Rechtbank Amsterdam, 03-09-2026 (13-178833-26)
Executie EAB Roemenie, tussenuitspraak; vragen gesteld over artikel 12 OLW.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-178833-26 Datum uitspraak: 3 september 2026 TUSSENUITSPRAAK op de vordering van 29 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 oktober 2026 door the Galați Court , Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 2000, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the Galați District Court van 5 september 2025, met zaaknummer 9007/233/2024 en kenmerk 1276. Het vonnis van the Galați District Court van 4 augustus 2022, met zaaknummer 24748/233/2022 en kenmerk 1165, is in het verzamelvonnis opgegaan. Het EAB vermeldt hierbij dat het verzamelvonnis onherroepelijk is geworden op 1 oktober 2025 omdat geen hoger beroep is ingesteld. De overlevering wordt verzocht voor twee feiten. In de verzamelprocedure is de straf voor het feit dat door de opgeëiste persoon is begaan op 13 augustus 2021 in the Galați Municipality samengevoegd met de straf voor het feit dat door de opgeëiste persoon is begaan op 26-27 juli 2021 in the Galați Municipality . De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een samengevoegde vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde verzamelvonnis en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. De opgelegde vrijheidsstraf resteert nog in zijn geheel. De opgelegde geldboete van 2.000,- RON is reeds voldaan. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Vonnis van the Galați District Court van 4 augustus 2022, met zaaknummer 24748/233/2022 en kenmerk 1165 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van dit vonnis. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit vonnis niet getoetst hoeft te worden aan de vereisten van artikel 12 OLW. Zij heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de rechtbank van 26 april 2023. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 17 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Verzamelvonnis van the Galați District Court van 5 september 2025, met zaaknummer 9007/233/2024 en kenmerk 1276 Inleiding In het EAB staat bij onderdeel d) vermeld: No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision. Daarbij is aangekruist: 3.4 the person was not personally served with the decision, but the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed and the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 1 month . Op 6 juli 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld over onder meer – kort gezegd – de vraag in hoeverre de (aangekruiste) mogelijkheid van verzet (on)voorwaardelijk is. Op 17 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onderdeel d) van het EAB opnieuw ingevuld. Daarin is wederom aangekruist dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Ditmaal is daarbij niet opnieuw onderdeel 3.4 aangekruist maar is het volgende vermeld: With regard to Criminal Judgment No. 1276/05.09.2025, delivered in case no. 98007/233/2024 of the Galați Court, although he did not appear at any of the court hearings, being represented by court-appointed defence counsel, attorney Viorica Puşcă, the proof of service of the judgment was returned bearing the signature of [opgeëiste persoon] . In view of the above-mentioned circumstances, we proceeded to amend Section D […], as follows: […] 3.3 the person was served with the decision on (day/month/year) [opmerking rechtbank: in de originele versie van het EAB is ingevuld: 11 september 2025] and was expressly informed about the right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined and which may lead to the original decision being reversed and the person expressly stated that he or she does not contest this decision; Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het EAB moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen in het kader van de beoordeling van de vraag of het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. In de aanvullende informatie van 17 juli 2026 stellen de Roemeense autoriteiten dat het verzamelvonnis in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend. Het EAB vermeldt dat het vonnis op 1 oktober 2025 onherroepelijk is geworden. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat de opgeëiste persoon in september 2025 in Nederland arbeid heeft verricht en uitgaven heeft gedaan met zijn bankpas, waaronder op 11 september 2025. De opgeëiste persoon heeft zich sinds zijn komst naar Nederland niet voor de Roemeense autoriteiten onder de radar gehouden. Daarbij ontkent de opgeëiste persoon dat hij op 11 september 2025 het verzamelvonnis heeft ontvangen. Op basis van het voorgaande heeft de verdediging geconcludeerd dat het niet mogelijk is dat het verzamelvonnis in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend. Bovendien is het onvoorstelbaar dat de opgeëiste persoon direct zou hebben verklaard van hoger beroep af te zien en het is onduidelijk ten overstaande van wie hij dat dan zou hebben gedaan. Enige toelichting hierover ontbreekt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. Uit de aanvullende informatie van 17 juli 2026 blijkt dat de uitspraak op 11 september 2025 aan de opgeëiste persoon is betekend, en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. In het EAB staat dat het vonnis op 1 oktober 2025 onherroepelijk is geworden aangezien de opgeëiste persoon niet in hoger beroep is gegaan. De Roemeense autoriteiten vermelden expliciet dat “ the proof of service of the judgment was returned bearing the signature of [opgeëiste persoon] .” De bankafschriften van betalingen met de bankpas van de opgeëiste persoon op 11 september 2025 sluiten niet uit dat het verzamelvonnis op deze datum aan de opgeëiste persoon is betekend. De opgeëiste persoon kan zijn bankpas hebben uitgeleend maar het is ook mogelijk dat het vonnis in Nederland is betekend. Op grond van het vertrouwensbeginsel dient de rechtbank uit te gaan van de juistheid van de aanvullende informatie. De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de behandeling van het EAB moet worden aangehouden teneinde aanvullende vragen te stellen over de vraag of het de opgeëiste persoon na de betekening bekend was dat hij de mogelijkheid had om hoger beroep in te stellen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft wisselende informatie verstrekt door eerst 3.4 aan te kruisen (verzetgarantie) en na vragen daarover 3.3 aan te kruisen met vermelding dat het vonnis op 11 september 2025 aan de opgeëiste persoon is betekend. Daarbij is de optie aangekruist dat de opgeëiste persoon expliciet heeft verklaard dat hij de beslissing niet weerspreekt maar een toelichting daarop ontbreekt. De officier van justitie stelt wel dat de opgeëiste persoon niet in hoger beroep is gegaan, maar deze optie hebben de Roemeense autoriteiten niet aangekruist in het in de aanvullende informatie van 17 juli 2026 opgenomen D-formulier. Bij het voorgaande komt dat de opgeëiste persoon met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de gestelde betekening van het vonnis aan hem in Nederland verbleef. De verstrekte informatie roept vragen op waardoor de rechtbank momenteel niet over voldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten ten aanzien van dit verzamelvonnis heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank ziet ruimte om hierover nadere vragen te stellen, omdat de beslistermijn nog niet is verstreken. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een toelichting te vragen zoals deze ook wordt gevraagd onder punt 4 van onderdeel d) van het EAB (“ If you have ticked the box under points 3.1.b, 3.2 or 3.3 above, please provide information about how the relevant condition has been met ”). Daarbij wenst de rechtbank antwoord op de volgende vragen: Kunt u toelichten hoe de betekening aan opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden? Kunt u toelichten waaruit de verklaring van de opgeëiste persoon, dat hij de beslissing niet weerspreekt, blijkt? In dit licht vraagt de rechtbank ook uw aandacht voor het feit dat de opgeëiste persoon met bankafschriften heeft aangetoond dat met zijn bankpas in september 2025, en ook op 11 september 2025, betalingen in Nederland zijn gedaan en hij naar eigen zeggen na 2023 niet meer in Roemenië is geweest. 5 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: verduistering. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Op 16 juli 2026 is namens the Director General of the National Administration of Penitentiaries een detentiegarantie gegeven, waarin onder meer het volgende is opgenomen: If the individual deprived of liberty is handed over to the Romanian Authorities at Henri Coandă Airport in Bucharest, he will initially be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for a quarantine period of 21 days, in a cell providing a minimum space of 3 square meters. […] When the quarantine period ends, the National Penitentiary Administration determines the penitentiary in which the inmate will serve their sentence, considering the proximity to the inmate's place of residence and also taking into account the execution regime. […] Considering the length of the sentence, it is most likely that the inmate will initially serve the custodial sentence under a semi-open regime . Additionally, given their place of residence, it is likely that the inmate will begin serving their sentence at Brăila Penitentiary . […] Within the Romanian penitentiary system, the execution of custodial sentences and other measures involving deprivation of liberty is organised in such a way as to ensure that persons are not subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment, within the meaning of Article 3 of the European Convention on Human Rights and Fundamental Freedoms. […] The individual named [opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3 square meters throughout the sentence period, except when assigned to the open regime, during which they will benefit from 4 square meters , including the bed and the corresponding furniture, but excluding the space designated for the sanitary area , […] the National Administration of Penitentiaries guarantees that, throughout the sentence execution period, including the bed and corresponding furniture, without including the space designated for the sanitary area , the individual will benefit from a minimum individual space, as follows: - 3 square meters during the quarantine and observation period; […] - 3 square meters in semi-open regime, and - 4 square meters in open regime. The National Administration of Penitentiaries guarantees the execution of the custodial sentence throughout its entire duration, including during the quarantine and observation period, in decent conditions that ensure respect for human dignity. Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering. 7 Schorsingsverzoek Standpunt van de raadsman De raadsman heeft verzocht de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen tot aan de einduitspraak als de zaak wordt aangehouden. De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Nederland woont en werkt en tijd nodig heeft een en ander hier goed af te sluiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing. Uit het EAB en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van vluchtgevaar. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon onvoldoende aangetoond dat hij binding heeft met Nederland. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat onverminderd sprake is van vluchtgevaar. De opgeëiste persoon heeft op een eerder moment in de procedure in raadkamer een schorsingsverzoek gedaan, wat door de rechtbank is afgewezen. Er zijn geen andere omstandigheden naar voren gebracht dan die in voornoemde beslissing al door de rechtbank in overweging waren genomen. De rechtbank ziet ook nu geen aanleiding om de overleveringsdetentie te schorsen. De rechtbank zal het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie daarom afwijzen. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 321 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 4 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit; BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 7 dagen voor 20 september 2026, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip; WIJST AF het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 26 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2760. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 11 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513, rechtsoverweging 5. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ), punt 114.