Rechtbank Amsterdam, 10-09-2026 (13-185648-26)
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Het erweer valt niet onder één van de in het Kaderbesluit en/of de Overleveringswet limitatief opgesomde weigeringsgronden noch behoort tot de bedoelde uitzonderlijke omstandigheden en derhalve buiten het door de rechtbank te volgen toetsingskader valt. Overlevering toegestaann
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-185648-26 Datum uitspraak: 10 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 17 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2019 door het Kantongerecht ( Amtsgericht ) Mannheim, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1971, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het Kantongerecht ( Amtsgericht ) Mannheim op 10 december 2018, met dossiernummer 41 Gs 2355/18. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid: Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 Overige verweren De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon eerder in Duitsland voor hetzelfde feitencomplex is aangehouden. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon het land moeten verlaten, waardoor hij in de veronderstelling verkeerde dat de beschuldiging onterecht was. De rechtbank stelt vast dat dit verweer niet onder één van de in het Kaderbesluit en/of de Overleveringswet limitatief opgesomde weigeringsgronden valt noch behoort tot de in de jurisprudentie van het HvJ EU bedoelde uitzonderlijke omstandigheden en derhalve buiten het door de rechtbank te volgen toetsingskader valt. De rechtbank vewerpt het verweer van de raadsman. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht ( Amtsgericht ) Mannheim, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en M. Westerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.