Rechtbank Overijssel, 02-09-2026 (C/08/343704 / HA ZA 26-20)
erfrecht vonnis in incident
Full text
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/343704 / HA ZA 26-20 Vonnis in incident van 2 september 2026 in de zaak van 1 [partij A1], te [woonplaats 1], 2. [partij A2] , te [woonplaats 2], eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, hierna samen te noemen: [partij A], advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers, tegen [partij B] , te [vestigingsplaats], gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij B], advocaat: mr. D.P.M. Buysrogge, toegevoegd onder nummer 2HC8113, die zich als advocaat heeft onttrokken op de rol van 10 juni 2026. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 januari 2026 met producties 1 t/m 13 - de conclusie van antwoord met productie 1 en met een incidentele vordering tot het overleggen van diverse stukken en het geven van informatie - de conclusie van antwoord in het incident met producties 13 t/m 16. 1.2 Daarna heeft mr. Buysrogge op de rolzitting van 10 juni 2026 meegedeeld zich als advocaat te onttrekken aan deze zaak op verzoek van [partij B] [partij A2]. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 Waar de zaak over gaat [partij A] zijn de broers van [partij B]. Hun moeder is op [overlijdensdatum 1] 2022 overleden en hun vader is op [overlijdensdatum 2] 2024 overleden. Dit geschil heeft betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van vader. Partijen hebben die nalatenschap beneficiair aanvaard. Volgens de broers zijn alle schulden van de nalatenschap voldaan en is de vereffening afgerond. De broers stellen dat zij willen overgaan tot de verdeling van de nalatenschap, maar dat hun zus daaraan niet wil meewerken. De broers hebben daarom in de hoofdzaak verdeling gevorderd met veroordeling van hun zus om daaraan medewerking te verlenen. In de conclusie van antwoord is namens de zus verweer gevoerd en gevraagd om afgifte van stukken. 3 De vordering in het incident 3.1 [partij B] vordert in het incident dat de rechtbank [partij A] zal veroordelen om aan [partij B] de volgende informatie te verstrekken: de mutatieafschriften van de bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] van zes jaren voor het overlijden van vader tot heden; de aangiften en aanslagen IB/PVV van vader betreffende de jaren 2020-2025; de aangifte en aanslag erfbelasting; e nota’s uitvaart + uitkering uitvaartverzekering; informatie over de grondbeleggingen inclusief de belegging die [partij A1] heeft gekocht; de gespecificeerde rekening van notariaat [bedrijf]; opgave en waarde inboedel, waaronder de inhoud van de vitrinekast; opgave en (getaxeerde) waardes sieraden vader en moeder; opgave van alle gedane schenkingen en leningen; alle overige informatie die nodig is en van belang is voor het vaststellen van de omvang van de nalatenschap en de controle op de overgelegde boedelbeschrijving. Daarbij vordert [partij B] om aan bovengenoemde veroordeling een dwangsom te verbinden indien en voor zover [partij A] niet binnen 14 dagen na het wijzen van het (tussen)vonnis de stukken hebben verstrekt, te bepalen op een bedrag van € 250,00 per dag voor elke dag of elk dagdeel dat [partij A] in gebreke zijn met het verstrekken van de stukken, met een maximum van € 10.000,00. 3.2 [partij A] hebben verweer gevoerd. 4 Beoordeling in het incident 4.1 De grondslag voor de vordering in incident is te vinden in artikel 194 lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),aar staat: Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. In artikel 195 RV staat vervolgens dat de rechter een partij kan bevelen om de gevraagde gegevens te verstrekken. 4.2 In hun verweer tegen de door [partij B] onder a) tot en met j) gevraagde informatie hebben [partij A] zich over die gevraagde informatie uitgelaten, waarbij zij in bepaalde gevallen in hun conclusie de gevraagde informatie hebben verstrekt en in bepaalde gevallen hebben toegelicht waarom het gevorderde moet worden afgewezen. 4.3 De rechtbank komt tot het oordeel dat de incidentele vordering grotendeels moet worden afgewezen. Alleen de vordering onder d) tot overlegging van de nota’s van de uitvaart en de uitkering van de uitvaartverzekering wordt toegewezen. De rechtbank licht dit oordeel nader toe. Bankafschriften 4.3.1 Van belang is dat het vermogen van vader met ingang van 10 januari 2023 onder bewind is gesteld (een meerderjarigenbewind als bedoeld in artikel 1:431 BW) met benoeming van [partij A1] tot bewindvoerder. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vader in de periode tot aan het bewind zelf het beheer voerde over zijn financiën. Vanaf de onderbewindstelling heeft [partij A1] de financiën van vader beheerd en heeft hij in het kader van het bewind daarover rekening en verantwoording afgelegd ten overstaan van de kantonrechter. Een kopie van de rekening en verantwoording over de periode 10 januari 2023 tot en met 31 december 2023 heeft [partij A1] als productie 3 bij dagvaarding overgelegd. [partij A1] heeft toegelicht dat hij na het overlijden van vader de eindrekening en verantwoording (productie 4 bij dagvaarding) over het gevoerde bewind heeft ingediend bij de kantonrechter en dat hij dit stuk ook heeft toegestuurd aan de toenmalige advocaat van [partij B]. Het bijbehorende emailbericht daarvan van 8 augustus 2024 heeft [partij A1] overgelegd. Hiermee is inzage gegeven in de financiën van vader. [partij A1] heeft vervolgens aangevoerd dat [partij B] of haar advocaat daarop in het geheel niet heeft gereageerd en dat zij niet eerder buiten deze gerechtelijke procedure om heeft gevraagd om (inzage in) bankafschriften. Uit de conclusie van antwoord van [partij B] blijkt ook niet dat een dergelijk verzoek al eerder is gedaan. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen grond om nu aan [partij A] op te dragen de bankafschriften uit de periode voorafgaand aan het bewind aan [partij B] te verstrekken. Bij dat oordeel weegt mee dat [partij B] geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden. Bovendien hebben [partij A] toegelicht dat zij op dit moment geen toegang hebben tot de bankrekening zodat zij niet in staat zijn bankafschriften te verstrekken. Ook daarom kan de vordering niet worden toegewezen. [partij A] hebben toegelicht dat zij hooguit kunnen worden verplicht mee te werken aan afgifte van een volmacht aan [partij B] zodat zij zelf de bankafschriften kan opvragen. Dat is echter niet gevorderd. De vordering tot afgifte van bankafschriften onder a) zal dan ook worden afgewezen. Belastingaangiften en aanslagen 4.3.2 Ten aanzien van de gevraagde belastingaangiften en aanslagen hebben [partij A] aangevoerd dat [partij B] hier nooit eerder om heeft gevraagd en dat zij bovendien zelf bij de belastingdienst een kopie van de aanslagen en aangiften kan opvragen als mede-vereffenaar. Nu [partij B] niet heeft toegelicht of en op welke wijze zij al inspanningen heeft verricht om de door haar gewenste informatie te verkrijgen, bestaat geen grond om haar vordering op dit onderdeel nu toe te wijzen. Aangifte erfbelasting 4.3.3 [partij A] hebben aangevoerd dat de te verwachten verkrijgingen voor de erfgenamen in de nalatenschap van vader vallen onder de vrijstelling voor de erfbelasting. Zij voeren aan dat een aangifte erfbelasting om die reden niet is gedaan en dat de belastingdienst daar ook niet om gevraagd heeft. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toewijzing van het gevorderde. Nota’s uitvaart en uitkering uitvaartverzekering 4.3.4 De vordering van [partij B] om aan haar een kopie te verstrekken van de nota’s van de uitvaart en de uitkering van de uitvaartverzekering is toewijsbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan een dwangsom te verbinden. Er is namelijk niet gebleken dat [partij A2] en [partij A1] deze informatie niet willen verstrekken. Informatie over grondbeleggingen 4.3.5 [partij B] heeft informatie gevraagd over grondbeleggingen die in het verleden door de ouders zijn gedaan. Bij antwoord in incident heeft [partij A1] een toelichting hierover gegeven. Er is daarom geen belang meer bij toewijzing van de vordering onder e). Rekening van notariaat [bedrijf] 4.3.6 [partij A] hebben aangevoerd dat zij de nota van de notaris vanuit hun eigen vermogen hebben voldaan en dat zij zich niet beroepen op verrekening met de nalatenschap. Er bestaat daarom geen belang bij toewijzing van de vordering onder f). Opgave en waarde inboedel, waaronder de inhoud van de vitrinekast 4.3.7 [partij A] hebben verwezen naar de inhoud van een e-mailbericht van 25 oktober 2022 van hen aan [partij B] en overgelegd als productie 16. Daarin gaat het over de inboedel van de ouders, aangezien moeder in dat jaar is overleden en hun vader gaat verhuizen naar een zorginstelling. In dat bericht is een opsomming gegeven van zaken die bij vader zouden blijven, waaronder de vitrinekast, en een opsomming van zaken die onder hen als kinderen in die periode verdeeld zouden worden. Volgens [partij A] staat de kast met de resterende inhoud opgeslagen bij [partij A1] en mag [partij B] de kast komen ophalen als zij dat wenst. De rechtbank is van oordeel dat met de toelichting van [partij A] op dit moment aan het verzoek van [partij B] onder g) is voldaan. Sieraden 4.3.8 [partij A] hebben tegen de vordering van [partij B] onder h) aangevoerd dat de sieraden al bij leven zijn verdeeld na het overlijden van hun moeder. Volgens hen heeft [partij B] toen het meest waardevolle sieraad, een collier, al ontvangen. [partij A] hebben de e-mailcorrespondentie met [partij B] die hierover gaat overgelegd bij productie 16. Het gevorderde onder h) zal dan ook worden afgewezen. Opgave van schenkingen en leningen 4.3.9 [partij A] hebben bij antwoord in incident een toelichting gegeven over gedane schenkingen en voeren aan dat er geen leningen zijn verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat met de toelichting van [partij A] aan het verzoek van [partij B] onder i) is voldaan. Overige informatie 4.3.10 Als laatste heeft [partij B] gevraagd om alle overige informatie die nodig is en van belang is voor het vaststellen van de omvang van de nalatenschap en de controle op de overgelegde boedelbeschrijving. Deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. Er bestaat daarom geen aanleiding voor toewijzing van het gevorderde onder j). Proceskosten in incident 4.4 Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De voortzetting van de hoofdzaak Mondelinge behandeling en het stellen van een advocaat voor gedaagde 5.1 De rechtbank zal een mondelinge behandeling bepalen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Voor het zover is, is echter het volgende van belang. 5.2 Nadat de advocaat van [partij B] zich aan de zaak heeft onttrokken, heeft zich aan de kant van [partij B] nog geen andere advocaat gesteld. In de onderhavige procedure zijn partijen op grond van de wet verplicht zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat voor het verrichten van proceshandelingen. Onder proceshandelingen worden verstaan het nemen van conclusies en akten en het indienen of overhandigen van schriftelijke stukken in de procedure. Voor de mondelinge behandeling betekent dit dat de partij zonder advocaat, in dit geval [partij B], wel op de mondelinge behandeling mag verschijnen om te worden gehoord over de ingestelde vordering. Deze partij kan echter, zolang zich geen nieuwe advocaat heeft gesteld, geen schriftelijke stukken indienen tijdens of voorafgaand aan de mondelinge behandeling. 5.3 Vanwege het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [partij B] zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rolzitting van 16 september 2026 voor het stellen van een nieuwe advocaat. 5.4 Op die roldatum kunnen partijen tevens hun verhinderdata opgeven voor de maanden december 2026 tot en met maart 2027. Vervolgens zal een datum en tijdstip voor de mondelinge behandeling worden bepaald. 5.5 Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten. 5.6 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 6 De beslissing De rechtbank, in het incident 6.1 veroordeelt [partij A] om binnen veertien dagen na deze uitspraak aan [partij B] de nota’s van de uitvaart en de uitkering van de uitvaartverzekering te verstrekken, 6.2 compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 6.3 wijst af hetgeen meer of ander is gevorderd, in de hoofdzaak 6.4 verwijst de zaak naar de rolzitting van 16 september 2026 voor het stellen van een advocaat aan de zijde van [partij B]; 6.5 beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. D.N.R. Wegerif, in het gerechtsgebouw te Zwolle, Schuurmanstraat 2, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd, 6.6 stelt partijen op de rolzitting van 16 september 2026 in de gelegenheid om schriftelijke opgave te doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2026 tot en met maart 2027 , waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald, 6.7 bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen, 6.8 bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd, 6.9 wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken, 6.10 houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. (ap)