Rechtbank Amsterdam, 10-09-2026 (13-188904-26)
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Het verweer valt niet onder één van de in het Kaderbesluit en/of de Overleveringswet limitatief opgesomde weigeringsgronden noch behoort tot de bedoelde uitzonderlijke omstandigheden en derhalve buiten het door de rechtbank te volgen toetsingskader valt. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-188904-26 Datum uitspraak: 10 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 mei 2020 door het Landgericht Leipzig (Regional Court of Leipzig) , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , volgens de gegevens uit de SKDB: geboren in [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedatum] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Arabische (Tunesische) taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij in werkelijkheid is geboren op [geboortedatum] 1998, maar dat dit bij zijn registratie in Duitsland verkeerd in de systemen is opgenomen. De opgeëiste persoon heeft ter zitting bevestigd dat hij de persoon is die door de Duitse autoriteiten in het EAB als opgeëiste persoon is vermeld, welke gegevens overeenkomen met die in de Informatiestaat SKDB, en dat hij de Tunesische nationaliteit heeft. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van bovenvermelde persoonsgegevens in deze procedure. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door the Local Court of Leipzig op 16 april 2020, met referentie ER 10 281 Gs 1737/20; 100 Js 20180/20. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Voorzover in de vertaling van het EAB melding wordt gemaakt van zes strafbare feiten, stelt de rechtbank vast dat dit een kennelijke misslag van de vertaler betreft, nu zowel het originele EAB als het A-formulier uitgaan van één strafbaar feit, hetgeen ook past bij het feitencomplex dat in onderdeel e. van het EAB is omschreven. 4 Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5 Overige verweren De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon eerder in Tunesië en Italië voor hetzelfde feitencomplex is aangehouden en in detentie heeft gezeten. De rechtbank overweegt dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de opgeëiste persoon in een ander land dan Duitsland wordt vervolgd of reeds onherroepelijk is veroordeeld. De verdediging heeft dit ook niet betoogd. De rechtbank stelt vast dat het verweer zoals gevoerd niet onder één van de in het Kaderbesluit en/of de Overleveringswet limitatief opgesomde weigeringsgronden valt noch behoort tot de in de jurisprudentie van het HvJ EU bedoelde uitzonderlijke omstandigheden en derhalve buiten het door de rechtbank te volgen toetsingskader valt. De rechtbank vewerpt het verweer van de raadsman. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, voor zover de opgeëiste persoon in een ander land dan Nederland in detentie heeft verbleven op grond van dit EAB of bijbehorende internationale signalering, het aan de opgeëiste persoon is om deze informatie in de procedure in Duitsland aan de orde te stellen, zodat die periode of periodes van detentie, voorzover aan de orde, in mindering kan of kunnen worden gebracht op een eventueel nog op te leggen vrijheidsstraf. Deze beoordeling valt echter buiten het toetsingskader en bevoegdheid van deze rechtbank. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Leipzig (Regional Court of Leipzig) , Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en M. Westerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.