Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:8544 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-09-2026 (BRE 25/3841)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Parkeerbelasting

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/3841 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 augustus 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 26 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Feiten 2. Op 23 juli 2025 omstreeks 10:10 uur stond de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken] , stil op een parkeerplek aan de [weg] in [plaats] . 2.1. Tijdens een controle door een scanauto op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat geen parkeerbelasting is voldaan. 2.2. Naar aanleiding van de in 2.1 genoemde constatering, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 49,93, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,00 en € 48,93 aan kosten van de naheffingsaanslag. Beoordeling door de rechtbank De behandeling van het bezwaar 3. Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van een onafhankelijke behandeling van zijn bezwaar. Daarbij wijst hij erop dat [B.V.] ( [B.V.] ) zowel betrokken is bij het opleggen van de naheffingsaanslagen als bij de behandeling van de daartegen gemaakte bezwaren. Volgens belanghebbende heeft [B.V.] er belang bij dat zoveel mogelijk naheffingsaanslagen worden opgelegd en in bezwaar in stand blijven, omdat de gemeente [B.V.] voor haar werkzaamheden betaalt. Ook de gemeente heeft daar volgens belanghebbende financieel belang bij, omdat de opbrengsten van de naheffingsaanslagen in de gemeentekas vloeien. Verder betwijfelt belanghebbende of zijn bezwaar daadwerkelijk door een medewerker is beoordeeld. Hij wijst daarbij op de titel van de uitspraak op bezwaar ‘ [titel] ’. Uit deze titel blijkt volgens belanghebbende dat sprake is van een volledig geautomatiseerd proces waarbij geen menselijke beoordeling plaatsvindt. Volgens belanghebbende is een dergelijke geautomatiseerde afhandeling bovendien in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat [B.V.] zowel betrokken is bij het opleggen van de naheffingsaanslag als bij de behandeling van het bezwaar daartegen, op zichzelf niet de conclusie dragen dat geen behoorlijke heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden. Uit het toepasselijke mandaatbesluit volgt dat aan [B.V.] mandaat is verleend voor zowel het opleggen van naheffingsaanslagen als het beslissen op bezwaren daartegen. Van belang is dat de persoon die de naheffingsaanslag krachtens mandaat heeft opgelegd, niet ook op het bezwaar daartegen mag beslissen. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de naheffingsaanslagen worden opgelegd door parkeercontroleurs en de bezwaren door andere medewerkers van [B.V.] worden behandeld. De naheffingsaanslagen worden dus door andere personen opgelegd dan degenen die op de bezwaren daartegen beslissen. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat dat in dit geval anders is geweest. 3.2. Ook de door belanghebbende gestelde financiële prikkel voor [B.V.] en de gemeente biedt geen grond voor de conclusie dat geen behoorlijke heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat [B.V.] een vaste vergoeding ontvangt, ongeacht het aantal opgelegde of in stand gelaten naheffingsaanslagen. Dat de opbrengst van een gemeentelijke belasting aan de gemeente toekomt, spreekt voor zich en biedt zonder bijkomende omstandigheden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bezwaar niet behoorlijk is heroverwogen. 3.3. Verder heeft de heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat alle bezwaren door een medewerker worden gelezen en beoordeeld. De door belanghebbende genoemde titel van de uitspraak is voor de rechtbank onvoldoende om daaraan te twijfelen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bezwaar niet geautomatiseerd is afgedaan. Het is verder toegestaan dat in de uitspraak op bezwaar (gedeeltelijk) gebruik wordt gemaakt van standaardtekstblokken. Het beroep op de AVG behoeft reeds daarom geen bespreking. De naheffingsaanslag parkeerbelasting 3.4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan hem is opgelegd. Hij voert aan dat hij zijn voertuig al op 22 juli 2025 via zijn parkeerapp had aangemeld en ervan uitging dat de parkeeractie de volgende dag automatisch zou doorlopen. Volgens belanghebbende werkte dit voorheen altijd zo: na afloop van een periode van 24 uur werd automatisch een nieuwe parkeeractie gestart. Deze werkwijze is volgens hem gewijzigd zonder dat hij daarvan op de hoogte was. Toen hij op 23 juli 2025 constateerde dat de parkeeractie was beëindigd, heeft hij een nieuwe parkeeractie gestart. Verder wijst belanghebbende erop dat op de website van [B.V.] staat vermeld dat op [weg] met één ticket maximaal 21 dagen kan worden geparkeerd. Volgens hem mocht hij er daarom van uitgaan dat hij gedurende die periode kon blijven parkeren zonder telkens een nieuwe parkeeractie te starten. 3.5. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 23 juli 2025 om 10:10 uur geparkeerd stond op een plaats waar parkeerbelasting verschuldigd was en dat op dat moment voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Dat belanghebbende ervan uitging dat zijn parkeeractie automatisch zou doorlopen, maakt dat niet anders. Het is de verantwoordelijkheid van de parkeerder om ervoor te zorgen dat gedurende het parkeren aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Dat een parkeerapp een parkeeractie voorheen mogelijk automatisch verlengde, brengt niet mee dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat dit steeds zo zou blijven. Daarbij komt dat de werking van de parkeerapp niet onder de verantwoordelijkheid van de heffingsambtenaar valt. 3.6. Ook de verwijzing van belanghebbende naar de informatie op de website van [B.V.] over een maximale parkeerduur van 21 dagen leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De informatie op de webpagina waarnaar belanghebbende verwijst heeft betrekking op [parkeergarage] , die via een slagboom toegankelijk is en waar pas bij het verlaten van het terrein parkeerbelasting moet worden voldaan. Vast staat dat belanghebbende daar niet stond geparkeerd. De door belanghebbende aangehaald informatie is daarom niet op zijn parkeersituatie van toepassing. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Mandaatbesluit heffing, inning en invordering naheffingsaanslagen gemeente Tilburg van 27 juni 2024, nr. 280243. Artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).