Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9102 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 10-09-2026 (13-352218-25)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Tussenuitspraak inzake vervolgings-EAB uit Frankrijk. Franse detentieomstandigheden: redelijke termijn gegeven om te bezien of een wijziging in de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 OLW zich zal voordoen.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-352218-25 Datum uitspraak: 10 september 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 26 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 december 2025 door de Procureur de la République près le Tribunal judiciaire de Paris ( officier van justitie bij de Rechtbank van eerste aanleg van Parijs ), Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. T. Nieuwburg, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 2 december 2025 door de rechtbank van Parijs, met referentie 21288000407. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: - deelneming aan een criminele organisatie; - witwassen van opbrengsten van misdrijven; - georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Frankrijk. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering aan Frankrijk wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De Deputy Public Prosecutor bij the Paris Judicial Court heeft op 23 juli 2026 de volgende garantie gegeven: “In response to your request, I have the honour to ask you to take note that, pursuant to Council Framework Decision 2002/584/JHA of 13 June 2002 on the European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States, I hereby guarantee that [opgeëiste persoon] , born on [geboortedatum] 1980, should he, at the conclusion of the proceedings, be finally sentenced to a custodial term of imprisonment for the offences giving rise to the European Arrest Warrant issued by the Paris Public Prosecutor's Office on 17 December 2025, shall be entitled to serve such sentence or sentences in the NETHERLANDS, of which he is a national or resident.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m² exclusief sanitaire voorzieningen. Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd. Voor de opgeëiste persoon geldt dus mogelijk het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk. Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) op 7 juli 2026 gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn. Op 17 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: “Gelet op de hierboven genoemde criteria kunnen wij aangeven dat de heer [opgeëiste persoon] in beginsel zou worden geplaatst in de penitentiaire inrichting Paris-La Santé, die onder het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Parijs valt. De bezettingsgraad van deze inrichting bedroeg op 1 juni 2026 199,1%, overeenkomstig de Franse normen voor de berekeningsmethode voor de bezettingsgraad van penitentiaire inrichtingen. Dit betreft evenwel slechts een tijdelijke plaatsing . In geval van een onherroepelijke veroordeling na zijn overlevering aan de Franse autoriteiten zal de betrokkene namelijk worden onderworpen aan een zogenoemde oriëntatieprocedure, die kan leiden tot zijn overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting.(…) De bezettingsgraad van penitentiaire inrichtingen in Frankrijk wordt namelijk berekend op basis van de operationele capaciteit [1]. (…) In de penitentiaire inrichting Paris-La Santé wordt, evenals in alle Franse penitentiaire inrichtingen, de capaciteitsberekening van penitentiaire inrichtingen [2] uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de circulaire van 16 maart 1988 en de nota van 18 maart 2014, waarin de procedure voor iedere wijziging van de operationele capaciteit nader wordt toegelicht. (…) De operationele capaciteit wordt uitgedrukt in plaatsen en wordt berekend aan de hand van de vloeroppervlakte van de verblijfsruimte. De oppervlakte van de sanitaire voorziening wordt daarbij meegerekend in de totale oppervlakte van de verblijfsruimte. Deze oppervlakte is afhankelijk van technische beperkingen en varieert tussen 1,4 en 1,8 m². De Franse normen bepalen het volgende: - Cellen met een oppervlakte van minder dan 11 m² worden aangemerkt als eenpersoonscellen; - Cellen met een oppervlakte tot 14 m² zijn bestemd voor twee gedetineerden; - Cellen met een oppervlakte tot 19 m² bieden plaats aan maximaal drie gedetineerden; - Cellen met een oppervlakte tot 24 m² bieden plaats aan maximaal vier gedetineerden, enzovoort. (…) Vanwege het verschil in methode tussen de Franse regelgeving en de normen die voortvloeien uit de Europese jurisprudentie wat betreft de berekening van de celoppervlakte en de beschikbare persoonlijke ruimte per gedetineerde, zijn de Franse autoriteiten niet in staat de gevraagde garanties te verstrekken met betrekking tot de minimale oppervlakte waarover de gedetineerde zal beschikken bij zijn overdracht aan de Franse justitiële autoriteiten. De bezettingsgraad van penitentiaire inrichtingen, zoals gedefinieerd volgens de Franse regelgeving, is immers per definitie variabel en afhankelijk van de datum van overlevering van de gezochte persoon, die op dit moment nog onbekend is. Bovendien maken de nationale normen uit de circulaire van 16 maart 1988, die worden toegepast voor de meting van cellen in Franse penitentiaire inrichtingen, het niet mogelijk de beschikbare persoonlijke ruimte exclusief de sanitaire ruimte vast te stellen. (…) De afdeling "huis van bewaring voor mannen" beschikt over reguliere cellen met een oppervlakte van 8,50 m², evenals over cellen voor personen met beperkte mobiliteit (PMR) met een oppervlakte van 14,50 m². Elke cel beschikt over een te openen raam dat ventilatie mogelijk maakt en waardoor gedetineerden bij natuurlijk licht kunnen lezen en werken, een afgescheiden sanitaire ruimte met een toilet en een wastafel die toegang biedt tot koud en warm water, alsmede een verwarmingssysteem. De verlichting bestaat uit een plafondlamp die via een schakelaar in de cel kan worden bediend. Iedere gedetineerde beschikt over een eigen bed.” Op 23 juli 2026 zijn door het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld: “1. When detained in one of the cells with a surface area of 8,5 m2 (and a sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that Mr [opgeëiste persoon] will not be placed in a cell with more than one other person – in which case he would have at least 6,7 m2 individual floor space in that cell when detained individually (8,5 m2 – 1,8 m2 sanitary area)* or 3,35 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate? 2. When detained in one of the cells with a surface area of 14,5 m2 (and a sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that Mr [opgeëiste persoon] will not be placed in a cell with more than three other persons – in which case he would have at least 12,7 m2 individual floor space in that cell when detained individually (14,5 m2 – 1,8 m2 sanitary area)* or 3,17 m2 individual floor space in that cell when detained with three other cellmates? (…) 3. In two of its previous, recent rulings, the Amsterdam District Court authorized the surrender of the individuals concerned in those cases to France after the French authorities provided a guarantee that the persons in question would be placed in a single-person cell (in isolation) there, meaning that he would be placed in a cell with 9-10 m2 surface area with a sanitary area between 1,4 and 1,8 m2. To avoid delays in the current case, I would like to ask whether you could provide the same guarantee for Mr [opgeëiste persoon] in this case as well?” Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is hierop op 1 augustus 2026 het volgende medegedeeld: “The assurances requested regarding the number of persons per cell cannot be confirmed. It is possible to be in isolation. However, in the case of [opgeëiste persoon] , it cannot be guaranteed. This stage of the proceedings is time-limited, as the defendant is scheduled to appear in court shortly (two months).” Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd, dan wel dat een redelijke termijn moet worden gesteld om te bezien of een wijziging optreedt in de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De gegeven garanties zijn namelijk onvoldoende om het gevaar op schending van de grondrechten na overlevering in detentie voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie onvoldoende is om het gevaar op schending van de grondrechten na overlevering in detentie weg te nemen voor de opgeëiste persoon. Met het oog op een op korte termijn gepland bezoek van het Openbaar Ministerie (OM) aan de Franse autoriteiten heeft de officier van justitie verzocht een redelijke termijn te stellen zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, omdat dit bezoek en de uitleg die door het OM aan de Franse autoriteiten zal worden gegeven mogelijk zal kunnen leiden tot een wijziging van de omstandigheden zoals bedoeld in voornoemd artikel. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt allereerst dat zij gelet op het arrest ML van het HvJ EU uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. Uit de aanvullende informatie van 17 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in beginsel zal worden gedetineerd in de penitentiaire inrichting Paris-La Santé, die onder het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Parijs valt. Vervolgens moet worden beoordeeld of de verstrekte aanvullende informatie van 17 juli 2026 en 1 augustus 2026 het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hiervoor is het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties kunnen gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Wel is bekend dat de penitentiaire inrichting Paris-La Santé beschikt over de afdeling "huis van bewaring voor mannen" met reguliere cellen met een oppervlakte van 8,50 m², evenals over cellen voor personen met beperkte mobiliteit (PMR) met een oppervlakte van 14,50 m². Deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende concreet, omdat niet duidelijk is hoeveel mensen op één cel geplaatst worden. Ondanks het feit dat door het IRC op 23 juli 2026 op dit punt nog eens expliciet om meer concrete informatie is gevraagd, zijn hierover geen individuele garanties ten behoeve van de opgeëiste persoon afgegeven. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen hoeveel persoonlijke celruimte wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. Het is bovendien niet aan de rechtbank om zelf een berekening te maken op basis van de verstrekte informatie over de verschillende cellen in combinatie met de vermelde bezettingsgraad in de desbetreffende penitentiaire inrichting. De rechtbank weet namelijk niet wat de impact van de overbevolking op de verdeling van de cellen is en of en zo ja, met hoeveel mensen de opgeëiste persoon in één cel zal worden geplaatst. Een geschatte berekening van de rechtbank over de vermoedelijke persoonlijke ruimte van de opgeëiste persoon is daarom geen garantie dat de opgeëiste persoon die ruimte daadwerkelijk zal krijgen, omdat dat in de verstrekte informatie niet is toegezegd door de Franse autoriteiten. Zoals besproken op zitting is het de rechtbank ambtshalve bekend dat in andere overleveringszaken door de Franse autoriteiten is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in een eenpersoonscel, in welk geval geen onzekerheid bestaat over de vraag hoeveel persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Uit de aanvullende informatie van 1 augustus 2026 blijkt dat de uitvaardigende autoriteit een dergelijke garantie in deze zaak niet kan verstrekken. De rechtbank stelt dan ook vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Paris-La Santé als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen. Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 9 oktober 2026 tot 4 november 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden. Verlenging van de beslistermijn De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 19 september 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 9 oktober 2026 en 4 november 2026. HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, tweede lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (19 november 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en M. Westerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 117. Vgl. Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3409 en Rb. Amsterdam 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6458. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5185, (par. 8).