Rechtbank Amsterdam, 10-09-2026 (13-183303-26)
Tussenuitspraak inzake executie-EAB uit Polen. Bij de beoordeling van de verblijfsduur wordt teruggerekend vanaf de dag waarop de overleveringsrechter uitspraak doet , tenzij de opgeëiste persoon eerder duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen en niet heeft verloren. Inschrijving in de BRP is daarbij de sterkste vorm van onderbouwing voor de stelling dat iemand feitelijk vijf jaar hier te lande heeft verbleven. De BRP-inschrijving is ‘leidend’. Onderbouwing door middel van andere stukken mag echter ook, mits die stukken voldoende concreet en objectief zijn. Heropening om de IND te bevragen.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-183303-26 Datum uitspraak: 10 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 juni 2025 door the Regional Court in Słupsk, II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijvende op het [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een cumulative judgment of the District Court in Słupsk van 3 september 2019 , met referentie II K 382/19, dat onherroepelijk is geworden op 11 september 2019. In het EAB staat vermeld dat aan dit verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen: the judgment of the District Court in Słupsk van 8 december 2014, met referentie XIV K 528/14; the judgment of the District Court in Słupsk van 1 april 2015 , met referentie XIV K 718/14; the judgment of the District Court in Słupsk van 19 augustus 2015 , met referentie XIV K 92/15 . De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zeven maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde verzamelvonnis. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, tien maanden en twintig dagen. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het EAB een verzamelvonnis ten grondslag ligt, waaraan een drietal onderliggende vonnissen ten grondslag liggen. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen, als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, nu bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Ten aanzien van de vonnissen met kenmerken II K 382/19, XIV K 718/14 en XIV K 92/15 De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van beslissingen in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon respectievelijk op 8 augustus 2019 (II K 382/19), 19 februari 2015 (XIV K 718/14) en 11 juli 2015 (XIV K 92/15) in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat in elk van de procedures sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing ten aanzien van deze vonnissen. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk XIV K 528/14: Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Tenuitvoerlegging eerder voorwaardelijk opgelegde straffen De vrijheidsstraffen opgelegd in de vonnissen met kenmerk XIV K 528/14 en XIV K 718/14 zijn aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Słupsk van 12 juli 2017 , met referentie Ko 536/17 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraffen bevolen. De vrijheidsstraf opgelegd ten aanzien van vonnis XIV K 92/15 is aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Słupsk van 31 mei 2017 , met referentie Ko 535/17 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 23 juli 2026 en 7 augustus 2026 blijkt dat voornoemde beslissingen tot tenuitvoerlegging niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW vallen. Blijkens deze aanvullende informatie zijn de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer gelegd omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. De omzettingsbeslissing betreft geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. De rechtbank hoeft die beslissing dus niet te toetsen aan artikel 12 OLW. 5 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren; diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; diefstal; diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in de periode van mei 2017 tot en met mei 2022 een duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd en dat verblijfsrecht sindsdien niet meer heeft verloren. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om de overlevering te weigeren, onder gelijktijdige strafovername door Nederland. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om middels een tussenuitspraak duidelijkheid te verschaffen over de aanvangsmogelijkheden van de vijf jaren waarover een ononderbroken rechtmatig verblijf moet zijn aangetoond. Blijkens de Memorie van Toelichting bij Kamerstukken II 2020/21, 35535, 7, en de jurisprudentie is deze termijn gekoppeld aan de dag van uitspraak van de overleveringsrechter. In dat geval kan de opgeëiste persoon niet met een Nederlander worden gelijkgesteld, omdat de opgeëiste persoon van 5 juni 2022 tot 22 november 2022 in Polen wegens een overleveringszaak gedetineerd heeft gezeten. Voor zover het duurzaam verblijf al langer voor de uitspraak zou kunnen worden opgebouwd en dit duurzaam verblijf in de tussentijd niet is verloren, geldt dat de opgeëiste persoon evenmin met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. De opgeëiste persoon heeft het verblijfsrecht namelijk niet aangevraagd en heeft gedurende de periode van 2017 tot en met 2022 niet ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen (BRP), zoals volgens de Vreemdelingenwet 2000 vereist is om duurzaam verblijf op te bouwen. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het aanvangsmoment waarover vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland moet worden aangetoond, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet, overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beoordeling van de verblijfsduur wordt in beginsel teruggerekend vanaf de dag waarop de overleveringsrechter uitspraak doet, tenzij de opgeëiste persoon reeds eerder duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen en sindsdien niet heeft verloren. Inschrijving in de BRP is daarbij de sterkste vorm van onderbouwing voor de stelling dat iemand feitelijk hier te lande heeft verbleven. De BRP-inschrijving is daarmee ‘leidend’. Bij gebrek aan een BRP-inschrijving kan het feitelijk verblijf ook door middel van andere stukken worden aangetoond, mits die stukken voldoende concreet en objectief zijn. De rechtbank overweegt verder dat het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) als voorwaarde stelt dat Unieburgers die langer dan drie maanden in Nederland willen verblijven zich moeten melden en inschrijven bij de IND (artikel 8.12, vierde lid, Vb 2000). Artikel 8, eerste lid, van de EG Richtlijn 2004/38 (de Richtlijn) bepaalt echter, onder de kop ‘administratieve formaliteiten’, dat het gastland aan burgers voor verblijven van meer dan drie maanden de verplichting kan opleggen om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven. Dit is uitdrukkelijk niet opgenomen in de materiële vereisten neergelegd in artikel 7 van de Richtlijn. Nu de Richtlijn de lidstaten de bevoegdheid geeft om deze administratieve formaliteit toe te passen maar deze inschrijvingsverplichting niet als materiële voorwaarde voor rechtmatigheid van het verblijf in de Richtlijn wordt genoemd, kan de inschrijvingsverplichting niet worden gezien als voorwaarde voor rechtmatigheid van het verblijf. Het ontbreken van een inschrijving kan daarom op zichzelf niet aan de opgeëiste persoon worden tegengeworpen in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het verblijf. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij vanaf 11 mei 2017 gedurende een periode van ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de opgeëiste persoon op 11 mei 2022 een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven, omdat hij op dat moment vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht daarna heeft verloren. De opgeëiste persoon is sindsdien immers niet meer dan twee achtereenvolgende jaren afwezig geweest uit Nederland, zoals bedoeld in artikel 16, vierde lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Ook is niet gebleken van ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid die leiden tot verlies van het duurzame verblijfsrecht. De periode dat de opgeëiste persoon in juni 2022 in Duitsland is aangehouden en is overgeleverd aan Polen en in Poolse detentie heeft doorgebracht, maakt het bovenstaande niet anders. Voor zover de officier van justitie heeft bedoeld te verwijzen naar het arrest Onuekwere , overweegt de rechtbank dat deze rechtspraak ziet op detentie op grond van een straf of maatregel in de gastlidstaat. Bovendien zou ook in het geval een ten behoeve van en na een overlevering in het buitenland ondergane detentieperiode (van minder dan twee achtereenvolgende jaren) niet mee zou tellen in het kader van het verkrijgen van duurzaam verblijf, dan nog zou dit in deze zaak geen verschil maken nu de betreffende periode van overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon na de periode valt waarin hij zijn duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. Hij voldoet dus aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. De officier van justitie heeft op zitting toegelicht dat geen IND- bevraging is gedaan, zodat niet kan worden vastgesteld of aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de IND te bevragen of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. Omdat de straf pas door Nederland kan worden overgenomen als de Poolse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland, geeft de rechtbank de officier van justitie in overweging om indien uit de IND-bevraging de verwachting zou volgen dat de in het EAB beschreven strafbare feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest, het certificaat, en een kopie van het veroordelende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om door tussenkomst van de officier van justitie de IND te bevragen, en, in voorkomend geval, een kopie van het veroordelende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. BEPAALT dat gelet op de verlengde beslistermijn (25 september 2026) de zaak opnieuw wordt ingepland uiterlijk op 17 september 2026. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en M. Westerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. zie bijv. Rb. Amsterdam 5 januari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BK9114; Kamerstukken II 2020/21, 35535, 7, p. 15. [naam] in Tekst & Commentaar Internationaal strafrecht en strafrechtelijke samenwerking, artikel 6 OLW, aantekening 3 onder b; Rb. Amsterdam 14 december 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:9368. Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.