Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-06-2026 (BRE 25/3819)
1. Beroep niet tijdig beslissen. Procesbelang. Bezwaar is kennelijk-niet ontvankelijk verklaard. Was dit terecht? 2. Onterechte inhouding proceskosten vanwege grievende dan wel beledigende uitlatingen van de gemachtigde.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/3819 en BRE 25/227 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaken tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: [gemachtigde]), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college (gemachtigden: mr. J.I. Crum en mr. D.L. Wennink). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee zaken waarin eiser beroep heeft ingesteld. In de eerste zaak heeft eiser beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 18 oktober 2024 tegen de toekenning van een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Nadat eiser beroep heeft ingesteld, is door het college alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Eiser stelt dat er nog sprake is van een procesbelang. Daarnaast stelt eiser dat zijn bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt of sprake is van een procesbelang en of het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard. In de tweede zaak is beroep ingesteld, omdat het college wegens bijzondere omstandigheden een punt van de proceskostenvergoeding heeft ingehouden. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daartoe beroepsgronden ingediend. De rechtbank beoordeelt of terecht een punt is ingehouden. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er niet langer procesbelang is bij het beroep niet tijdig beslissen. Verder is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift van 18 oktober 2024 expliciet niet was gericht tegen de inhoud van het besluit en de daarna op 23 maart 2025 ingediende beroepsgronden eerder expliciet zijn prijsgegeven. Dit beroep is dus ongegrond. Het beroep dat ziet op de inhouding op de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat voldoende aanleiding bestond voor de inhouding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling door de rechtbank BRE 25/227 Feiten en omstandigheden 2. Op 8 april 2024 heeft eiser een verzoek tot inzage gedaan op grond van de AVG. Het college heeft eiser medegedeeld dat inzage niet kan worden verleend vanwege een lopend adresonderzoek. Eiser heeft het college op 9 juli 2024 in gebreke gesteld en het verzoek om inzage herhaald. Met het besluit van 19 september 2024 is het verzoek toegekend. Eiser heeft op 18 oktober 2024 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat het college een onjuiste aanvraagdatum heeft gehanteerd. Aan de hand van de aanvraagdatum in het besluit zou door het college tijdig zijn gereageerd op de aanvraag en zou het college geen dwangsom verschuldigd zijn vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Eiser heeft geen reactie ontvangen op zijn bezwaar, waarna hij het college op 15 december 2024 in gebreke heeft gesteld. Op 2 januari 2025 heeft hij vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. 2.1. In het bezwaar van 18 oktober 2024 heeft eiser opgemerkt dat met de toegekende inzage volledig tegemoet is gekomen aan het verzoek. Eiser heeft op 23 maart 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 19 september 2024. Daarin heeft hij aangevoerd dat de verstrekte informatie onvolledig is. Ook zou meer informatie zwart zijn gelakt dan op grond van artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming is toegestaan, is deze uitzonderingsgrond onvoldoende gemotiveerd en wordt niet voldaan aan de vereisten van deze uitzonderingsgrond. 2.2. Het college heeft het bezwaar op 5 augustus 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt dat het bezwaar van 18 oktober 2024 geen gronden bevat die zijn gericht tegen het besluit van 19 september 2024. Van een aanvullend bezwaar is geen sprake, nu deze buiten de bezwaartermijn is ingediend en in het bezwaar van 18 oktober 2024 expliciet wordt vermeld dat het besluit volledig tegemoetkomt aan het verzoek. 2.3. Eiser stelt in beroep nog een belang te hebben bij het voeren van de procedure, omdat nog aanspraak kan worden gemaakt op een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Daarnaast merkt eiser op dat het bezwaar ten onterechte niet- ontvankelijk is verklaard. Omdat eiser op 18 oktober 2024 tijdig bezwaar heeft gemaakt, hoeft een aanvullend bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn te worden ingediend. Het bezwaarschrift van 23 maart 2025 is dus niet te laat ingediend. Daarnaast is het onterecht dat eisers bezwaarschrift van 18 oktober 2024 niet langer wordt aangemerkt als bezwaar. Heeft eiser een belang bij het beroep niet tijdig beslissen? 3. Van een procesbelang is sprake als eiser nog een belang heeft bij de uitkomst van de aanhangige procedure. De vraag die hierbij beantwoord moet worden, is of het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is. 3.1. Voor zover eiser stelt dat hij belang heeft bij de beoordeling van het beroep omdat hij daarmee nog dwangsommen kan verbeuren wegens het niet tijdig beslissen, levert dat niet langer een procesbelang op. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is een middel om ervoor te zorgen dat een bestuursorgaan een besluit neemt op een verzoek of aanvraag. Omdat het college op 5 augustus 2025 een beslissing op bezwaar heeft genomen, is dat doel inmiddels bereikt. Uit de mogelijke aanspraak op die dwangsom kan daarom geen procesbelang worden afgeleid bij een oordeel over het al dan niet tijdig beslissen. Bovendien heeft het college, naast de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2025, ook een beslissing genomen op de ingebrekestelling die eiser heeft gestuurd op 15 december 2024. In dit besluit stelt het college vast dat de ingebrekestelling is verstuurd voordat de bezwaartermijn was verlopen. De ingebrekestelling was dus prematuur. Verder heeft eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Van een procesbelang is dus geen sprake. 3.2. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de uitkomst van deze procedure voor zover deze ziet op het beroep niet tijdig beslissen. Is het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard? 3.3. Eiser heeft op 18 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 september 2024. Hetgeen eiser heeft aangevoerd was gericht tegen de aanvraagdatum die door het college is gehanteerd bij de toekenning van inzage. De aangevoerde bezwaargrond ziet daarmee niet op de inhoud van het bestreden besluit en zou enkel kunnen leiden tot de vaststelling van de aanspraak op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Hierover is op 31 januari 2025 een apart besluit genomen, waartegen afzonderlijk bezwaar is gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het ingediende bezwaarschrift terecht niet als inhoudelijk bezwaar in de zin van de Awb heeft aangemerkt. 3.4. Het staat een partij weliswaar vrij nieuwe gronden aan te voeren, maar dat geldt niet ten aanzien van gronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust niet aan de orde zijn gesteld dan wel expliciet zijn prijsgegeven. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 18 oktober 2024 eerst expliciet vermeld dat het besluit van 19 september 2024 volledig tegemoetkomt aan de ingediende aanvraag en heeft dus geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd binnen de bezwaartermijn. Hierdoor is het niet mogelijk buiten de bezwaartermijn nog inhoudelijke gronden aan te voeren. Het college heeft het aanvullende bezwaarschrift van 23 maart 2025 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. 3.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. BRE 25/3819 Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Eiser heeft het college op 9 juli 2024 in gebreke gesteld, omdat er niet tijdig is gereageerd op het inzageverzoek van 8 april 2024. Met het besluit van 31 januari 2025 heeft het college beslist hiervoor geen dwangsom toe te kennen. Eiser heeft op 1 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. In de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2025 wordt het bezwaar gegrond verklaard en wordt alsnog een dwangsom toegekend. Hoewel een proceskostenvergoeding wordt toegekend, overweegt het college op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (hierna: het Besluit) geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor het bezwaarschrift, omdat de gemachtigde van eiser zich grievend en beledigend heeft uitgelaten in zijn bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting. Heeft het college een punt aan proceskosten mogen inhouden? 4.1. Artikel 2, lid 3, van het Besluit bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid van artikel 2 van het Besluit kan worden afgeweken. Dit derde artikellid biedt in het bijzonder mogelijkheden om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit voorziene tarieven. Hoewel de besluitgever hierbij als regel is uitgegaan van afwijking naar boven, heeft de besluitgever niet willen uitsluiten dat afwijking naar beneden plaatsvindt. Indien met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in afwijking van de bijlage bij dit besluit een lagere proceskostenvergoeding wordt vastgesteld, moet worden gemotiveerd welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de proceskostenvergoeding wordt beperkt. 4.2. Van een beroepsmatige rechtsbijstandverlener wordt bij het verrichten van proceshandelingen geacht dat deze zich professioneel opstelt. Uitlatingen die (zeer) grievend zijn en (zeer grove) beledigingen inhouden, passen niet bij deze opstelling. Het college baseert het verminderen van de proceskostenvergoeding op het ingediende aanvullende bezwaarschrift van 7 april 2025 en de houding van de gemachtigde tijdens de hoorzitting. De rechtbank heeft het bezwaarschrift en het verslag van de hoorzitting gelezen. Uit het verweerschrift leidt de rechtbank af dat niet alle uitlatingen van gemachtigde in het verslag van de hoorzitting zijn opgenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd niet concreet verteld welke beledigende en grievende uitlatingen de gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft gedaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat wat de gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft gezegd, hem niet kan worden tegengeworpen. Hoewel het taalgebruik van de gemachtigde in het bezwaarschrift minder passend is voor een professionele bijstandsverlener, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet dat zodanig grievend of beledigend dat op grond daarvan de verschuldigde proceskostenvergoeding kan worden verminderd. 4.3. Deze beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep met zaaknummer BRE 25/227 is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 5 augustus 2025 waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 5.1. Het beroep met zaaknummer BRE 25/3819 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin een punt aan proceskosten wordt ingehouden. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het college aanvullend een bedrag van € 666,00 aan proceskosten dient te betalen. 5.2. Omdat het beroep met zaaknummer BRE 25/3819 gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing Ten aanzien van zaaknummer BRE 25/227: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Ten aanzien van zaaknummer BRE 25/3819: De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 5 augustus 2025 voor zover daarin een punt aan proceskosten wordt ingehouden; voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat het college een aanvullende proceskostenvergoeding betaalt van € 666,00; bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 11 juni 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:7 De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. Artikel 6:9 Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. (..) Artikel 6:22 Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Besluit proceskosten bestuursrecht Artikel 2 1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief; b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd; indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken; c. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c: overeenkomstig een tarief dat € 49 [Red: per 1 januari 2026: € 55] per uur en € 1 per gereisde kilometer bedraagt; d. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d: overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003; e. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel e: overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9 en € 98 [Red: per 1 januari 2026: € 109] per uur bedraagt; f. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel f: op de werkelijke kosten, g. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel g: met overeenkomstige toepassing van het in de bijlage opgenomen tarief, met dien verstande dat slechts de helft van het aantal uit de bijlage voortvloeiende punten wordt toegekend. (..) In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2007:BA6367. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:5388. Zie ECLI:NL:CRVB:2024:793. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2023:829 en ECLI:NL:CRVB:2025:880. Nota van toelichting bij het Besluit van 22 december 1993, houdende nadere regels over de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Besluit proceskosten bestuursrecht), Stb. 1993, 763, blz. 10. Vgl. HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8952, rechtsoverweging 3.3.3, en HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2.