Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-09-2026 (BRE 25/3948)
Afwijzing aanvraag ZW-uitkering. Eiser is geschikt voor eigen arbeid.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3948 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag voor een ZW-uitkering terecht heeft afgewezen . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de ZW. Het UWV heeft met het besluit van 3 maart 2025 (het primaire besluit) bepaald dat eiser per 31 augustus 2022 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 2.1. Met het besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een aanvullende reactie op het verweerschrift ingediend en aanvullende medische informatie van zijn psycholoog overgelegd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het UWV mevrouw [persoon] . Beoordeling door de rechtbank Feiten 3. Eiser is van 1 december 2020 tot en met 30 september 2022 werkzaam geweest als tekenaar bij [bedrijf 1] B.V. Hij heeft van 1 oktober 2022 tot en met 31 maart 2023 een WW-uitkering van het UWV ontvangen. Daarna is eiser vanaf 1 april 2023 werkzaam geweest als tekenaar bij [bedrijf 2] . Het dienstverband is vervolgens met een vaststellingsovereenkomst beëindigd op 31 januari 2024. Eiser heeft van 1 februari 2024 tot 1 februari 2025 een WW-uitkering van het UWV ontvangen. Op 13 oktober 2024 heeft hij zich vanuit de WW met terugwerkende kracht per 31 augustus 2022 ziekgemeld en een ZW-uitkering aangevraagd (ziekmelding). 3.1. In het kader van deze ziekmelding heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De primaire arts, wiens oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiser op 29 januari 2025 op het spreekuur gezien. Volgens de arts kan geconcludeerd worden dat er voor de datum van ziekmelding al sprake was van stemmingsklachten, welke in stand werden gehouden door externe factoren . De arts concludeert in de rapportage van 28 februari 2025 dat eiser met zijn klachten heeft kunnen functioneren en dat eiser per datum in geding geschikt is zijn arbeid te verrichten. 3.2. Daarnaast heeft eiser op 8 maart 2025 een aanvraag ingediend voor herleving van de WW-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 11 maart 2025 afgewezen. Eiser heeft tegen beide besluiten op 12 maart 2025 bezwaar gemaakt. Ter zitting heeft het UWV bevestigd dat er separaat nog een beslissing op het bezwaar gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor de WW-uitkering zal moeten worden genomen. 3.3. Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) opnieuw naar de zaak gekeken. In de rapportage van 26 juni 2025 concludeert de verzekeringsarts b&b eveneens dat eiser per datum in geding geschikt is voor zijn eigen werk. Het standpunt van het UWV 4. Het UWV stelt zich op basis van de rapportage van de verzekeringsarts b&b op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij zijn arbeid kan verrichten. Eiser kan alleen een ZW-uitkering krijgen als hij niet zijn eigen arbeid kan verrichten. Het standpunt van eiser 5. Eiser voert aan dat hij medische problematiek ervaart, waaronder chronisch psychisch trauma, suïcidale gedachten en existentiële uitputting. Eiser betwist dat hij per 31 augustus 2022 geschikt was voor zijn arbeid. Daartoe voert hij aan dat de medische rapportage van de verzekeringsarts b&b onzorgvuldigheden bevat. Dat iemand feitelijk werk verricht onder druk of overlevingsdrang, betekent nog niet dat hij arbeidsgeschikt is. Het UWV heeft dit volgens eiser onvoldoende meegewogen. De dieperliggende oorzaak van de klachten is inmiddels erkend door diverse instanties zoals de Onderwijsinspectie en de Tweede Kamer en het UWV heeft dit volgens eiser onvoldoende meegewogen. Eiser heeft in beroep de eindrapportage van [bedrijf 3] van 11 december 2025 ingebracht, dat niet eerder bij de besluitvorming is betrokken. Hieruit blijkt volgens eiser dat sprake is van structurele psychische ontregeling. Deze informatie is niet of onvoldoende betrokken bij de medische beoordeling door het UWV. Eiser heeft door de afwijzing van de ZW-uitkering sinds 2022 geen stabiel inkomen en dit leidt tot structurele financiële druk en verdere ontwrichting. Het UWV heeft de voormalige werkgever van eiser bij de beoordeling van de ZW-aanvraag betrokken en inzage gegeven in vertrouwelijke medische gegevens, terwijl de voormalige werkgever medeverantwoordelijk is voor de psychische klachten. Eiser beroept zich vanwege deze privacyschending op artikel 8 van het EVRM. Toetsingskader 6. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid van de ZW heeft een verzekerde recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. 6.1. Het UWV mag zich bij de beoordeling van de (on)geschiktheid van een verzekerde tot het verrichten van zijn arbeid baseren op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) als deze voldoen aan de eisen die in de rechtspraak zijn geformuleerd. Zo moeten de rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen, mogen deze geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Als de rapporten aan deze eisen voldoen en eiser het niet eens is met de inhoud van een rapport, moet hij een gestelde onjuistheid aannemelijk maken, bijvoorbeeld door medische stukken te overleggen waaruit dit blijkt. Oordeel van de rechtbank Was het medisch onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig? 7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. De samenhang tussen slaapproblemen, gebrek aan sociale omgeving en eisers psychische gesteldheid wordt genegeerd of gemarginaliseerd. Volgens eiser worden cruciale details uitgelicht, verdraaid of niet meegenomen en is de ernst van zijn klachten in het rapport gebagatelliseerd. 7.1. De rechtbank stelt vast dat, omdat eiser pas op 13 oktober 2024 zijn aanvraag heeft gedaan, het UWV meer dan twee jaar terugkijkend heeft moeten beoordelen of eiser in staat was op 31 augustus 2022 de maatgevende arbeid te verrichten. Dit betekent dat voor zover er enige onzekerheid resteert over de medische beperkingen van eiser rond de datum in geding deze voor risico van eiser moeten blijven. 7.2. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen psychisch onderzoek door de primaire arts tijdens het spreekuur van 29 januari 2025, het gestelde in het bezwaarschrift en tijdens het door de verzekeringsarts b&b uitgevoerde medisch onderzoek op het spreekuur van 28 mei 2025 en alle tot dan toe beschikbare medische informatie afkomstig van de behandelend huisarts en psycholoog. 7.3. Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd in het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de ernst van de klachten. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt namelijk dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de psychische problematiek en vermoeidheidsklachten. Niet gebleken is dat het UWV een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser op 31 augustus 2022. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat, zonder de klachten van eiser te bagatelliseren, in de wettelijke systematiek niet de door eiser subjectief ervaren klachten maatgevend zijn, maar de beperkingen voor arbeid die het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken zijn. 7.4. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat eiser geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten. De rechtbank ziet in de informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van de arts en verzekeringsarts b&b. De eindrapportage van de psycholoog van 11 december 2025 komt overeen met de reeds bekende intakerapportage van dezelfde psycholoog van 1 april 2025. De verzekeringsarts b&b heeft de inhoud daarvan dan ook al meegenomen in de beoordeling. Bovendien bevat de eindrapportage geen specifieke informatie over de periode rond de datum in geding. 7.5. Het gestelde dat de dieperliggende oorzaak van eisers klachten inmiddels is erkend door diverse instanties zoals de Onderwijsinspectie en de Tweede Kamer, leidt naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot de conclusie dat eiser ongeschikt is voor zijn arbeid. Voor de beoordeling van een ZW-aanvraag is niet zozeer de diagnose dan wel oorzaak van belang, maar de beperkingen die voortvloeien uit een ziekte of gebrek. De genoemde instanties zijn niet in staat om de functionele mogelijkheden van eiser te beoordelen. 7.6. De rechtbank concludeert dat alle medische gegevens op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling. De rapportages van de verzekeringsartsen bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien logisch voort uit de onderzoeksbevindingen. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel. Heeft het UWV terecht geconcludeerd dat eiser geschikt is voor eigen arbeid? 8. Eiser stelt dat hij met zijn klachten heeft doorgewerkt, terwijl hij niet geschikt was. Volgens eiser betekent dat iemand feitelijk werk verricht, niet dat iemand arbeidsgeschikt is. Het UWV hanteert volgens eiser een te algemene redenering en past hiermee het juridisch kader over de geschiktheid voor eigen arbeid onjuist toe. 8.1. De rechtbank overweegt dat de ongeschiktheid om te werken een rechtstreeks gevolg moet zijn van ziekte of gebreken en dat dit medisch objectief moet kunnen worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen in dit geval voldoende gemotiveerd waarom eiser geschikt is voor zijn eigen werk. Daartoe acht de rechtbank van belang dat voor de datum van ziekmelding al sprake was van stemmingsklachten. Eiser volgde behandeling hiervoor en uit de rapportages blijkt dat eiser ook met deze klachten heeft kunnen werken. De stelling dat eiser heeft doorgewerkt ondanks dat hij daartoe mentaal niet in staat was, is niet met medisch objectiveerbare informatie onderbouwd. Er zijn geen gegevens beschikbaar waaruit blijkt dat eiser op medisch objectiveerbare gronden tot schade van zijn gezondheid heeft gewerkt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser het moeilijk heeft gevonden om het werk vol te houden, is eisers subjectieve klachtbeleving onvoldoende om de conclusie van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Het UWV heeft eiser dan ook terecht met ingang van 31 augustus 2022 in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Is het evenredigheidsbeginsel geschonden? 9. Eiser voert aan dat hij door de afwijzing van de ZW-uitkering sinds 2022 geen stabiel inkomen heeft en dat dit leidt tot structurele financiële druk en verdere ontwrichting. Eiser voert eveneens aan dat het UWV maatwerk had moeten toepassen. Eiser doet hiermee een beroep op het evenredigheidsbeginsel. 9.1. In artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan de bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en dat nadelige gevolgen van een belanghebbende niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 9.2. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit zijn grondslag vindt in een gebonden bevoegdheid in een wet in formele zin. Dit betekent dat voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel vereist is dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom het bestreden besluit in zijn geval onevenredig uitvalt. De enkele stelling van eiser dat verschillende externe factoren zijn leven ontwrichten en dat hij sinds 2022 geen stabiel inkomen heeft, maakt niet dat het bestreden besluit onevenredig is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Kan eiser een beroep doen op artikel 8 van het EVRM? 10. Het UWV heeft de voormalig werkgever van eiser in de bezwaarfase inzage gegeven in vertrouwelijke medische gegevens en eiser betoogt dat dit in strijd is met het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 10.1. De stelling van eiser dat het UWV met het delen van de medische informatie met de gemachtigde van de voormalig werkgever een inbreuk heeft gemaakt op het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op respect voor het privéleven, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. Een (voormalig) werkgever wordt betrokken bij de procedure in het kader van de ZW vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het doorbetalen van loon tijdens ziekte van een medewerker. De rechtbank overweegt dat alleen de gemachtigde van de voormalig werkgever van eiser namens de werkgever van het UWV inzage heeft gekregen in de medische stukken van eiser. De gemachtigde van de werkgever heeft daarbij een geheimhoudingsplicht als het gaat om de medische stukken tegenover de werkgever. De voormalig werkgever heeft dan ook, anders dan eiser stelt, door het UWV geen inzage gehad in de medische informatie. Het beroep op artikel 8 van het EVRM kan gelet hierop niet slagen. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de aanvraag voor een ZW-uitkering per 31 augustus 2022 in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 1 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2248. Zie de uitspraak van de CRvB van 2 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:864, r.o. 4.5 en van 22 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1827. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3033. Zie de uitspraak van de CRvB van 27 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:471.