakantie en lichamelijke beperkingen zich lastig rijmen met zijn openbare post van 17 september 2024 op Instagram waarop is te zien dat hij backflips doet op vakantie in Bulgarije. parketnummer 03.115722.25 De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd en de vordering tevens ziet op andere feiten dan tenlastegelegd. 7.4 Het oordeel van de rechtbank parketnummer 03.281784.24 De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten schade heeft geleden. Met betrekking tot de materiële schade van € 776,21 oordeelt de rechtbank dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten en voldoende is onderbouwd. Nu de vordering de rechtbank op die onderdelen ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, komt de vordering voor wat betreft die posten voor toewijzing in aanmerking. Artikel 6:106, sub b BW bepaalt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het dossier blijkt dat hiervan sprake is. De benadeelde partij kan daarom aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte letsel opgelopen. De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht wat de gevolgen voor hem zijn geweest. Hij heeft pijn en hinder ondervonden en kampt daarnaast tot op heden met de psychische gevolgen van het feit. Hij heeft onder meer EMDR-therapie gevolgd. De rechtbank acht een bedrag van € 7.500,00 voldoende onderbouwd en billijk. De rechtbank heeft hierbij mede acht geslagen op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend en de Rotterdamse schaal waar door de advocaat van de benadeelde partij naar is verwezen. De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 8.276,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over de materiële schade van € 776,21, te rekenen vanaf 4 juni 2025 (zijnde de laatste dag waarop de schade is ontstaan), en over de immateriële schade van € 7.500 te rekenen vanaf 1 september 2024. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank stelt ten aanzien van de vordering vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat de verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom. parketnummer 03.115722.25 De benadeelde partij heeft immateriële schadevergoeding gevorderd. Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 BW onder meer mogelijk als de verdachte 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Behoudens een algemene weergave van de gevolgen, is het geestelijk letsel niet met schriftelijke stukken onderbouwd. De rechtbank is verder van oordeel dat de aard en ernst van het handelen van de verdachte, hoe kwalijk ook, niet dusdanig waren dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat hieruit zonder meer een aantasting van de persoon kan worden afgeleid. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu het vergen van een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 8 Het beslag De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen GSM van de verdachte in de zaak met parketnummer 03.281784.24 dient te worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank is ten aanzien van de GSM van oordeel dat deze onttrokken dient te worden aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De GSM die aan de verdachte toebehoort werd bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf aangetroffen. Op de GSM is kinderporno aangetroffen waarvoor de verdachte afzonderlijk terecht staat. Met de GSM kunnen soortgelijke feiten als het bezit van kinderporno worden begaan. De rechtbank verstaat dat de officier van justitie zich zal inspannen om de foto’s van de moeder van de verdachte in de telefoon veilig te stellen en te retourneren aan de verdachte. 9 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 47, 55, 57, 63, 282, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden , waarvan 12 maanden voorwaardelijk , met een proeftijd van 2 jaren ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen: dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer.] , geboren op [geboortedatum 1] ; dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] (behoudens contact in het kader van een schriftelijk vastgelegde omgangs- of contactregeling met betrekking tot hun kind); dat de veroordeelde zich niet bevindt in de straat waar [slachtoffer] woonachtig is, zijnde het [adres 2] ; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer.] (parketnummer 03.281784.24 feiten 1, 2 en 3) toe en veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk om tegen bewijs van betaling ten behoeve van deze benadeelde partij te betalen een bedrag van € 8.276,21 , bestaande uit € 776,21 materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 juni 2025, en € 7.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 1 september 2024 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil; legt aan de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer.] van € 8.276,21 , bestaande uit € 776,21 materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 juni 2025, en € 7.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 september 2024 tot aan de dag van de volledige voldoening; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 66 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] (parketnummer 03.115722.25 feiten 1, 2 primair en 3) niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de veroordeelde ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil; Beslag - onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp: 1 STK GSM (G1735068). Dit vonnis is gewezen door mr. M. El Jerrari, voorzitter, mr. dr. M.M. Koevoets en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 september 2026. Buiten staat Mr. M. El Jerrari en mr. dr. M.M. Koevoets zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03.115722.25 – ten laste gelegd dat parketnummer 03.281784.24 1 hij op of omstreeks 1 september 2024 in de gemeente Stein, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer.] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door - de telefoon van die [slachtoffer.] af te pakken, - (vervolgens) tegen die [slachtoffer.] te zeggen: “of in de kofferbak of op de achterbank”, - (vervolgens) die [slachtoffer.] tegen zijn wil te laten plaatsnemen op de achterbank van de auto, - (vervolgens) die [slachtoffer.] meerdere malen in zijn gezicht te slaan, - (vervolgens) een stuk te gaan rijden, - (vervolgens) de auto te vergrendelen, - (vervolgens) de auto tot stilstand te brengen in een bosschage, - (vervolgens) die [slachtoffer.] zijn kleding uit te laten doen, - (vervolgens) die [slachtoffer.] te slaan en/of te schoppen, en/of - (vervolgens) meerdere malen tegen die [slachtoffer.] te zeggen dat die [slachtoffer.] zal worden neergeschoten; 2 hij op of omstreeks 1 september 2024 in de gemeente Stein, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer.] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten zijn telefoon af te geven en/of zijn kleding uit te doen, door - de telefoon van die [slachtoffer.] af te pakken, - (vervolgens) tegen die [slachtoffer.] te zeggen: “of in de kofferbak of op de achterbank”, - (vervolgens) die [slachtoffer.] tegen zijn wil te laten plaatsnemen op de achterbank van de auto, - (vervolgens) die [slachtoffer.] meerdere malen in zijn gezicht te slaan, - (vervolgens) een stuk te gaan rijden, - (vervolgens) de auto te vergrendelen, - (vervolgens) de auto tot stilstand te brengen in een bosschage, - (vervolgens) die [slachtoffer.] zijn kleding uit te laten doen, - (vervolgens) die [slachtoffer.] te slaan en/of te schoppen, en/of - (vervolgens) meerdere malen tegen die [slachtoffer.] te zeggen dat die [slachtoffer.] zal worden neergeschoten; 3 hij op of omstreeks 1 september 2024 in de gemeente Urmond, althans in Nederland [slachtoffer.] heeft mishandeld door die [slachtoffer.] meerdere malen te slaan, te stompen en/of te schoppen; parketnummer 03.115722.25 1 hij in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 28 februari 2025 te Urmond, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door - die [slachtoffer] meermaals brieven te sturen, - die [slachtoffer] meermaals (anoniem) te bellen, - ( on)aangekondigd naar het huis van die [slachtoffer] te gaan, - een spycamera in het huis van die [slachtoffer] aan te sluiten, en/of - die [slachtoffer] meermaals SMS-berichten en/of Snapchat-berichten te sturen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; 2 hij in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 23 januari 2025 te Urmond, althans in Nederland met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere gegevensdragers en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen, een technisch hulpmiddel, te weten een spy-cam (met heimelijke camera en/of microfoon) op een bepaalde plaats, te weten in een woning op/aan het [adres 2] te Urmond aanwezig heeft doen zijn; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 23 januari 2025 te Urmond, althans in Nederland met een technisch hulpmiddel, te weten een spy-cam, een gesprek dat in een woning, besloten lokaal en/of erf, te weten [adres 2] , werd gevoerd, opzettelijk anders dan in opdracht van een deelnemer aan dat gesprek, heeft afgeluisterd; 3 hij op of omstreeks 23 januari 2025 te Urmond [slachtoffer] en/of [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] en/of [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen “Als jullie de deur niet openen, dan doe ik jullie wat aan! Ik zal jullie vermoorden!”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer LB3R024066 (onderzoek Zevenboom), gesloten d.d. 23 oktober 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 275. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer.] d.d. 2 september 2024, pagina 109-113. Bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer.] d.d. 2 september 2024, pagina 116-128. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] d.d. 3 september 2024, pagina 62-66. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, pagina 21-22. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, pagina 27-28. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer LB3R025017 (Meetlint), gesloten d.d. 15 april 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 81. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 januari 2025, pagina 23-24. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 7 februari 2025, pagina 31-32. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 18 februari 2025, pagina 41-42. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025, pagina 49. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025, pagina 50-51. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025, pagina 55. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] d.d. 23 januari 2025, pagina 44-45.