# Centrale Raad van Beroep, 07-09-2026 (26/81 ZW)

- Type: Case Law
- Source: CRVB
- Identifier: ECLI:NL:CRVB:2026:1172
- Date: 2026-09-07
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ACRVB%3A2026%3A1172
- Canonical: https://overview.legal/posts/354004

## Summary

Verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad afgewezen. Wat verzoekster heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen.

## Full text

26/81 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2025, 23/1643 ZW (aangevallen uitspraak) Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 september 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoekster heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen. De Raad wijst het verzoek daarom af. PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft [gemachtigde] verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2025. Het Uwv heeft een reactie op het verzoek gegeven. Partijen hebben nadere reacties en stukken ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 juli 2026. Voor verzoekster is de heer [gemachtigde] verschenen . Het Uwv is niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het verzoek zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Verzoekster is in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 2023 (22/1589), waarbij haar beroep ongegrond is verklaard. Het beroep was gericht tegen een besluit van het Uwv van 16 maart 2022 (bestreden besluit 1), waarin het bezwaar van verzoekster tegen het inzien van haar persoonsgegevens gegrond is verklaard en waarbij aan verzoekster dossierstukken zijn verzonden. 1.2. De Raad heeft op 9 oktober 2024 een comparitie gehouden. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld te bezien of het bezwaarschrift van verzoekster van 7 december 2021 dient te worden opgevat als een verzoek om herziening van een besluit op grond van de Ziektewet (ZW) van 1 december 2017, waarbij verzoekster per 13 februari 2017 een ZW-uitkering is geweigerd. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren. 1.3. Het Uwv heeft op 27 december 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Hierin is het verzoek van verzoekster om terug te komen van het besluit van 1 december 2017 afgewezen. 1.4. Op de zitting van de Raad van 22 oktober 2025 heeft verzoekster het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ingetrokken. Uitspraak van de Raad 2. De Raad heeft in de uitspraak van 3 december 2025 het beroep van verzoekster tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2.1. De Raad heeft overwogen dat het Uwv hetgeen verzoekster heeft aangevoerd terecht niet heeft opgevat als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voor zover verzoekster de afschriften van e-mails na de besluitvorming in 2017/2018 heeft ontvangen, gaat het weliswaar om voor haar nieuw gebleken feiten, maar dit zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die zien op de medische situatie van verzoekster per 13 februari 2017. De door verzoekster genoemde feiten die zien op een niet-gehonoreerde omscholing dan wel een niet-genomen besluit over inkomens- of loonsuppletie zien ook niet op haar medische situatie per 13 februari 2017. Wat verzoekster heeft gesteld over het al dan niet ten onrechte achterwege blijven van een hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure tegen het besluit van 1 december 2017 en alle overige gestelde onjuistheden in de procedure destijds had verzoekster in de beroepsprocedure tegen het besluit van 28 februari 2018 kunnen aanvoeren. Het in hoger beroep ingediende medisch dossier van het ziekenhuis bevat deels stukken van vóór het besluit van 1 december 2017 en deels stukken van erna. De stukken van voor de besluitvorming had verzoekster in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 1 december 2017 of in de beroepsprocedure tegen het besluit van 28 februari 2018 in kunnen dienen. De stukken van na die besluitvorming zijn weliswaar nieuw, maar verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat die medische informatie van (veel) latere datum relevant is voor haar medische situatie op 13 februari 2017. 2.2. Ten slotte is de Raad niet gebleken dat het besluit op het verzoek om terug te komen van het besluit van 1 december 2017 evident onredelijk is. Dat verzoekster niet meer in volle omvang in ander werk heeft kunnen hervatten als gevolg van haar gezondheidssituatie is voor haar ingrijpend en teleurstellend, maar betekent niet dat het besluit van 1 december 2017 onmiskenbaar onjuist is. De Raad betrekt daarbij dat de inschatting van het Uwv van de belastbaarheid van verzoekster op 13 februari 2017 al in verschillende procedures, die leidden tot een uitspraak van de Raad van 31 december 2020 en een uitspraak van de rechtbank van 18 april 2019 (18/1822 en 18/1995) is beoordeeld en akkoord bevonden. Standpunt van verzoekster 3. Verzoekster heeft in het verzoek het volgende aangevoerd. 3.1. De Raad is in de uitspraak uitgegaan van onjuiste feiten en een onvolledig dossier. In de uitspraak staat ten onrechte dat er geen hoger beroep is ingediend tegen de besluitvorming die ging over de datum in geding 13 februari 2017. Er is wel degelijk een hoger beroep geweest en op 2 april 2020 heeft er een zitting bij de Raad plaatsgevonden. Ook staat ten onrechte in de uitspraak dat er als gevolg van financiële omstandigheden van verzoekster geen hoorzitting heeft plaatsgevonden in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 1 december 2017. 3.2. Bij onderzoek van het opgevraagde dossier kwamen diverse e-mails naar boven. Verzoekster concludeerde daaruit dat zij in de eerdere procedures niet beschikte over het volledige dossier en haar toenmalige gemachtigde, de rechtbank en de Raad ook niet. Dit is de reden van de procedure geweest, omdat volgens verzoekster sprake was van nieuwe feiten. De Raad heeft dit niet gevolgd omdat er in de eerdere procedure geen hoger beroep was ingesteld. Maar dit blijkt dus een onjuiste conclusie te zijn. 3.3. Verzoekster heeft tijdens de zitting van 22 oktober 2025 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2023 ingetrokken omdat het dossier compleet was volgens de voorzitter. Als dan in de uitspraak staat dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan is verzoekster op het verkeerde been gezet. Volgens verzoekster kan niet worden aangetoond dat de eerdere besluitvorming en uitspraken zijn gebaseerd op een volledig dossier. 3.4. Tijdens de comparitie van 9 oktober 2024 heeft de Raad het Uwv verzocht in te gaan op namens verzoekster gestelde vragen. Het Uwv heeft dit gedaan bij brief van 31 oktober 2024. Ook deze brief dient beschouwd te worden als een nieuw feit. Verzoekster heeft verwezen naar de beantwoording door het Uwv van haar vragen over de ziekmelding, de rol van het Uwv ten opzichte van de eigenrisicodrager (ERD) en of na de ziekmelding sprake is geweest van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb). Dit zijn allemaal nieuwe feiten die tot een andere uitspraak van de Raad hadden moeten leiden. Zo blijkt de inmenging door het Uwv na de ziekmelding onjuist te zijn geweest, heeft ten onrechte geen EZWb plaatsgevonden en is de ZW-uitkering daardoor ten onrechte afgewezen. 3.5. De procesvertegenwoordiger van het Uwv, mr. M.W.A. Blind, heeft gelogen op de zitting. Zo is eerder ten onrechte uitgegaan van een einde dienstbetrekking op 1 mei 2017 terwijl dat 1 mei 2016 moet zijn. Ook de advocaat van het Uwv, mr. M.S. Dalfour, is daarvan uitgegaan. De procesvertegenwoordiger heeft niet genoemd wat voor gevolgen de onjuiste einddatum van de dienstbetrekking heeft voor de verantwoordelijkheid van de ERD. Het Uwv weigert een stuk hierover op te sturen. Ook heeft zij op de zitting toegezegd dat het Uwv de griffierechtnota zou betalen, wat niet is gebeurd. Verder zweeg de procesvertegenwoordiger over het eerder wel ingestelde hoger beroep. Er is sprake geweest van machtsmisbruik door het Uwv door het achterhouden van informatie en door gemachtigde van verzoekster een contactverbod op te leggen. 3.6. Verzoekster heeft voorts verwezen naar een beoordeling van het Uwv op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), waarbij de zus van verzoekster 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Zij heeft een vergelijkbare aandoening en hetzelfde opleidingsniveau als verzoekster en is voorts beoordeeld door dezelfde arbeidsdeskundige van het Uwv. Die beoordeling is wel gegaan als zou moeten. 3.7. Voor verzoekster gaat het met name om één ding. Uit de stukken blijkt dat de advocaat van het Uwv, mr. Dalfour, een verklaring heeft gegeven waarbij de ERD verantwoordelijk werd gesteld en daarop is gehandeld door het Uwv. Dit is gebaseerd op een ziekmelding binnen vier weken na de beëindiging van de dienstbetrekking. Volgens de procesvertegenwoordiger van het Uwv ging het om een nieuwe ziekmelding na de EZWb en was het Uwv verantwoordelijk voor de ziekmelding. Mr. Blind wil het verschil in de verklaringen niet uitleggen. Als het Uwv wettelijk verplicht was om de ziekmelding in behandeling te nemen, dan eist verzoekster een volledige herziening van het besluit van 1 december 2017. Verzoekster wil (weer) een ZW-uitkering en daaropvolgend een IVAuitkering op grond van de WIA per 1 februari 2017. 3.8. Verzoekster heeft de Raad verzocht mr. Dalfour en Oosterveld, de leidinggevende van de betrokken arbeidsdeskundige, op te roepen voor de zitting. Standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er, gelet op de gronden, geen aanleiding bestaat de uitspraak te herzien. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de uitspraak van 3 december 2025 moet worden herzien. Dit doet de Raad aan de hand van wat verzoekster heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek van verzoekster moet worden afgewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en; waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 5.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven is om, anders dan op grond van enig nieuw feit of omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. 5.3. Wat verzoekster heeft aangevoerd ziet niet op feiten of omstandigheden die voldoen aan het onder 5.1 en 5.2 gestelde. 5.4. Niet is gebleken dat de Raad is uitgegaan van onjuiste feiten. In de rechtsoverwegingen 1.1 en 1.2 staat correct vermeld dat verzoekster wel in hoger beroep is gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 februari 2018, maar niet in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2019. Er is dus maar één hoger beroep bekend van verzoekster en daarover heeft de Raad op 31 december 2020 uitspraak gedaan, zoals is genoemd in punt 2.2. Die uitspraak ging over de beëindiging van ZW-uitkering per 13 februari 2017. Over de weigering van een ZW-uitkering per 13 februari 2017 (het besluit van 1 december 2017) is geen hoger beroepsprocedure gevoerd. Het verzoek om herziening van verzoekster van het besluit van 1 december 2017 is aan de orde gekomen in de uitspraak van de Raad van 3 december 2025, waarvan verzoekster nu een herziening vraagt. 5.5. Ook is niet onjuist overwogen dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 1 december 2017. Verzoekster heeft ook niet bestreden dat er geen hoorzitting is geweest. Dat dit om financiële redenen of om andere redenen of omstandigheden niet is gebeurd, is niet relevant voor de toetsing aan de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. 5.6. Evenmin is gebleken dat het Uwv of diens procesvertegenwoordiger een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven of dat sprake is van machtsmisbruik door het Uwv, zoals verzoekster heeft gesteld. In een beslissing op bezwaar van 8 januari 2018 aan de exwerkgever/ERD is abusievelijk vermeld dat de dienstbetrekking van verzoekster bij deze werkgever liep van 1 juli 2014 tot en met 30 april 2017. Dit is niet juist en had 30 april 2016 moeten zijn. De Raad is niet gebleken dat het Uwv deze fout heeft herhaald in andere stukken en ook niet in de correspondentie aan verzoekster door advocaat mr. Dalfour, zoals verzoekster heeft gesteld. De Raad heeft dan ook geen reden gezien om mr. Dalfour op te roepen voor de zitting, zoals door verzoekster is verzocht. Overigens is het Uwv er terecht vanuit gegaan dat de ex-werkgever ERD was ten tijde van de ziekmelding van 13 februari 2017, aangezien de dienstbetrekking met verzoekster was beëindigd per 1 mei 2016. De Raad wijst daarbij op het bepaalde in artikel 63a, eerste lid, van de ZW. 5.7. Anders dan verzoekster meent is de conclusie van de Raad in de uitspraak dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden niet afhankelijk geweest van de vraag of het dossier compleet was of niet. De Raad heeft met partijen op de zitting geconcludeerd dat er nu een volledig dossier voorhanden was en daarom heeft verzoekster het hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over het inzien van haar persoonsgegevens ingetrokken. Voor zover verzoekster meent dat desondanks geen sprake is geweest van een compleet dossier, heeft zij dit niet onderbouwd. De Raad is niet gebleken dat sprake is geweest van strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. 5.8. Ook de brief van 31 oktober 2024 is geen nieuw feit als bedoeld onder 5.1 en 5.2. In de door verzoekster aangehaalde antwoorden heeft het Uwv enkel uitleg gegeven over het bepaalde in artikel 19 van de ZW over de maatstaf arbeid bij een nieuwe ziekmelding na een EZWb en over het bepaalde in artikel 63a, vijfde lid, van de ZW over het overnemen van de ZW-beoordeling door het Uwv als de ERD in gebreke blijft. Mogelijk zijn dit voor verzoekster nieuwe feiten omdat zij niet bekend of minder vertrouwd is met de systematiek van ZW-beoordelingen. Maar het zijn geen feiten die, waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 5.9. De door verzoekster genoemde onjuistheden in de eerdere procedures, zoals het feit dat in de uitnodiging voor het spreekuur van de verzekeringsarts op 2 november 2017 ten onrechte staat dat het gaat om een EZWb, en de al dan niet vergelijkbare WIA-beoordeling van verzoeksters zus, zijn een herhaling van de discussie die tot de uitspraak van 3 december 2025 heeft geleid. De Raad verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 4.7 van die uitspraak. De Raad heeft daarom geen reden gezien om leidinggevende Oosterveld van de arbeidsdeskundige van het Uwv op te roepen voor de zitting, zoals door verzoekster is verzocht. Conclusie en gevolgen 5.10. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 27 december 2024 in stand blijft. 6. Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoekster geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026. (getekend) E.W. Akkerman (getekend) B. Uçurum CRvB 3 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1765. CRvB 31 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3492. Zie de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3098.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354004 · 2026-09-17
