Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-169732-26)
Executie-EAB uit Polen. Sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a OLW. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-169732-26 Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 15 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2026 door the Regional Court in Kielce , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1993, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijvende op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Busko-Zdrój van 4 februari 2025, met kenmerk II K 473/24. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hoewel in onderdeel D van het EAB staat vermeld dat de oproep op 3 januari 2025 in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt, is ambtshalve bekend dat daarmee soms ook de situatie wordt bedoeld waarbij de oproep aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is gezonden. Subsidiair moet de overlevering worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat, nu sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat de oproep op genoemde datum in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt . De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om aan de juistheid van die informatie te twijfelen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. Door de raadsman is nog geopperd dat sprake kan zijn geweest van een hoger beroep procedure, omdat het EAB is uitgevaardigd door the Regional Court in Kielce terwijl de grondslag van het EAB een vonnis van the Local Court in Busko-Zdrój betreft . Het enkele feit dat het EAB is uitgevaardigd door een andere instantie dan die het onderliggende vonnis heeft gewezen is echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een hoger beroep procedure, temeer daar, naar de rechtbank ambtshalve bekend is, de bevoegdheid tot het uitvaardigen van EAB’s in Polen is neergelegd bij de Regional Courts. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 3 januari 2025 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om aan die informatie te twijfelen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer van de raadsman. 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: - mishandeling; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; - bedreiging met zware mishandeling. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 285, 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Kielce (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en M. Westerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .