Skip to content
Case Law · Raad van State ·ECLI:NL:RVS:2026:5494 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Raad van State, 16-09-2026 (202302891/1/A3)

Raad van State
Summary

Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft de ministervan Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties een verzoek van [appellant] op grond van de Wet inlichtingen en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv) deels ingewilligd. [appellant] heeft verzocht om een afschrift van een advies met betrekking tot proactieve vervolging van leden van de Nederlandse politiek activistische Beweging (‘Bewegers’) en van alle documenten die zien op de totstandkoming van dit advies en documenten over wat er met dit advies is gebeurd. Met het besluit van 21 oktober 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] ingewilligd, voor zover het gaat om gegevens die voor de werkwijze van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) niet meer actueel zijn. Het overige deel, de gegevens over de actuele werkwijze AIVD en persoonsgegevens van derden, heeft de minister geweigerd. Met het besluit van 26 januari 2022 heeft de minister alsnog inzage gegeven in delen van een van de documenten, omdat hij de weigeringsgrond dat de informatie gaat over actuele werkwijzen te ruim heeft toegepast. De minister heeft zijn standpunt dat hij geen mededelingen kan doen over het actuele kennisniveau over de Bewegers van de AIVD gehandhaafd.

Full text

Datum uitspraak: 16 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2023 in zaak nr. 22/1432 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Procesverloop Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft de minister een verzoek van [appellant] op grond van de Wet inlichtingen en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv) deels ingewilligd. Bij besluit van 26 januari 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en alsnog inzage gegeven in delen van een document. Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en de Afdeling verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. [appellant] heeft de Afdeling toestemming gegeven om deze stukken bij haar oordeel te betrekken. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.C. van der Linden, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] heeft verzocht om een afschrift van een advies met betrekking tot proactieve vervolging van leden van de Nederlandse politiek activistische Beweging (‘Bewegers’) en van alle documenten die zien op de totstandkoming van dit advies en documenten over wat er met dit advies is gebeurd. Met het besluit van 21 oktober 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant] ingewilligd, voor zover het gaat om gegevens die voor de werkwijze van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) niet meer actueel zijn. Het overige deel, de gegevens over de actuele werkwijze AIVD en persoonsgegevens van derden, heeft de minister geweigerd. Met het besluit van 26 januari 2022 heeft de minister alsnog inzage gegeven in delen van een van de documenten, omdat hij de weigeringsgrond dat de informatie gaat over actuele werkwijzen te ruim heeft toegepast. De minister heeft zijn standpunt dat hij geen mededelingen kan doen over het actuele kennisniveau over de Bewegers van de AIVD gehandhaafd. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het verzoek van [appellant] mede ziet op een actueel onderwerp en daarom terecht geen antwoord heeft gegeven op de vraag of er actuele gegevens over de Bewegers bij de AIVD zijn. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de geweigerde informatie gaat over een actuele werkwijze. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat [appellant] in zijn procespositie is geschaad. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een deel van de geweigerde informatie persoonsgegevens betreffen. Tot slot heeft de rechtbank de mededeling van de minister dat er niet meer documenten over de Bewegers zijn niet ongeloofwaardig geacht en geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer informatie aanwezig zou moeten zijn. Moet de minister motiveren of er actuele gegevens zijn? 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister geen antwoord hoefde te geven op de vraag of er actuele gegevens over de Bewegers bij de AIVD zijn. Hij voert daartoe aan dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wiv volgt dat de minister voor besluiten op verzoeken om inzage in gegevens over een bestuurlijke aangelegenheid een op het verzoek toegesneden deugdelijke motivering moet geven. Volstaan met de weigering om überhaupt mededeling te doen over het bestaan van informatie is niet te zien als een deugdelijke motivering. Ook heeft de minister niet voldoende gemotiveerd waarom het verzoek mede ziet op een actueel onderwerp. Dat in het jaarverslag van 2020 van de AIVD is vermeld dat het publiceren van adresgegevens (doxen) van politieagenten door groepjes en eenlingen nog steeds gebeurt, is niet te vergelijken met de wijze waarop de Bewegers namen en adressen van enkele politieambtenaren publiceerden. Tot slot voert [appellant] aan dat de minister ten onrechte niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hier gaat om actuele informatie, aldus [appellant]. 3.1. De Afdeling stelt voorop dat een organisatie als de AIVD zijn wettelijke taak, zoals neergelegd in artikel 8 van de Wiv, uitsluitend met een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitvoeren. Dit betekent dat de AIVD zijn bronnen, actuele werkwijze en actuele kennisniveau geheim moet kunnen houden om de veiligheid van de daarbij betrokken personen en de veiligheid van de Staat te kunnen waarborgen en onderzoeken niet in gevaar te brengen. Op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv mogen dan ook geen gegevens worden verstrekt voor zover de nationale veiligheid daardoor zou kunnen worden geschaad. 3.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 55 (nu: artikel 84) van de Wiv volgt dat in gevallen waarin met een beroep op die bepaling kennisneming wordt geweigerd, het besluit een op de aanvraag toegesneden deugdelijke motivering dient te bevatten (Kamerstukken II 1997/1998, 25 877, nr. 3 , p. 71). 3.3. In dit geval heeft de minister zich alleen voor de vraag of er actuele gegevens over de Bewegers zijn op het standpunt gesteld dat hij daarover geen mededelingen kan doen. De Afdeling is van oordeel dat de minister dit terecht heeft gedaan. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van hoofdstuk 5 van de Wiv (Kamerstukken II 1997-1998, 25877, nr. 3, p. 68) volgt dat het bij het actuele kennisniveau gaat om bij de AIVD aanwezige kennis over actuele bedreigingen van de veiligheid van de Staat. Wetenschap hiervan kan worden gebruikt om dreigende aantastingen van de staatsveiligheid voor de AIVD verborgen te houden. Het enkele gegeven of informatie over een persoon, organisatie of onderwerp binnen een actuele context al dan niet bij de AIVD bekend is, kan in de hiervoor bedoelde zin worden misbruikt. Als de AIVD zijn actuele kennisniveau hierover bekendmaakt, kan dat door betrokkenen worden gebruikt om onderzoeken van de AIVD tegen te werken. De algemene mededeling of de AIVD al dan niet gegevens over een persoon of een bepaald onderwerp heeft vastgelegd, kan dus met het oog op het belang van het actuele kennisniveau geheim te houden, niet worden gedaan. De minister hoeft om diezelfde reden niet aannemelijk te maken dat het onderwerp nog actueel is. De Afdeling volgt hiermee haar eerdere uitspraken, onder andere de uitspraak van 14 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO1630. 3.4. Het betoog slaagt niet. Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij informatie heeft geweigerd? 4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de geweigerde informatie gaat over een actuele werkwijze. Volgens [appellant] is de motivering van de minister te algemeen. Bovendien heeft de minister volgens [appellant] deze weigeringsgrond te ruim toegepast. Uit de wel openbaar gemaakte delen is af te leiden dat de minister ook niet-actuele informatie heeft geweigerd, aldus [appellant]. 4.1. De minister heeft toegelicht dat de geweigerde informatie gaat over verbeterpunten in het operationele handelen en de beveiligingsmaatregelen van de BVD. Volgens de minister is uit de in bezwaar verstrekte kopteksten en inleidende zinnen van deel II van document CO21443080 op te maken dat de geweigerde delen betrekking hebben op gegevens over de opleiding van operateurs, privacybescherming van operateurs, locaties van Politie Inlichtingendiensten en safehouses, het benaderen en runnen van informanten en de beveiliging van operaties. Ook heeft de minister het standpunt ingenomen dat de verbeterpunten nu nog steeds de actuele werkwijze vormen bij contra-inlichtingenoperaties. 4.2. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken en ziet daarin geen aanknopingspunten om te oordelen dat de minister ook inzage in oude, niet meer in gebruik zijnde werkwijzen heeft geweigerd. Met de stelling dat een document uit 1991 geen actuele te beschermen werkwijze kan bevatten, heeft [appellant] het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is terecht tot die conclusie gekomen. 4.3. Het betoog slaagt niet. Is er meer informatie? 5. Tot slot betoogt [appellant] dat er informatie ontbreekt. Hij voert daartoe aan dat zijn verzoek gaat over proactieve vervolging van de Bewegers en dat in de openbaar gemaakte delen het geen enkele keer over proactieve vervolging gaat. De term proactieve vervolging heeft [appellant] uit een agendapunt van het managementteam van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), wat nu de AIVD is. Het is ongeloofwaardig dat er niet meer documenten zijn over het onderwerp. Ook voert [appellant] aan dat de minister niet goed heeft gezocht naar documenten over dit onderwerp. Het feit dat de minister alleen heeft gezocht in de historische archieven en niet in de actuele archieven maakt al dat de zoekslag te beperkt is geweest. Daarnaast is alleen gezocht op de term Bewegers en niet op namen van bekende Bewegers. De minister had de zoekslag dan ook moet uitbreiden naar de namen van deze personen, aldus [appellant]. 5.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, die gegevens toch onder het bestuursorgaan berusten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:176). De geloofwaardigheid van de mededeling dat er niet meer gegevens zijn, hangt af van hoe grondig er gezocht is naar relevante gegevens. Het is in een dergelijk geval aan de minister om te motiveren dat op elke redelijkerwijs mogelijke manier in het archief is gezocht (uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:292). De plicht die ingevolge de Wiv op de minister rust om te zoeken naar de gegevens waar de aanvraag betrekking op heeft, strekt niet zo ver dat de minister gehouden is om alle willekeurige bij de AIVD aanwezige gegevens te onderzoeken op relevantie. Wel is de minister gehouden om concreet door de aanvrager aangedragen aanknopingspunten dat gegevens toch onder hem berusten bij de aanvraag te betrekken (vergelijk uitspraak van de Afdeling van 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3265). 5.2. De minister heeft in het besluit van 26 januari 2022 toegelicht dat hij archiefonderzoek heeft verricht, waarna een inzagedossier van 37 pagina’s is verstrekt. Naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] heeft de minister aanvullend archiefonderzoek gedaan. Daarbij heeft de minister specifiek aandacht besteed aan het vermoeden van [appellant] dat er documenten zouden moeten bestaan over de vervolging van de Bewegers. Dit heeft niet geleid tot het aantreffen van meer documenten. 5.3. De Afdeling heeft kennis genomen van de documenten die onder de reikwijdte van het verzoek van [appellant] vallen. Het standpunt van de minister dat bij de AIVD geen andere stukken aanwezig zijn dan in dit geding naar de rechtbank en de Afdeling toegezonden, komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks de toelichting van de minister, bij de AIVD toch meer stukken aanwezig zijn die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Het enkele feit dat de term vervolging in de naam van het agendapunt staat, is niet voldoende om de volledigheid van het archiefonderzoek in twijfel te trekken. Immers, de minister heeft in bezwaar en in beroep er al op gewezen dat uit de inhoud van wel verstrekte documenten volgt dat de BVD in 1991 ervoor heeft gekozen om haar eigen operationeel handelen verder te professionaliseren en haar operationele beveiligingsmaatregelen te verbeteren, in plaats van de Bewegers te frustreren of hun activiteiten te verstoren. De rechtbank is gelet hierop terecht tot deze conclusie gekomen. 5.4. Het betoog slaagt niet. Slotsom 6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 7. Ook verzoekt [appellant] op grond van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden om een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. 7.1. In zaken als deze, die uit twee rechterlijke instanties bestaan, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als de totale duur van de procedure langer dan vier jaar heeft geduurd. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De minister heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 2 december 2021. Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn is overschreden met negen maanden en twee weken. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de Afdeling. 7.2. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. 8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. 9. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) om aan H. van [appellant] een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier. w.g. Borman voorzitter w.g. Soetens griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026 1072 BIJLAGE Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten 2017 Artikel 80 1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager. […] Artikel 84 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 80 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft: […] b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden; […] 2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen: […] e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; […]