Rechtbank Amsterdam, 12-08-2026 (13/155100-26)
EAB vervolging Kroatië. Tussenuitspraak omdat er geen detentiegarantie was ontvangen.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer : 13/155100-26 Datum uitspraak: 12 augustus 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 2 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door de Districtsrechtbank te Rijeka, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Kroatië), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Kroatische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft. ÁG113126958197&È G113126958197 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: - een aanhoudingsbevel van de districtsrechtbank te Rijeka, zaaknummer Ik-29/2025 van 19 augustus 2025; - een vonnis van de Gemeentelijke rechtbank te Rijeka zaaknummer Kv-55/2024, K-783/2018 van 21 maart 2024. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Kroatië. Van deze straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en negentien dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Uit het EAB blijkt niet duidelijk of het gaat om de verkoop van hasj of speed. Daarnaast is de pleegperiode te ruim omschreven, waardoor het specialiteitsbeginsel niet voldoende kan worden gewaarborgd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en de overlevering kan worden toegestaan. Uit het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon op de zitting blijkt duidelijk dat het gaat om de verkoop van hasj. Verder is het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk voor welk feit hij is veroordeeld. Dat het een ruimere pleegperiode betreft doet daar niet aan af. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is en overweegt daartoe als volgt. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan “ de verkoop van de drug hasj, de zogenoemde speed .” Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de tekst van het EAB duidelijk dat het gaat om hasj. Bovendien heeft de opgeëiste persoon dit op de zitting bevestigd. Verder overweegt de rechtbank dat de pleegperiode weliswaar ruim is, maar niet zo ruim dat het specialiteitsbeginsel niet kan worden gewaarborgd. Voor de opgeëiste persoon is het voldoende duidelijk voor welk feit zijn overlevering wordt gevraagd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De rechtbank mag in dit geval de overlevering niet weigeren als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat: de beslissing na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend; én de opgeëiste persoon uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep; én de opgeëiste persoon het recht heeft aanwezig te zijn bij de verzetprocedure of de procedure in hoger beroep; én de zaak in die procedure opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten; én die procedure kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; én de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de in het EAB vermelde termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep moet aantekenen. Het EAB vermeldt in onderdeel d): 3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar - de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en - de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, en - de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk 365 dagen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de hierboven weergegeven eisen van artikel 12, sub d, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. 5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Kroatië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist, omdat het een hele kleine hoeveelheid hasj betreft en dit niet zonder meer als handel kan worden aangemerkt. De raadsvrouw heeft hierover geen standpunt ingenomen. De rechtbank overweegt dat het in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder een lijstfeit valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van wat de officier van justitie aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 december 2023 op basis van het rapport van 23 november 2023 van The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) aangenomen dat er sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison. Op 4 juni 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) daarom onder meer de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: 1. In which prison in Croatia will [opgeëiste persoon] most likely be detained, should his surrender be authorized? 2. Can it be guaranteed that [opgeëiste persoon] will not be placed in Zagreb Remand Prison? 3. In case [opgeëiste persoon] will be detained in the Zagreb Remand Prison, please answer the following questions as well: a. Could you guarantee – unconditionally and individually – that [opgeëiste persoon] will have at least 3 square meters of personal space at his disposal excluding sanitary facilities? b. Could you provide a description of the conditions in the Zagreb Remand Prison? The Court of Amsterdam would like to receive information on the sanitary facilities, heating system, air conditioning, food supply, access to clean drinking water and health care, meaningful activities and the possibility of outdoor activities. De rechtbank overweegt dat, ondanks herhaald rappelleren door het IRC op 6 en 23 juli 2026, tot op heden de gevraagde informatie ontbreekt. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen, om de antwoorden van de Kroatische autoriteiten op de door het IRC gestelde vragen af te wachten. Verlenging van de beslistermijn De beslistermijn die op de zitting van 29 juli 2026 is verlengd, verstrijkt op 26 augustus 2026. Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, de beslistermijn met telkens dertig dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW verlengt zij de beslistermijn met dertig dagen, tot 25 september 2026, op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 25 september 2026 (dus uiterlijk op 11 september 2026). VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Kroatische taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze tussenuitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 ( LU (Invordering van verkeersboeten) ), punt 42 ECLI:NL:RBAMS:2023:8493.