# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-09-2026 (BRE 26/2731)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:8543
- Date: 2026-09-04
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A8543
- Canonical: https://overview.legal/posts/354007

## Summary

verzet tegen onbevoegd

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/2731 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats], opposant , tegen de uitspraak van 3 juli 2026 in het geding tussen opposant en het Openbaar Ministerie, verweerder. Procesverloop 1. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 27 mei 2025 aan het Openbaar Ministerie. 1.1. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft (de bestuursrechter van) de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen. 1.2. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. 1.3. Het verzet is ter zitting behandeld in Breda op 28 augustus 2026. Hieraan heeft opposant deelgenomen. Verweerder is niet verschenen. Inleiding 2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft in de uitspraak van 3 juli 2026 overwogen dat het verzoek van opposant van 27 mei 2025 een verzoek is tot overdracht van gegevensverwerking t.b.v. beoordeling door de Procureur-Generaal (PG) van de Hoge Raad is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het overdrachtsverzoek van 27 mei 2025 niet tevens een inzageverzoek behelst. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het eventueel verstrekken van gegevens aan de PG een feitelijke handeling is, omdat dit niet is gericht op een rechtsgevolg. De rechtbank heeft zich gelet hierop kennelijk onbevoegd verklaard. 2.1. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is. 2.2. In de uitnodiging voor de zitting is vermeld dat partijen ervoor moeten zorgen dat gedingstukken uiterlijk de elfde dag voor de zitting in bezit van de rechtbank zijn. De rechtbank heeft op 25 augustus 2026 nieuwe stukken van verweerder ontvangen. Deze stukken zijn te laat ingediend. De rechtbank heeft op de zitting beslist dat deze wegens strijd met de goede procesorde niet worden toegevoegd aan het procesdossier. Beoordeling van het verzet Is er sprake van een inzageverzoek? 3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er een schriftelijke en uitdrukkelijke kwalificatievraag tot uiting is gekomen die zonder inhoudelijke weerlegging bezwaarlijk als kennelijk kan worden afgehandeld. Opposant stelt dat het verzoek van 27 mei 2025 een inzageverzoek behelst. Ter zitting benadrukt opposant dat het verzoek moet worden gezien als twee aparte componenten. Namelijk een beroep op inzagerechten met vervolgens het verzoek om de gegevens rechtstreeks naar de PG te sturen. Opposant legt uit dat hij dit heeft verzocht om te voorkomen dat hem in een andere procedure wordt tegengeworpen dat de gegevens met zijn tussenkomst zijn ingediend. Hij verwijst naar de in het verzoek genoemde wetsbepalingen en stelt dat die maken dat het verzoek ook als inzageverzoek moet worden gelezen. 3.1. Zoals opposant ter onderbouwing heeft aangevoerd, dienen brieven van een burger aan een bestuursorgaan naar hun strekking worden beoordeeld. In de gehele tekst van het verzoek van 27 mei 2025 valt echter niet te lezen dat opposant beoogde ook zelf (rechtstreeks) inzage te krijgen in de “gegevensverwerking” die hij heeft omschreven. Dat opposant in het verzoek ook een verwijzing heeft opgenomen naar verschillende wetsartikelen die de grondslag zouden kunnen zijn voor een inzageverzoek, maakt echter niet dat verweerder het verzoek ondanks de duidelijke strekking van de tekst van het verzoek tevens moest begrijpen als een verzoek om inzage, zoals door opposant in zijn verzet en ter zitting wordt betoogd. 3.2. Gelet op het voorgaande is het verzet ongegrond. Dat de rechtbank in de bestreden uitspraak zonder zitting, dus zonder opposant over de strekking van zijn verzoek te horen tot het oordeel is gekomen dat de rechtbank niet bevoegd is, levert, anders dan opposant betoogt, geen strijd met artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) op. 3.3. De overige gronden die opposant ook in verzet heeft aangevoerd, komt de rechtbank niet toe omdat daarvoor nodig is dat de rechtbank ook bevoegd is om over het inhoudelijke geschil (en bijgevolg over het beroep niet tijdig te beslissen) te oordelen. 3.4. De rechtbank kan thans niet oordelen over de vraag of niet tijdig is beslist of, wanneer wel is beslist op eventuele andere verzoeken waarbij opposant wel duidelijk heeft gemaakt dat hij inzage wenst omdat een dergelijk beroep niet voorligt. Conclusie en gevolgen 4. Het verzet is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 3 juli 2026. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 4 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Met opposant wordt de indiener van het verzetschrift bedoeld. Bijvoorbeeld CRvB 8 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1049, en CRvB 10 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1837.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354007 · 2026-09-17
