Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:24977 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 31-08-2026 (NL25.18917 NL25.18918)

Rechtbank Den Haag
Summary

Verblijfsrecht op grond van de Verblijfsrichtlijn, verblijf bij partner, huiselijk geweld aannemelijk gemaakt, beroep gegrond en zelf in de zaak voorzien.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.18917 (beroep) NL25.18918 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1989, van Indonesische nationaliteit, eiseres en verzoeker, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. E. Bezem), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.R. de Groot). Inleiding 1. Met het besluit van 22 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan op 18 februari 2024 is geëindigd. 1.1. Met het besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. 1.2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van beiden partijen, en een tolk Indonesisch, mevrouw S.H.C. Smeets. 1.5. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst. Verweerder heeft tot en met 17 juni 2026 de tijd gekregen om nadere informatie toe te sturen. Hier heeft verweerder gebruik van gemaakt. Eiseres heeft tot en met 1 juli 2026 gekregen om hier schriftelijk op te reageren. Daarvan heeft eiseres gebruik gemaakt. De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, het onderzoek zonder nadere zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Achtergrond 3. Eiseres heeft op 4 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij haar partner (referent). Deze aanvraag is ingewilligd op 2 januari 2024. Uit de stelbrief van de gemachtigde van eiseres is gebleken dat de relatie tussen eiseres en referent is beëindigd per 12 januari 2024. Ook is uit de Basisregistratie Persoonsgegevens gebleken dat zij vanaf 18 januari 2024 niet langer samenwonen. In de door verweerder verzochten zienswijze heeft eiseres aangegeven dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld en dat de relatie als gevolg daarvan is verbroken. Eiseres gaf in de zienswijze aan dat haar ex-partner na een paar maanden belerend en agressief gedrag begon te vertonen, maar dat voor haar de grens bereikt was op 12 januari 2024 toen het dusdanig uit de hand liep dat zij de politie heeft gebeld. 3.1. Ter onderbouwing van het huiselijk geweld heeft eiseres de volgende documenten overgelegd: - Verklaring van haar huisarts over verwondingen en huiselijk geweld; - Brief right to create over hoe u dakloos was geworden vanwege huiselijk geweld; - 7 maart 2024 Aangifte politie huiselijk geweld eenvoudige mishandeling, pleegdatum 12 januari 2024; - WhatsApp bericht over opvang van 30 januari 2024; - Chat berichten met veilig thuis; - Beloverzicht van alle hulporganisaties die u hebt moeten bellen n.a.v. huiselijk geweld; - Verslag buurtteam over aangifte poging bij de politie en hoe de politie onwelwillend was terwijl u voldoende bewijs had; - Handgeschreven verklaring van een familielid, vertaald door beëdigd vertaler uit het Indonesisch; - Verklaring gezondheidscentrum intake POH GGZ; - Bewijs boekingen verblijf via NL Rode Kruis. Besluitvorming 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld en dat de relatie als gevolg daarvan is verbroken. Daarvoor is van belang dat eiseres bij de politie niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer van huiselijk geweld is. Dat eiseres aangifte heeft gedaan tegen haar ex-partner, is volgens verweerder onvoldoende om te concluderen dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld. Zij heeft namelijk de aangifte niet kunnen ondersteunen met bewijs. Uit het proces-verbaal van de politie van 13 januari 2024 komen een aantal zaken naar voren die de geloofwaardigheid van haar slachtofferschap ondergraven. Ook de overgelegde verklaring van de huisarts kan niet als doorslaggevend bewijs worden beschouwd. Hetzelfde geldt volgens verweerder voor de overgelegde verklaringen van het buurtteam, de organisatie Right to Create en de vertrouwenspersoon bij Saturday Help. Huiselijk geweld en de Verblijfsrichtlijn 5. De rechtbank overweegt allereerst dat eiseres, nu haar ex-partner een burger van de Europese Unie is, haar verblijfsrecht ontleende aan de Verblijfsrichtlijn . Desgevraagd ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat voor de vraag of er sprake is van huiselijk geweld in de zin van de Verblijfsrichtlijn, mag worden aangesloten bij het nationale beleid dat verweerder hierover voert. Tussen partijen is ook niet in geschil dat dit geldt voor het beleid ten aanzien van de bewijsmiddelen voor huiselijk geweld. 6. De rechtbank merkt hierbij verder op dat in de toepassing van het beleid inzake huiselijk geweld, overeenstemming dient te zijn met het Verdrag van Istanboel . Het verdrag definieert huiselijk geweld in artikel 3, onder b, als: ‘alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven.’ 7. Op grond van de Verblijfsrichtlijn kan een vreemdeling die tijdens de relatie slachtoffer is geworden van huiselijk geweld recht hebben op voortzetting van het verblijf onder het gemeenschapsrecht. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij of zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. Verweerder beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld een recent bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld, of een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld. Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Verweerder beoordeelt op basis van deze bewijsmiddelen de aannemelijkheid van het gestelde huiselijk geweld. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat het Verdrag van Istanboel benadrukt dat huiselijk geweld aannemelijk kan worden gemaakt met welk bewijsmiddel dan ook en dat bewijsmiddelen niet kunnen worden verworpen enkel omdat ze subjectief zouden zijn. De bewijsmaatstaf 8. Eiseres stelt zich – samengevat – op het standpunt dat verweerder in haar geval een onjuiste maatstaf hanteert. Verweerder past ten onrechte een strafrechtelijke benadering ten aanzien van het huiselijk geweld die niet thuishoort in het vreemdelingenrecht. 9. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in de besluitvorming op een aantal punten de indruk wekt de strafrechtelijke maatstaf te hanteren van “buiten redelijke twijfel”. Zo stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiseres gedane aangifte op zichzelf onvoldoende reden geeft om het huiselijk geweld aannemelijk te achten, omdat ‘het plegen van een strafrechtelijk feit niet wordt aangenomen op basis van de verklaring van slechts één getuige’ . Ook stelt verweerder in het bestreden besluit: ‘Ik zie verder geen reden om uw referent aan te merken als schuldig aan een strafbaar feit zonder dat dit is bewezen of zelfs maar aannemelijk is gemaakt. Dit druist namelijk in tegen de onschuldpresumptie waar in een rechtsstaat vanuit dient te worden gegaan.’ Ook stelt verweerder dat de conclusie van de huisarts dat de geconstateerde kneuzingen het gevolg waren van geweld niet is vastgesteld door een forensisch arts. Ook de verklaring die eiseres heeft overgelegd van het buurtteam en van Right to Create kunnen volgens verweerder niets afdoen aan de eerdere constateringen, nu deze organisaties niet de middelen hebben om onderzoek te doen naar strafbare feiten en zij de visie van de ex-partner niet hebben aangehoord. 10. Naar het oordeel van de rechtbank hanteert verweerder in het bestreden besluit een onjuiste maatstaf. Het is namelijk niet vereist dat eiseres het huiselijk geweld strafrechtelijk heeft bewezen (“buiten redelijke twijfel”). Het is aan haar om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. Dit vindt ook zijn steun in het beleid van verweerder waaruit volgt dat uit de overgelegde bewijsmiddelen voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt hiervoor extra steun in het feit dat niet langer in het beleid van verweerder is vervat dat uit de recente bescheiden van de politie moet blijken dat het bij de politie aannemelijk is gemaakt dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. In plaats daarvan heeft verweerder gekozen voor ‘recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld’ in het huidige beleid. Dit laat onverlet dat de wijze waarop de politie de geloofwaardigheid van het gestelde huiselijk geweld heeft beoordeeld, wel degelijk bij de aannemelijkheidstoets mag worden betrokken. De rechtbank overweegt echter dat hieraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, zonder de overige overgelegde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang te beoordelen. 11. Eiseres heeft aangegeven dat zij op 12 januari 2024 is mishandeld door haar ex-partner, maar ook dat de onveilige situatie die haar partner creëerde al veel langer duurde. Ter onderbouwing daarvan heeft eiseres, naast de aangifte bij de politie van het incident op 12 januari 2024, een verklaring van haar psycholoog en een verklaring van haar huisarts overgelegd. Ook heeft zij chatberichten met Veilig Thuis overgelegd en verschillende verklaringen van andere hulporganisaties overgelegd. 12. Verweerder stelt daartegenover dat eiseres met enkel de overgelegde aangifte niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. Verweerder baseert zich daarin op het proces-verbaal van 13 januari 2024. Hieruit volgt dat de verbalisanten schriftelijk hebben verklaard dat tijdens het huisbezoek de indruk was ontstaan dat eiseres zelf de agressor was. Uit het gesprek met de politie op 28 februari 2024 volgt ook dat eiseres op de vraag of de buren nooit iets hebben gemerkt van het huiselijk geweld, antwoorde dat haar ex-partner de muziek harder zette. Dat de buren nooit melding hebben gemaakt van harde muziek ondermijnt eiseres haar geloofwaardigheid. Ook acht verweerder het in dit kader veelzeggend dat de politie geen aanleiding heeft gezien om eiseres haar ex-partner te vervolgen. Terwijl de politie bij de door de ex-partner gedane aangifte wel is overgegaan tot vervolging. Dat deze aanklacht later weer is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, neemt volgens verweerder niet weg dat eiseres er niet in is geslaagd de politie te overtuigen van het gevaar van de kant van haar ex-partner. 13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte te veel waarde heeft gehecht aan de conclusie van de politie over het gestelde huiselijk geweld en onvoldoende alle stukken in onderlinge samenhang beoordeeld. Alles in samenhang beoordelend heeft eiseres, naar het oordeel van de rechtbank en ongeacht de conclusie van de politie over het incident van 12 januari 2024, wel aannemelijk gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 14. Eiseres heeft een aangifte gedaan bij de politie en heeft hiervan stukken overgelegd. Uit het proces-verbaal van het incident op 12 januari 2024 en de overige door verweerder overgelegde documentatie van de politie volgt dat de verbalisanten in de veronderstelling zijn dat eiseres, en niet haar ex-partner de agressor is geweest. De politie baseert zich voor die conclusie deels op de houding van eiseres vlak na het incident en op de verklaringen van de buren dat zij haar ook niet als het slachtoffer zien. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verklaringen van de buren een subjectief karakter hebben en niet enkel iets zeggen over hun eigen waarnemingen. Bovendien lijkt het feit eiseres de agressor zou zijn geweest voor de politie voornamelijk te volgen uit dat zij boos was toen de politie daar aankwam. Het is voor de rechtbank dan ook niet duidelijk waarom hieruit zonder meer zou volgen dat eiseres zelf de agressor zou zijn. Boosheid kan van alles betekenen, frustratie, angst, overweldigd zijn, ook als slachtoffer. Verder neemt de rechtbank ook in overweging dat eiseres, naast de verklaring van de huisarts die haar kneuzingen bevestigen, een verklaring van haar psycholoog heeft overgelegd. Hieruit volgt zij een EMDR -behandeling ondergaat ter verwerking van haar traumatische ervaringen. Anders dan verweerder op zitting stelt, is de rechtbank van oordeel dat hier wel waarde aan kan worden gehecht. De psycholoog die eiseres behandelt, is deskundig op het gebied van PTSS en heeft eiseres bovendien al langere tijd onder behandeling. Zij concludeert op basis daarvan dat de PTSS-klachten van eiseres zijn terug te voeren op de mishandeling door haar ex-partner. Dat verweerder deze verklaring als subjectief kwalificeert, doet daar niet aan af. Zoals hiervoor is overwogen, mag een bewijsmiddel niet reeds worden verworpen enkel omdat het subjectief van aard is. Daarbij komt dat eiseres wordt behandeld met EMDR, een therapie die specifiek is gericht op verwerking van een concrete, traumatische gebeurtenis. Dat eiseres voor de gestelde mishandeling door haar ex-partner met deze behandeling is gestart en daarop een respons vertoont, is een aanwijzing die verder gaat dan de enkele eigen verklaring van eiseres. Daar komt bij dat eiseres ook met stukken heeft onderbouwd dat zij na het incident op 12 januari 2024 gelijk contact heeft opgenomen met verschillende hulpinstanties. Dit kan de verklaringen van eiseres dan ook deels ondersteunen. Hoewel aan de beoordeling van de politie, zoals hiervoor overwogen, bewijswaarde toekomt, kan daaraan in dit geval, gelet op de hiervoor genoemde kanttekeningen en de overige bewijsmiddelen, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op al het bewijs in onderlinge samenhang bezien, niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gestelde huiselijk geweld niet aannemelijk is gemaakt. 15. De rechtbank overweegt dat, gelet op het beschikbare bewijs in onderlinge samenhang bezien, geen andere conclusie mogelijk is dan dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. Conclusie en gevolgen 16. Op grond van artikel 8:41a van de Awb moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. Om bovenstaande redenen zal de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan niet is geëindigd, maar dat zij dat verblijfsrecht behoudt op grond van artikel 13, tweede lid, sub c van de Verblijfrichtlijn omdat aannemelijk is dat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. De rechtbank draagt verweerder op aan eiseres een verblijfsdocument te verstrekken waaruit haar rechtmatig verblijf blijkt. 17. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af. 18. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank, in de zaak NL25.18917: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - verklaart het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond; - herroept het primaire besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een verblijfsdocument te verstrekken waaruit het rechtmatig verblijf van eiseres blijkt; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.18918: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank, in beide zaken: - bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-; - veroordeelt verweerder tot het vergoeden van het betaalde griffierecht ter hoogte van € 388,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Richtlijn 2004/38/EG. Het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanboel). Zie artikel 13 van de Verblijfsrichtlijn. Zie paragraaf B8/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Pagina 4 van het bestreden besluit. Pagina 6 van het bestreden besluit. Zoals uit een oudere versie van paragraaf B8/2.3. van de Vc bleek. Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Posttraumatische stressstoornis. Algemene wet bestuursrecht.