Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9132 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 10-09-2026 (13-173235-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak om een aanvullende vraag in het kader van de verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justititele autoriteit te stellen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat de adresinstructie zich ook uitstrekte over de procedue in hoger beroep. Afzien van toepassing van artikel 12 OLW. Overlevering toestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-173235-26 Datum uitspraak: 10 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 18 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2024 door the Regional Court in Poznań , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieplaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.G.S. Rozestraten, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De tussenuitspraak van 18 augustus 2026 Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vraag in het kader van artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De zitting van 2 september 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 2 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door mr. E.G.S. Rozestraten en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 De tussenuitspraak van 18 augustus 2026 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 18 augustus 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, het strafrestant, de (dubbele) strafbaarheid van het feit en artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 18 augustus 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. In de tussenuitspraak van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank de volgende vragen geformuleerd: Kunt u aangeven of de adresinstructie gold voor de gehele procedure, waaronder de procedure in hoger beroep? En zo ja: Op welke wijze was het voor de opgeëiste persoon kenbaar dat de adresinstructie die aan de opgeëiste persoon is gegeven en ontvangen in eerste aanleg ook zag op een (eventuele) procedure in hoger beroep? Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 18 augustus 2026 de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. “On 4 August 2026, the hearing took place in the case of [opgeëiste persoon]. On 18 August 2026, the Court of Amsterdam issued an interlocutory judgement, in order to request the following additional information: 1. Could you please explicitly indicate whether the address instruction applied to the entire proceedings, including a possible appellate procedure? And if so: 2. How was it apparent to [opgeëiste persoon] that the address instruction, given and received during the proceedings at first instance, also applied to a (possible) appellate procedure?” Op 21 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt: “(…) the instruction given to [opgeëiste persoon] regarding his obligation to report any change of residence or stay applied to the entire proceedings, including the appeal proceedings. The instruction form delivered to [opgeëiste persoon] indicated the rights and obligations of the accused, and [opgeëiste persoon] held such status throughout the proceedings.” Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt onvoldoende of de opgeëiste persoon wist dat de adresinstructie ook gold voor de procedure in hoger beroep. Uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie blijk dat de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ontvangen voor de eerste zitting in eerste aanleg. Niet blijkt dat hij er toen ook van in kennis is gesteld dat deze adresinstructie gold voor de gehele procedure, inclusief hoger beroep. In de uitspraak van uw rechtbank van 29 juli 2026 blijkt dat moet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat de adresinstructie waarvoor hij in de voorbereidende procedure heeft getekend zich ook uitstrekte tot de procedure in hoger beroep. Dat de opgeëiste persoon voor akkoord met de adresinstructie heeft getekend en daarin staat dat de instructie ‘ the entire proceedings’ beslaat, betekent niet dat het voor de opgeëiste persoon duidelijk was dat hij in geval van een hoger beroep ook op dit adres zou worden opgeroepen, zo blijkt uit die uitspraak. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon had in hoger beroep een gemachtigd raadsman en hij had op de hoogte kunnen zijn van de zitting in hoger beroep, omdat de oproep naar het door hem opgegeven adres is gestuurd. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gehad en dat hij erop is gewezen dat de instructie zich ook uitstrekte over de procedure in hoger beroep. De uitspraak waar de raadsvrouw naar heeft verwezen ziet niet op een procedure in hoger beroep, maar op een omzettingsbeslissing. In de zaak van de opgeëiste persoon is door het IRC expliciet gevraagd of de opgeëiste persoon erop is gewezen dat de adresinstructie zich ook uitstrekte over de procedure in hoger beroep. De Poolse autoriteit heeft die vraag bevestigend beantwoord. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW op grond van dezelfde argumenten. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Poznań van 14 november 2023, met kenmerk XVII Ka 990/23, toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat en hij tevens kennis heeft genomen van de oproeping voor de zitting in hoger beroep, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de procedure in hoger beroep is tweemaal naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd, maar niet door hem in ontvangst genomen. Uit de aanvullende informatie van 16 juli 2026 volgt dat de opgeëiste persoon voorafgaand aan het proces is geïnformeerd over zijn rechten en plichten. Daarbij is hij gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven. Bovendien blijkt ook uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 juli 2026 dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging gedurende het gehele proces, waaronder de procedure in hoger beroep, te voeren. Deze advocaat heeft ook tijdens de procedure in hoger beroep de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. Het had ook op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om contact te houden met zijn advocaat over de uitkomst van de zaak. De rechtbank stelt dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań , Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:8268. ECLI:NL:RBAMS:2026:7764 HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW.