Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:8696 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (1315120326)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Luxemburg. Artikel 12 OLW: de rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond in verband met het verzoek van de opgeëiste persoon om de vrijheidsstraf in Nederland te ondergaan in het kader van artikel 6a OLW. Overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige strafovername. Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW. Verzoek schorsing bevel 27 lid 4 OLW verworpen.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-151203-26 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 4 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 mei 2026 door the First General State Prosecutor , Luxemburg (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. T. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij onder meer de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van the Court of Appeal of the Grand Duchy of Luxembourg van 19 november 2025, met nummer 483/25 en kenmerk 23148/18/CD, bevestigd door een arrest van the Court of Cassation van 19 februari 2026. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 720 dagen. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Luxemburg. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 685 dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal of the Grand Duchy of Luxembourg van 19 november 2025, met nummer 483/25 en kenmerk 23148/18/CD, toetsen aan artikel 12 OLW. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zij expliciet geen beroep doet op artikel 12 OLW in verband met haar verzoek om de tenuitvoerlegging van de Luxemburgse straf over te nemen in Nederland (zie hierna onder 6). Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van weigeren op grond van artikel 12 OLW. Uit de kopie van het arrest van 19 november 2025, ontvangen op 28 juli 2026, blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon niet is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dit is in strijd met hetgeen is opgenomen in onderdeel d) van het EAB, welke informatie waarschijnlijk ziet op de beslissing in eerste aanleg waar de opgeëiste persoon wél in persoon is verschenen. Op 4 augustus 2026 is de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om onderdeel d) opnieuw in te vullen ten aanzien van het arrest van 19 november 2025. Het antwoord is nog niet ontvangen, wat aanleiding zou kunnen zijn om de behandeling aan te houden om dit antwoord af te wachten. Indien de opgeëiste persoon echter expliciet geen beroep doet op artikel 12 OLW, staat dit artikel niet aan de overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank De opgeëiste persoon is – zo blijkt uit de kopie van het arrest van 19 november 2025 – niet aanwezig geweest bij de procedure die tot het arrest met nummer 483/25 en kenmerk 23148/18/CD heeft geleid. Tijdens de zitting heeft de opgeëiste persoon (onder meer) verklaard dat hij niet op de hoogte was van de precieze zittingsdatum van het hoger beroep, maar dat hij een door hem gekozen advocaat had gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat hij de vrijheidsstraf in Nederland wil ondergaan, zodat hij deze zaak achter zich kan laten. De kopie van het arrest van 19 november 2025 bevestigt dat de verdediging van de opgeëiste persoon in hoger beroep is gevoerd door zijn gemachtigd advocaat. Gelet op hetgeen in het EAB en in de kopie van het arrest van 19 november 2025 is vermeld, tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de opgeëiste persoon expliciet geen beroep op artikel 12 OLW heeft gedaan in verband met zijn verzoek om de tenuitvoerlegging van de Luxemburgse straf over te nemen (zie hierna onder 6), ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat overlevering een schending van zijn verdedigingsrechten zou opleveren. Dit leidt tot het oordeel dat van weigering op grond van artikel 12 OLW wordt afgezien. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding (meer) om het antwoord op de door het IRC gestelde vragen af te wachten. 5 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Luxemburg maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: schuldheling; witwassen; deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Uit de hiervoor weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straffen die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kunnen worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Luxemburgse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende arrest. Op 28 juli 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende arrest ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland. Conclusie De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat afgezien kan worden van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW. Het onderzoek heeft in Luxemburg plaatsgevonden, daar heeft de vervolging plaatsgevonden en is de opgeëiste persoon veroordeeld. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. 8 Schorsingsverzoek Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft verzocht om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, na uitspraak te schorsen. De opgeëiste persoon zou zichzelf graag op een later moment melden om zijn straf in Nederland uit te zitten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek van de advocaat van de opgeëiste persoon. Zij voert aan dat de opgeëiste persoon nog een aanzienlijke vrijheidsstraf heeft uit te zitten, op grond waarvan het vluchtgevaar toeneemt naarmate de executie ervan nadert. Oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld en ook niet gebleken. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 140, 417bis en 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7, 12 en 13 OLW. 11 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the First General State Prosecutor , Luxemburg, voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Vergelijk HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ), punt 92. De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting, op 7 augustus 2026 om 9:17 uur een e-mailbericht ontvangen van de officier van justitie (cc aan de raadsman), inhoudende dat het Openbaar Ministerie zojuist een bevestiging heeft ontvangen van de Luxemburgse autoriteiten met betrekking tot hetgeen de opgeëiste persoon op zitting verklaarde over zijn gemachtigde advocaat in hoger beroep. Het bericht van de Luxemburgse autoriteiten zelf is daarbij niet verstrekt. De rechtbank heeft voor haar beoordeling geen acht geslagen op dit e-mailbericht. Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), punt 64. HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47.