Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (C/13/791580/KG ZA 26-670)
kort geding; registratie van (persoons)gegevens in registers ivm hypotheekfraude is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd.
Full text
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/791580 / KG ZA 26-670 MJ/BB Vonnis in kort geding van 9 september 2026 in de zaak van 1 ASSURANTIE- EN ADVIESBURO K. EN R. B.V., te Waalwijk, 2. [eiser 2] , te [woonplaats 1] , 3. [eiser 3] , te [woonplaats 2] , eisende partijen bij dagvaarding van 14 augustus 2026, hierna samen te noemen [eisers] en afzonderlijk te noemen K&R, [eiser 2] en [eiser 3] , advocaten: mr. B.J. van Schijndel en mr. D.B. Dubach, tegen ING BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ING, advocaten: mr. M.E.G. Murris en mr. M.A.A. van Achterberg. 1 De procedure Op de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026 hebben [eisers] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft mede aan de hand van een van te voren ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. De door ING te laat (niet binnen 24 uur voor de zitting) ingediende producties 25 tot en met 28 zijn buiten beschouwing gelaten, omdat [eisers] met toelating van die producties in hun belangen zouden worden geschaad. Ter zitting waren aanwezig: aan de kant van [eisers] : [eiser 2] en [eiser 3] met mr. Van Schijndel en mr. Dubach; aan de kant van ING: [naam 1] en twee bedrijfsjuristen met mr. Murris en mr. Achterberg. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eisers] exploiteren een assurantie- en advieskantoor dat zich richt op advisering en bemiddeling op het gebied van hypotheken, verzekeringen en aanverwante financiële producten. Zij hebben hun activiteiten in de dagvaarding als volgt omschreven: ‘In het kader van hun hypotheekadviespraktijk begeleiden [eisers] cliënten bij het verkrijgen van financieringen. Tot hun werkzaamheden behoort onder meer het inventariseren van de financiële positie van cliënten, het verzamelen van relevante stukken en het begeleiden van de aanvraag richting geldverstrekkers.’ 2.2. [eisers] hebben bij ING gebankierd. 2.3. Bij brief van 26 november 2025 heeft ING de bancaire relaties met [eisers] beëindigd en aangekondigd dat hun (persoons)gegevens voor de duur van 8 jaar zullen worden opgenomen in het Intern Verwijzingsregister van ING (IVR), in het Incidentenregister (IR) en Externe Verwijzingsregister (EVR) en het register Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH-register). In de brief is onder meer het volgende opgenomen: ‘ Valse jaarcijfers ING heeft naar aanleiding van signalen een onderzoek uitgevoerd naar de hypotheekporteuille van Plein Hypotheken B.V. waar cliënten ( [eisers] , vzr.) een samenwerking mee hebben afgesloten. Uit dit onderzoek zijn een aantal hypotheekaanvragen naar voren gekomen waarbij sprake is van valse inkomensgegevens (aangifte inkomstenbelasting en jaarrekeningen, hierna: jaarcijfers). Deze jaarcijfers tonen hogere inkomens dan de inkomens die de hypotheekaanvragers in werkelijkheid hebben genoten. De jaarcijfers zijn opgesteld door een administratiekantoor dat niet het daadwerkelijke administratiekantoor van de aanvragers is; sterker nog de aanvragers kennen dit administratiekantoor niet. De aanvragers hebben aan ING verklaard dat de hypotheekaanvraag is verzorgd door cliënten en dat cliënten valse jaarcijfers hebben opgesteld, welke aan ING zijn geleverd bij de hypotheekaanvragen. De aanvragers hebben aan ING getoond dat zij hun werkelijke jaarcijfers van hun eigen boekhouders aan cliënten hebben verstrekt. Vervolgens heeft ING van Plein Hypotheken B.V. bij de hypotheekaanvragen valse jaarcijfers ontvangen, welke opgesteld zijn door Kantoor De Looierij. Dit wijst erop dat cliënten, mogelijk in samenwerking met de heer [naam 2] [functie] van Plein hypotheken B.V. en Kantoor De Looierij, valse jaarcijfers hebben opgesteld ten behoeve van hypotheekaanvragen, waarbij de aanvragers op basis van hun werkelijke inkomensgegevens de hypotheek niet konden verkrijgen. Volgens verklaringen van enkele aanvragers zouden cliënten hen hebben meegedeeld, nadat ING hen had verzocht aanvullende informatie te leveren, dat de jaarcijfers die zij in bezit hebben niet overeen komen met de jaarcijfers die ING in bezit heeft. Ook zou cliënten een aanvrager in ernstige mate hebben bedreigd. Volgens de aanvrager hebben cliënten hem op gewezen op geen enkel wijze contact te zoeken met ING of een advocaat, noch informatie te delen over de rol van cliënten als tussenpersoon. Conclusie Op basis van haar onderzoeksbevindingen kan ING geen andere conclusie trekken dan dat cliënten, mogelijk in samenwerking met andere partijen, valse jaarcijfers hebben opgesteld en aan ING hebben geleverd ter verkrijging van hypothecaire geldleningen, wetende dat de hypotheekaanvragers op basis van hun werkelijke jaarcijfers de gevraagde hypotheeksom niet konden verkrijgen.’ 2.4. Naar aanleiding van het bezwaar van [eisers] d.d. 8 december 2025 tegen de beëindiging van hun bankrelaties en opname van hun (persoons)gegevens in de registers heeft ING bij e-mail van 18 december 2025 op bepaalde punten een aanvullende toelichting gegeven. 2.5. Bij brief van 22 januari 2026 heeft ING het bezwaar van [eisers] van de hand gewezen. ING heeft in deze brief onder meer het volgende geschreven: ‘Zoals in de brief van 26 november 2025 reeds is met u is gedeeld, verklaren de aanvragers dat de hypotheekaanvraag door cliënte (K&R, vzr.) is verzorgd en dat de jaarcijfers die bij ING zijn aangeleverd namens de aanvragers niet de jaarcijfers zijn die zij bij cliënte hebben aangeleverd. Acht aanvragers hebben aan ING verklaard zij een andere boekhouder hebben dan Kantoor de Looierij. Zij verklaren ook dat de werkelijke jaarcijfers van hun eigen boekhouder door henzelf of door de eigen boekhouder, met aanvrager in CC, aan cliënte hebben verstrekt. Vier aanvragers hebben hiervan bewijs aan ING overlegd. Omdat zichtbaar is dat zij allen e-mails naar een bij cliënte bekend Outlook e-mailadres hebben verzonden, kan uw cliënte dit zelf verifiëren door in te loggen op de Outlook mailbox en te zoeken naar deze ontvangen correspondentie. Hypotheek Aanvraag 1: Deze aanvrager verklaart dat Kantoor de Looierij niet zijn boekhouder is en dat zijn eigen boekhouder namens hem de werkelijke jaarcijfers ten bate van de aanvraag aan [email 1] heeft aangeleverd. Hij heeft de originele e-mail aan ING overlegt ter onderbouwing. Hypotheekaanvraag 2 Deze hypotheekaanvragers hebben eveneens aan ING verklaard dat Kantoor de Looierij niet hun boekhouder is. Zij verklaren dat zijzelf de werkelijk jaarcijfers ten bate van de aanvraag aan [email 1] hebben aangeleverd en overleggen twee e-mails om dit te onderbouwen. Hypotheekaanvraag 3: Deze aanvrager verklaart ook dat hij voor zijn boekhouding gebruik maakt van een ander boekhoudkantoor dan de Looierij en dat hij zelf de werkelijke jaarcijfers van zijn eigen boekhouder bij [eiser 3] heeft aangeleverd. Hij heeft daarnaast aan ING verklaard dat hij door [eiser 3] is bedreigd, waarbij zou zijn aangegeven dat wanneer hij contact met ING of een advocaat zou leggen, hij problemen zou krijgen. Hypotheekaanvraag 4: Deze aanvrager verklaart dat Kantoor de Looierij niet zijn boekhouder is en dat hij niet bekend is met Plein Hypotheken B.V. als hypotheekadviseur. Hij geeft aan dat hij via cliënte heeft geprobeerd het hypotheekdossier te achterhalen, maar dat dat tot op heden niet is gelukt. Hypotheekaanvrager 5: Deze aanvrager verklaart dat Kantoor de Looierij niet zijn boekhouder is en geeft aan dat hijzelf de werkelijke cijfers die hij van zijn eigen boekhouder heeft ontvangen aan [email 1] heeft verstrekt ten bate van de aanvraag, en overlegt hiervan bewijs in de vorm van e-mailberichten. Aanvullend verklaart de aanvrager dat na contact met [eiser 3] zij elkaar hebben ontmoet bij een hotel. [eiser 3] zou aan aanvrager hebben meegedeeld dat de documenten waar de ING naar vraagt niet overeen zullen komen met de documenten die cliënte namens de aanvrager heeft aangeleverd bij de hypotheekaanvraag. De aanvrager was hiervan niet eerder op de hoogte. De andere aanvragers hebben verklaard dat Kantoor de Looierij niet hun boekhouder is. Ondanks dat u stelt dat er slechts sprake zou zijn van signalen en verklaringen van aanvragers, is ING van mening dat op basis van bovenstaande meer dan voldoende bewijs voorhanden is, dat de gegevens zoals aanvragers die bij cliënte, ten bate van de hypotheekaanvraag hebben aangeleverd, niet bij de hypotheekaanvraag bij ING zijn aangeleverd. Nu het voor ING vaststaat dat aanvragers wel de werkelijke cijfers aan cliënte hebben aangeleverd, is het aan cliënte, die als hypotheekadviseur de hypotheekaanvragen bij ING voor de aanvragers heeft verzorgd, om te verklaren hoe het mogelijk is dat bij deze hypotheekaanvragen andere (veel hogere) jaarcijfers, die blijkens de toelichting zijn opgesteld door een voor aanvragers onbekende boekhouder, namens cliënten zijn aangeleverd bij de aanvraag van de hypotheek bij ING ter onderbouwing van het inkomen. ING heeft deze aanvragen van Plein Hypotheken B.V. ontvangen met valselijk door opgestelde jaarcijfers ter onderbouwing van het inkomen van de aanvragers. Dit wijst erop dat cliënte, mogelijk in samenwerking met de heer [naam 2], [functie] van Plein hypotheken B.V. en Kantoor de Looierij, valse jaarcijfers heeft opgesteld ten behoeve van hypotheekaanvragen, waarbij de aanvragers op basis van hun werkelijke inkomensgegevens de hypotheek niet konden verkrijgen. ING heeft tot op heden geen verklaring van cliënte ontvangen over hoe dit mogelijk is geweest. Dat cliënte bekend is geweest met het feit dat er afwijkende inkomensgegevens aan ING zijn verstrekt bij de aanvragen, blijkt uit verklaringen van enkele aanvragers. Zij verklaarden aan ING dat zij naar aanleiding van het informatieverzoek van ING, contact hebben gelegd met cliënte. Tijdens dit contact is door cliënte aangegeven dat de jaarcijfers die de aanvragers in bezit hebben niet overeen zouden komen met de jaarcijfers zoals ING deze in bezit heeft. Door één aanvrager is tevens verklaard dat hij tijdens dit contact in ernstige mate is bedreigd door cliënte. De verwijzing naar de diefstal van de server, maakt zoals gezegd niet, dat e-mailcorrespondentie niet meer beschikbaar zou zijn in de mailbox van cliënte. Het had dan ook op de weg van cliënte gelegen om zelf inzicht te geven in hoe de correspondentie tussen aanvragers en cliënte heeft verlopen en correspondentie waaruit blijkt hoe cliënte de beschikking heeft gekregen over de valselijk opgemaakte jaarcijfers. Doordat cliënte tot op heden hierin geen openheid van zaken heeft gegeven, blijft het bancaire vertrouwen welke ING in cliënte had ernstig geschaad. ING blijft van mening dat het opmerkelijk is dat de kosten die aanvragers in totaal hebben moeten betalen voor advies en bemiddelingskosten voor de hypotheekaanvraag, zowel aan cliënte als aan Plein Hypotheken B.V., veel hoger zijn dan de gebruikelijke kosten voor deze diensten volgens openbare bronnen. Het heeft er de schijn van dat er door aanvragers voor meer is betaald dat alleen advies en bemiddeling. Dat cliënte stelt dat alle aanvragers voor deze hogere bedragen hebben getekend maakt dit niet anders. Ook niet dat wordt gesteld dat de lagere tarieven zoals ING deze op de website van cliënte zag staan niet actueel zouden zijn, nu juist deze lagere bedragen in lijn liggen met de bedragen die andere dienstverleners voor deze werkzaamheden hanteren volgens openbare bronnen.’ 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen - samengevat - om ING op straffe van een dwangsom te veroordelen hun gegevens uit het IVR, het IR en EVR en het SFH-register te verwijderen en verwijderd te houden, met veroordeling van ING in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eisers] leggen aan de vordering ten grondslag, kort gezegd, dat ING ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan hypotheekfraude. ING heeft volgens hen ook niet aangetoond dat er sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld, hetgeen het criterium is voor een rechtsgeldige registratie. Uit de vier hypotheekdossiers waarnaar ING heeft verwezen kan deze conclusie volgens [eisers] in ieder geval niet worden getrokken. [eisers] erkennen de onregelmatigheden in deze dossiers, maar betwisten dat, zoals ING hen verwijt, [eisers] van hun klant en/of diens boekhouder ontvangen originele financiële stukken hebben vervalst of laten vervalsen om deze vervalste stukken vervolgens ten behoeve van een hypotheekaanvraag bij ING in te dienen. In dit verband hebben [eisers] allereerst naar voren gebracht dat het de verantwoordelijkheid van de klant is om de juiste gegevens bij hen aan te leveren. Verder is volgens [eisers] van belang dat er vaak ongeveer een half jaar tussen het aanleveren van de financiële gegevens en de uiteindelijk hypotheekaanvraag zit waardoor een discrepantie in de inkomensgegevens kan ontstaan. Ook komt het voor dat gegevens die in het begin zijn aangeleverd in het kader van de privacy zijn verwijderd voordat de hypotheekaanvraag werd gedaan, waardoor [eisers] ze niet meer konden vergelijken. Voor zover ook derden, zoals Plein Hypotheken en De Looierij, in dossiers betrokken waren, hebben [eisers] zich op het standpunt gesteld dat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun handelen. Ten aanzien van Plein Hypotheken hebben [eisers] verklaard dat zij als afzonderlijke ondernemingen in dossiers hebben samengewerkt op basis van een tussen hen gesloten samenwerkingsovereenkomst. [eisers] hebben ook naar voren gebracht dat het voor hen moeilijk is (geweest) om zich tegen de aantijgingen van ING te verweren omdat zij niet alle informatie boven water hebben kunnen krijgen als gevolg van de diefstal van een interne server. Nu ING niet heeft aangetoond dat er gegronde reden bestaat voor de registraties, moeten deze volgens [eisers] worden verwijderd. Zij hebben daar een spoedeisend belang bij omdat het hun door de registraties onmogelijk wordt gemaakt zaken te doen met bankinstellingen die hypotheken verstrekken, hetgeen hun ‘corebusiness’ is. K&R heeft momenteel vrijwel geen inkomsten waardoor substantiële bedragen moeten worden bijgestort om aan de lopende financiële verplichtingen te kunnen voldoen. [eiser 3] heeft erop gewezen dat hij met spoed op zoek is naar een nieuwe koopwoning voor hem en zijn gezin, i.v.m. de ziekte van zijn partner. De registraties maken dat onmogelijk. Een belangenafweging dient in hun voordeel uit te vallen, aldus [eisers] 3.3. ING voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. ING heeft de (persoons)gegevens van [eisers] opgenomen in het IVR, het IR en het daaraan gekoppelde EVR en het SFH-register, omdat [eisers] zich volgens ING schuldig hebben gemaakt aan hypotheekfraude. 4.2. Opname in het IR, het EVR en het SFH-register kan slechts geschieden in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2026 (PIFI). De verwerking van persoonsgegevens is in beginsel rechtmatig op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG (noodzakelijk ter behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de bank en van de tot haar branche behorende financiële instellingen), mits ook de in deze bepaling voorgeschreven belangenafweging uitpakt in het voordeel van ING en ook overigens aan de eisen van het PIFI wordt voldaan. Het PIFI is te beschouwen als een regeling die voldoende waarborgen biedt voor een verwerking van persoonsgegevens zoals de AVG die voorschrijft. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft het PIFI voor acht jaar (t/m april 2034) goedgekeurd. 4.3. Op grond van artikel 5.2.1 PIFI is opname in deze registers slechts geoorloofd indien, kort gezegd: a) gedragingen van een persoon een bedreiging vormen of kunnen vormen voor de (financiële) belangen van medewerkers of cliënten van de financiële instelling of van de financiële instelling zelf of voor de continuïteit of integriteit van de financiële sector; b) in voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende persoon betrokken is bij de hiervoor genoemde gedraging (van strafbare feiten wordt in principe aangifte gedaan); en c) het proportionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen, inhoudende dat wordt vastgesteld dat het belang van opname in het register prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor de betrokkene. 4.4. De juistheid van de te verwerken gegevens moet in voldoende mate vaststaan. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor de opname van strafrechtelijke persoonsgegevens een veroordeling door de strafrechter niet is vereist. Er moet sprake zijn van zodanig concrete feiten en omstandigheden dat deze een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering – kunnen dragen. De gedragingen dienen dus een zwaardere verdenking op te leveren dan enkel een redelijk vermoeden van schuld (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). Uitgangspunt is verder dat het aan de financiële instelling, in dit geval ING, is te concretiseren en onderbouwen waarom zij tot registratie is overgegaan. 4.5. Volgens ING hebben [eisers] zich schuldig gemaakt aan hypotheekfraude en daarmee aan meerdere strafbare feiten die verband houden met haar dienstverlening, te weten valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), witwassen (artikel 420bis Sr) en schuldwitwassen (artikel 420quater Sr). ING heeft ter zitting verklaard van deze vermoedelijke strafbare feiten ook aangifte te hebben gedaan. [eisers] hebben betwist dat zij strafbaar hebben gehandeld. 4.6. Vooropgesteld wordt dat hypotheekfraude een maatschappelijk probleem is dat een bedreiging vormt voor de continuïteit en/of de integriteit van ING en/of de financiële sector als geheel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen dat de betrokkenheid van [eisers] bij hypotheekfraude in voldoende mate vaststaat en dat het daarbij ook gaat om meer dan enkel een redelijk vermoeden van schuld. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. 4.7. Ter onderbouwing van haar standpunt dat [eisers] inkomensgegevens van hypotheekaanvragers hebben vervalst dan wel laten vervalsen, heeft ING verwezen naar vier hypotheekdossiers, waaronder het dossier van [naam 3]. Volgens haar heeft zij daarbij een keuze gemaakt uit meer dossiers die eenzelfde werkwijze van [eisers] laten zien en niet meer dossiers in dit kort geding overgelegd, omdat het overhandigen van meer dossiers het lopende strafrechtelijke onderzoek zou kunnen doorkruisen en omdat een kortgedingprocedure zich ook niet leent voor uitvoerige bewijslevering. 4.8. ING heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen al met het dossier [naam 3] voldoende rechtvaardiging om tot registratie van de (persoons)gegevens van [eisers] over te gaan. ING heeft een e-mail van 8 december 2023 van [naam 3] in het geding gebracht (productie 9), waaruit blijkt dat [naam 3] onder meer zijn jaarrekeningen over 2021, 2022 en 2023 aan [eiser 3] ([email 2]) heeft gestuurd in verband met de koop van een nieuwe woning. [naam 3] legt in de e-mail kort zijn situatie uit en sluit af met: ‘Ik hoor graag van je wat jij denkt wat slim is om te doen en wat ik kan krijgen via jou.’ Uit voornoemde e-mail kan worden opgemaakt dat [naam 3] zijn werkelijke jaarcijfers (opgesteld door zijn eigen boekhouder) met een gemiddelde netto jaarwinst van € 28.040 bij [eisers] heeft ingediend om te onderzoeken of de aankoop van de woning die [naam 3] op het oog had mogelijk was. Dat [eisers] de jaarcijfers destijds niet van [naam 3] zouden hebben ontvangen, hetgeen zij met verwijzing naar een whatsappbericht van [eiser 3] aan [naam 3] van 10 december 2023 stellen, komt niet geloofwaardig voor, nu in de reactie van [naam 3] op dat whatsappbericht staat dat hij het bericht nogmaals vanaf twee andere emailadressen zal verzenden. Daarop is vervolgens niet meer een bericht van [eiser 3] gekomen met de vraag waar de stukken blijven. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiser 3] de jaarcijfers op of rond 10 december 2023 van [naam 3] heeft ontvangen. Verder blijkt uit de door ING in het geding gebrachte offerte (productie 10) dat ING nog geen twee maanden later, namelijk op 6 februari 2024, aan [naam 3] een offerte heeft verstrekt op basis van een jaarinkomen van € 114.303,33. [eisers] hebben niet betwist dat zij deze hypotheekaanvraag voor [naam 3] hebben verzorgd. Dat betekent dat [eisers] bij de hypotheekaanvraag jaarstukken moeten hebben gedaan met jaarcijfers die € 86.263,33 hoger waren dan de door [naam 3] aan [eisers] verstrekte cijfers. Hiermee heeft ING voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisers] wel over de werkelijk financiële gegevens beschikten op het moment dat de hypotheekaanvraag werd gedaan maar dat deze vervolgens met aangepaste gegevens bij ING is ingediend. De door [eisers] genoemde mogelijkheid dat het tijdsverloop tussen het verstrekken van de gegevens door de hypotheekaanvrager en de uiteindelijke hypotheekaanvraag de discrepantie kan verklaren is hier niet aan de orde, nu het in dit geval gaat om een periode van slechts 2 maanden. [eisers] moeten de cijfers dan ook hebben vervalst, hebben laten vervalsen en/of – minst genomen – op de hoogte zijn geweest van de onjuistheid van de ingediende jaarstukken toen zij de hypotheekaanvraag deed voor [naam 3]. 4.9. Wie de onjuiste stukken hebben opgesteld is in dat kader niet relevant. Ook als de stukken afkomstig waren van Plein Hypotheken, was het de verantwoordelijkheid van [eisers] om de vervalste stukken met de eerder overgelegde werkelijke cijfers te vergelijken. Daarbij komt dat ING, met verwijzing naar een e-mail die [eiser 3] heeft gestuurd vanaf het adres [email 3] en een e-mail van [eiser 2] die is ondertekend met de naam Plein Hypotheken, de verwevenheid tussen Plein Hypotheken en [eisers] voldoende aannemelijk heeft gemaakt. 4.10. Ten slotte kan uit de omstandigheid dat ING de door [eisers] bij de hypotheekaanvraag van [naam 3] verstrekte aangiften IB en jaarrekeningen niet in het geding heeft gebracht niet de conclusie worden getrokken dat de onderbouwing van ING ten aanzien van het dossier [naam 3] gebrekkig is, zoals [eisers] heeft gesteld. 4.11. Hoewel de gang van zaken in het dossier [naam 3] al voldoende rechtvaardiging biedt voor de registraties roepen ook de andere dossiers vragen op, gezien de verschillen in de inkomensgegevens die door de hypotheekaanvrager aan [eisers] zijn verstrekt en die vervolgens bij de hypotheekaanvraag bij ING zijn ingediend. 4.12. Verder is het opvallend dat, naast dat Plein Hypotheken en K&R allebei bij de hypotheekaanvrager factureerden, er ook nog tussen hen beiden een afrekening plaatsvond. ING heeft met een door haar ingediend transactieoverzicht laten zien dat K&R in de periode van 1 januari 2020 tot heden voor het aanzienlijke bedrag van € 2,2 miljoen van Plein Hypotheken betaald heeft gekregen. [eisers] hebben daarvoor geen plausibele verklaring gegeven. De door Plein Hypotheken en K&R bij de hypotheekaanvragers in rekening gebrachte kosten komen bovendien niet marktconform voor. Gelet op het voorgaande heeft het er alle schijn van dat [eisers] (in samenwerking met Plein Hypotheken en/of De Looierij) een verdienmodel hebben gecreëerd met de aanvraag van hypotheken, waarbij zij met het (laten) aanpassen van jaarcijfers een hypotheek regelden die de hypotheekaanvrager op basis van de door hem/haar aangeleverde werkelijke cijfers niet zou hebben verkregen. 4.13. ING heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter met het dossier van [naam 3] in ieder geval voldoende onderbouwd en geconcretiseerd waarom zij tot registratie is overgegaan. Dat [eisers] zich vanwege een gestolen server en/of in verband met de privacy verwijderde stukken, niet dan wel onvoldoende tegen de aantijgingen van ING hebben kunnen verweren, is niet overtuigend. Het is aan [eisers] die een professionele onderneming drijven om hun administratie te allen tijde op orde en beschikbaar te hebben. Verder is het zo dat ING terecht erop heeft gewezen dat e-mailcorrespondentie ook bij de diefstal van een server nog steeds te raadplegen moet zijn. Bovendien is het ongeloofwaardig dat [eisers] in lopende dossiers door hypotheekaanvragers ingeleverde stukken vanwege privacywetgeving heeft verwijderd. 4.14. Op grond van de AVG en het PIFI moet ook een belangenafweging worden toegepast, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevensregistratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkenen niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel), zie het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097 (Santander). 4.15. De voorzieningenrechter is met ING van oordeel dat een belangenafweging hier niet tot een ander oordeel kan leiden. Daarbij is in aanmerking genomen dat het doel van registratie in het IR, het EVR en het SFH-register is om andere financiële instellingen te waarschuwen voor het handelen van [eisers] , zoals hiervoor is verwoord, waarbij een zorgvuldige registratie nodig is om de integriteit en veiligheid van ING en de financiële sector te waarborgen. Het belang van [eisers] om ongehinderd hun bedrijfsactiviteiten te kunnen uitvoeren weegt hier niet tegenop. De problemen die zij door de registratie ondervinden zijn inherent aan hun eigen handelen en kunnen ING niet worden tegengeworpen. De persoonlijke omstandigheden die [eiser 3] heeft genoemd maken dit niet anders. Dat hij door de registraties wordt belemmerd in het afsluiten van een hypotheek voor een nieuwe woning kan zo zijn, maar dat gevolg is juist beoogd met de registraties. Daarnaast is niet duidelijk geworden dat de enige optie voor hem en zijn gezin is om een nieuwe woning te kopen. 4.16. Ten slotte is, nu het onmiddellijke doel van de registratie door ING niet op een minder belastende manier kan worden bereikt dan door de registratie, aan het subsidiariteitsvereiste voldaan. Op dit moment kan ook niet worden geconcludeerd dat de registraties niet voor de volle periode van acht jaar hoeven te worden gehandhaafd gezien de ernst van de vermoede hypotheekfraude en de coördinerende rol die [eisers] daarbij speelden. 4.17. Voor opname in het IVR gelden minder strenge eisen dan voor opname in de hiervoor besproken registers, omdat registratie in het IVR alleen zichtbaar is voor de bank zelf en de met haar verbonden rechtspersonen. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, leveren de feiten en omstandigheden in dit geval meer dan enkel een redelijk vermoeden van schuld aan hypotheekfraude en bestaat dus ook voor deze registratie geen grond om tot verwijdering over te gaan. 4.18. De slotsom is dan ook dat de vordering tot verwijdering van de registraties (of inkorting van de acht jaarstermijn) niet toewijsbaar is. 4.19. [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorziening, 5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. Coll: