# Rechtbank Den Haag, 05-08-2026 (C/09/696130)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:25410
- Date: 2026-08-05
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A25410
- Canonical: https://overview.legal/posts/354044

## Summary

Verstekvonnis nadat een schikking is getroffen met de wel verschenen gedaagde.

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- / rolnummer: C/09/696130 / HA ZA 25-1115 Vonnis van 5 augustus 2026 in de zaak van HET EFFECTENHUIS COMMISSIONAIRS B.V. te Amsterdam, eiseres in de hoofdzaak en in het incident, hierna te noemen: HEC, advocaat: mr. A.H. Beekhuizen, tegen [gedaagde] te [woonplaats], niet verschenen, gedaagde in de hoofdzaak en in het incident, hierna te noemen: [gedaagde]. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure tegen [gedaagde] blijkt uit: - de dagvaarding van 1 december 2025 met producties 1 tot en met 17; - het tegen [gedaagde] verleende verstek. 2 De beoordeling Inleiding 2.1. Kort samengevat spreekt HEC in deze procedure de (voormalige) bestuurders aan van [vennootschap], een vennootschap naar Belgisch recht (een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Volgens HEC hebben de bestuurders onrechtmatig gehandeld door (i) een procedure namens [vennootschap] tegen haar te voeren terwijl [vennootschap] én was uitgeschreven uit het Belgische handelsregister én failliet was verklaard en (ii) te zorgen dat [vennootschap] haar verplichtingen jegens HEC niet kon nakomen door geld uit het vermogen van [vennootschap] te onttrekken en/of schuldeisers selectief te betalen. HEC spreekt de bestuurders hoofdelijk aan voor haar schade, nader op te maken bij staat. In het incident vordert HEC afschrift van een aantal jaarrekeningen van [vennootschap], op straffe van een dwangsom. 2.2. De dagvaarding was gericht tegen drie (voormalige) bestuurders van [vennootschap]. Met twee van deze drie bestuurders heeft HEC inmiddels een schikking bereikt en de procedure tegen die bestuurders is doorgehaald. Dit vonnis gaat dus alleen nog over de vorderingen van HEC tegen [gedaagde]. Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. HEC spreekt [gedaagde] aan als bestuurder van een rechtspersoon naar Belgisch recht. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en welk recht van toepassing is. Bevoegdheid 2.3. Deze rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van het geschil, omdat [gedaagde] in Nederland woont (artikel 4 lid 1 Brussel I bis-verordening). Toepasselijk recht 2.4. Voor de vraag welk recht van toepassing is op de vordering in de hoofdzaak, moet worden gekeken naar Rome II omdat deze vordering van HEC is gebaseerd op onrechtmatige daad. 2.5. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome II is Nederlands recht van toepassing als degene wiens aansprakelijkheid in het geding is en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben op het tijdstip waarop de schade zich heeft voorgedaan. HEC is gevestigd in Nederland en [gedaagde] woont in Nederland. Nederlands recht is dus van toepassing als [gedaagde] ook in Nederland woonde op het tijdstip waarop de schade zich heeft voorgedaan. De rechtbank kan dat echter niet vaststellen. Als dat niet het geval is, is Nederlands recht alsnog van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 Rome II. De vermogensschade die HEC stelt te hebben geleden (onnodig gemaakte proceskosten en onbetaald gebleven vorderingen), doet zich namelijk voor in Nederland. 2.6. Op de vordering in incident tot het verstrekken van een afschrift van bepaalde gegevens is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 10:3 BW. Inhoudelijke beoordeling Verstekvonnis 2.7. HEC heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. [gedaagde] is niet verschenen en zij heeft geen verweer gevoerd. De vorderingen tegen [gedaagde] zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de rechtbank ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de rechtbank haar beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken door [gedaagde]. 2.8. Dit vonnis moet worden beschouwd als een verstekvonnis. De Hoge Raad heeft namelijk beslist dat als de wel verschenen gedaagden niet langer aan de procedure deelnemen als het eindvonnis wordt gewezen (bijvoorbeeld doordat ten aanzien van hen een schikking is bereikt), tegen de niet verschenen gedaagde een verstekvonnis wordt gewezen. Artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dan niet van toepassing. Hoofdzaak 2.9. De vordering in de hoofdzaak komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarom zal het gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing. 2.10. [gedaagde] is in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van HEC betalen. De proceskosten van HEC in de hoofdzaak worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,21 - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 653,00 (1 punt × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.676,21 Incident 2.11. De (voorwaardelijke) incidentele vordering strekt tot het verstrekken door [gedaagde] van jaarrekeningen van [vennootschap], op straffe van een dwangsom. De incidentele vordering is voorwaardelijk ingesteld. De rechtbank begrijpt deze voorwaarde zo dat als [gedaagde] de betreffende gegevens niet in het geding zou brengen, HEC alsnog afgifte van de gegevens vordert in het incident. De achtergrond daarvan is dat HEC het verloop van het vermogen van [vennootschap] wil controleren in verband met haar stelling dat sprake is van selectieve betaling. In deze procedure heeft [gedaagde] de betreffende gegevens niet overgelegd, dus komt de incidentele vordering aan bod. HEC heeft daar nog belang bij voor het bepalen van haar schade in de schadestaatprocedure. De betreffende jaarrekeningen zijn niet gepubliceerd. 2.12. Deze vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en HEC heeft voldoende gesteld om aan de vereisten van artikel 194 lid 1 Rv te voldoen. Ter toelichting bij het vereiste dat [gedaagde] moet beschikken over de gevraagde gegevens geldt het volgende. 2.13. Recht op inzage, uittreksel of afschrift bestaat tegenover degene die over de gegevens beschikt . Daarvan is in elk geval sprake als een partij de gegevens waarvan inzage wordt verlangd, fysiek onder zich heeft. Het verzoek tot afgifte ziet op de van een samenstellingsverklaring voorziene jaarrekeningen van [vennootschap], bestaande uit ten minste de balans en de winst- en verliesrekening. Die stukken behoren in beginsel toe aan [vennootschap] en niet aan [gedaagde] in privé. Het gaat in dit geval echter om een procedure tegen [gedaagde] in privé op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en [vennootschap] is failliet. Het is een feitelijke vraag of zij over de gevorderde jaarrekeningen beschikt. Omdat [gedaagde] niet betwist dat zij de gevraagde gegevens fysiek (of digitaal) onder zich heeft, staat naar oordeel van de rechtbank in deze procedure vast dat [gedaagde] over de gevraagde gegevens beschikt. 2.14. Daarom zal het gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing, met uitzondering van de volgende twee punten. 2.15. HEC vordert dat [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de gevraagde stukken moet afgeven. Deze termijn vindt de rechtbank te kort om aan de veroordeling te kunnen voldoen en de termijn wordt daarom aangepast naar veertien dagen na betekening. 2.16. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 500 per dag of dagdeel met een maximum van € 20.000. 2.17. [gedaagde] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van HEC in het incident betalen. De proceskosten van HEC in het incident worden begroot op nihil, omdat HEC geen apart processtuk in het incident heeft ingediend en geen mondelinge behandeling in het incident heeft plaatsgevonden. 3 De beslissing De rechtbank: in het incident 3.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan HEC een afschrift te verstrekken van de (integrale) jaarrekeningen van [vennootschap] van de jaren 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022 bestaande uit ten minste de balans en de winst- en verliesrekening en voorzien van een samenstellingsverklaring van een accountant, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag(deel) dat [gedaagde] daarmee in gebreke is met een maximum van € 20.000; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van HEC in het incident en begroot deze kosten op nihil; 3.3. verklaart het bepaalde onder 3.1. en 3.2. uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. in de hoofdzaak 3.5. verklaart voor recht dat [gedaagde] als (voormalig) bestuurder van [vennootschap] op grond van de bij dagvaarding gestelde feiten onrechtmatig heeft gehandeld jegens HEC en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de daardoor door HEC geleden schade nader op te maken bij staat; 3.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.676,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.7. verklaart de veroordeling onder 3.6. uitvoerbaar bij voorraad; 3.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. 3557 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1. Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40. Hoge Raad 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274, r.o. 3.4. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 49.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354044 · 2026-09-17
