Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:11623 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 12-06-2026 (C/15/368684 / HA RK 25-122)

Rechtbank Noord-Holland
Summary

Beschikking. Verzoek inzage gegevens. Rechtbank wijst het verzoek af. Verzoekster is geen partij bij de verzekeringsovereenkomst, waar alle verzoeken wel betrekking op hebben. Geen partij bij de rechtsbetrekking.

Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/368684 / HA RK 25-122 Beschikking van 12 juni 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. E. Wytema, tegen 1 VVAA SCHADEVERZEKERING N.V., te Utrecht, advocaat: mr. E.J. Wervelman, 2. [verweerder sub 2] , te [woonplaats] , verwerende partijen, hierna te noemen: VvAA, Clinique [Clinique B.V.] en [verweerder sub 2] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, dat mede tegen Clinique [Clinique B.V.] Hengelo B.V. (hierna: Clinique [Clinique B.V.] ) als verweerder was gericht; - het aanvullend verzoekschrift; - het verweerschrift van VvAA; - het e-mailbericht namens [verzoekster] van 14 november 2025 waarmee het verzoek ten aanzien van Clinique [Clinique B.V.] wordt ingetrokken; - het e-mailbericht van [verweerder sub 2] van 1 december 2025, waarin hij bericht in te stemmen met het verzoek; - de e-mailbericht van [verweerder sub 2] van 18 februari 2026, met als bijlage een brief aan de rechtbank van 12 februari 2026; - de mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Mrs. Wytema en Wervelman hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen; - de brief van 8 mei 2026, waarin de rechtbank partijen vraagt of zij vanwege ziekte van mr. Auwerda een nadere mondelinge behandeling wensen; - de e-mailberichten van 19 mei 2026 van [verzoekster] en VvAA waarin zij mededelen af te zien van een nadere mondelinge behandeling. 1.2. Vervolgens is bepaald dat een beschikking zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [verzoekster] heeft op 6 april 2024 onder algehele anesthesie een facelift ondergaan (hierna: de behandeling). De behandelovereenkomst daarvoor is gesloten met Clinique [Clinique B.V.] . [verweerder sub 2] is de arts die de behandeling feitelijk heeft uitgevoerd. 2.2. Tijdens de operatie zijn complicaties opgetreden, waarbij de nervus facialis van [verzoekster] is beschadigd. Bij brief van 20 juni 2024 heeft (de advocaat van) [verzoekster] Clinique [Clinique B.V.] en [verweerder sub 2] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van door haar gestelde beroepsfouten. 2.3. Clinique [Clinique B.V.] was voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij VvAA. VvAA heeft naar de aansprakelijkheid een onderzoek ingesteld en bij brief aan de advocaat van [verzoekster] van 29 november 2024 onder meer het volgende bericht: “Deze kwestie valt niet onder de dekking van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Clinique [Clinique B.V.] . Aansprakelijkheid die voortvloeit uit behandelingen die zijn uitgevoerd onder algehele anesthesie zijn uitgesloten van dekking. (…) Met onze verzekerde zijn wij overeeengekomen de behandeling van deze kwestie coulancehalve namens hen op te pakken. Concreet betekent dit het volgende: VvAA neemt de schaderegeling ter hand, als het ware de kwestie onder dekking van de verzekering was gevallen. Alle kosten en/of voorschotten worden rechtstreeks door onze verzekerde aan u(w cliënte) en derden betaald. (…) Namens onze verzekerde wordt aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van i) het niet voorafgaand aan de ingreep informeren van uw cliënte over de mogelijke complicatie letsel van de facialis zenuw, ii) het niet adequaat reageren op de opgemerkte parese tijdens de ingreep, iii) het niet noteren van de zenuwbeschadiging en beschadiging van de arterie in het operatieverslag en iv) de gebrekkige nazorg.” 2.4. Clinique [Clinique B.V.] heeft in totaal circa € 50.000 aan voorschotten aan [verzoekster] uitgekeerd. 2.5. Clinique [Clinique B.V.] is op 9 oktober 2025 failliet verklaard. Daarbij is mr. N.J.H. Leferink benoemd als curator (hierna: de curator). 2.6. VvAA acht zich gezien het faillissement van Clinique [Clinique B.V.] niet meer gebonden aan de coulancehalve afspraken waarnaar in voornoemde brief van 29 november 2024 wordt verwezen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] heeft de rechtbank, na wijziging van het verzoek, verzocht om verweerders op te dragen inzage te geven door: I. het beantwoorden door VvAA en [verweerder sub 2] van vragen ten aanzien van (het bestaan van) een aparte aansprakelijkheidsverzekering met [verweerder sub 2] als cosmetisch arts en door VvAA (en aanvankelijk Clinique [Clinique B.V.] ) van vragen ten aanzien van (kort gezegd) de inhoud en totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst met Clinique [Clinique B.V.] inclusief uitsluitingsclausule en de afspraken tussen VvAA en Clinique [Clinique B.V.] ten aanzien van de schaderegeling ten aanzien van [verzoekster] ; II. de volgende stukken ter inzage te verstrekken: a. aanvraag verzekering (offerte), b. de acceptatievraag (ingevuld), c. correspondentie tussen Clinique [Clinique B.V.] en VvAA met betrekking tot het afsluiten van de verzekering (e-mails, telefoonnotities etc.),g. alle gevoerde correspondentie met Clinique [Clinique B.V.] met betrekking tot de schaderegeling naar aanleiding van de aansprakelijkstelling met inzicht in de gevolgen bij de schending door Clinique [Clinique B.V.] van de met VvAA gemaakte afspraken. [verzoekster] heeft het eerder onder d. tot en met f. verzochte laten vervallen in verband met inmiddels overgelegde stukken. In het aanvullend verzoekschrift is verder gevraagd om overlegging van verslagen van jaarlijkse adviesgesprekken tussen VvAA en [verweerder sub 2] of, als dergelijke verslagen niet zijn opgemaakt, van overige stukken, zoals correpondentie met betrekking tot die gesprekken. 3.2. Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder sub 2] heeft bij de uitvoering van de behandeling verschillende beroepsfouten gemaakt. De gevolgen daarvan zijn zeer ingrijpend. [verzoekster] is benadeelde in de zin van artikel 7:954 Burgerlijk Wetboek (BW) (directe actie bij aansprakelijkheidsverzekeringen). Zij heeft belang bij de door haar verzochte inzage, om haar kansen in een bodemprocedure te kunnen beoordelen. Dat belang is voor haar spoedeisend vanwege de oplopende schade, financieel, medisch en psychisch. Ter zitting is namens [verzoekster] toegelicht dat zij wil kunnen beoordelen of de uitsluitingsclausule die in de verzekeringsovereenkomst tussen VvAA en Clinique [Clinique B.V.] is opgenomen, van tafel moet. Daarvoor stelt zij de gevraagde gegevens nodig te hebben. 3.3. VvAA acht [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek en verzet zich ook inhoudelijk tegen toewijzing van het verzoek. Zij voert daartoe het volgende aan. 3.3.1. [verzoekster] heeft haar verzoek ingediend ter beoordeling van haar aanspraken als benadeelde in de zin van artikel 7:954 BW. Op grond van artikel 7:954 lid 6 BW moet ook de verzekerde in het geding worden geroepen. [verzoekster] heeft weliswaar aanvankelijk het verzoek ook tegen Clinique Dr. [verzoekster] ingesteld, maar heeft dat tijdens de procedure ingetrokken. Zij is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek, aldus VvAA. Daarnaast dient het verzoek volgens VvAA ook op inhoudelijke gronden te worden afgewezen, omdat artikel 7:954 BW geen mogelijkheid tot inzage biedt. Verder heeft [verzoekster] al een groot aantal stukken ontvangen, zodat zij geen belang meer heeft. Niet duidelijk is namelijk welke stukken nog zouden ontbreken. Ook is [verzoekster] geen partij bij de rechtsbetrekking waarop het inzageverzoek ziet en valt het beantwoorden van vragen niet onder ‘inzage in bepaalde gegevens’ zoals bedoeld in artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ten slotte voert VvAA aan dat gewichtige redenen zich tegen toewijzing van het inzageverzoek verzetten, vanwege haar geheimhoudingsplicht ten aanzien van persoonsgegevens en omdat het deels concurrentiegevoelige informatie betreft. 3.4. [verweerder sub 2] heeft ingestemd met het verzoek. Hij heeft ter zitting onbetwist gesteld alle stukken waarover hij al beschikte of nog tijdens deze procedure kwam te beschikken, aan [verzoekster] te hebben doorgestuurd. 4 De beoordeling 4.1. Omdat het verzoekschrift na 1 januari 2025 is ingediend, is de wetgeving zoals die vanaf die datum geldt van toepassing. 4.2. Het verzoek van [verzoekster] betreft een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in artikel 196 Rv. [verzoekster] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. 4.3. Het verzoek is gebaseerd op artikel 195 Rv in combinatie met artikel 194 Rv. Op grond van artikel 195 Rv kan de rechter op verzoek van een partij die daar ingevolge artikel 194, eeste lid, eerste volzin Rv recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittrekstel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Verzoek jegens [verweerder sub 2] 4.4. [verweerder sub 2] heeft de rechtbank laten weten in te stemmen met het verzoek. Uit het aanvullend verzoekschrift en ter zitting is gebleken dat [verweerder sub 2] gegevens die betrekking hebben op de verzekeringsovereenkomst tussen VvAA en Clinique [Clinique B.V.] heeft doorgestuurd aan [verzoekster] . Deels zijn dat gegevens die hij van VvAA of van de curator in het faillissement van Clinique [Clinique B.V.] heeft ontvangen. [verweerder sub 2] heeft ter zitting onbetwist gesteld hij alle gegevens waarover hij beschikte heeft doorgestuurd aan [verzoekster] . Hij heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voor zover het hem mogelijk was meegewerkt en voldaan aan het door [verzoekster] verzochte. Onder die omstandigheden ontbreekt naar het oordeel het belang van [verzoekster] bij het verzoek jegens [verweerder sub 2] , zodat het alleen al daarom zal worden afgewezen. 4.5. [verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder sub 2] worden begroot op: - griffierecht € 341,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 530,00 Verzoek jegens VvAA 4.6. De rechtbank is van oordeel dat ook het verzoek jegens VvAA niet toewijsbaar is. Dat wordt hierna nader toegelicht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de beantwoording van vragen (3.1 onder I) en de inzage in stukken (3.1 onder II). De beantwoording van de vragen Ten aanzien van de beantwoording van vragen, overweegt de rechtbank als volgt. 4.7. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak met betrekking tot artikel 843a Rv (oud), dat gold tot 1 januari 2025, volgt dat een verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel uitsluitend bestaande bescheiden kan betreffen. Op zich heeft [verzoekster] terecht aangevoerd dat het begrip ‘gegevens’ zoals dat nu in artikel 194 Rv is opgenomen (in plaats van het begrip ‘bescheiden’ van artikel 843a Rv (oud)), ruim moet worden opgevat. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook beeld- en geluidsdragers en computerbestanden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daar echter niet uit dat onder de werking van de artikelen 194 en 195 Rv, in afwijking van de jurisprudentie ten aanzien van artikel 843a Rv (oud), ook niet reeds bestaande gegevens moeten worden verstrekt. Beantwoording van inhoudelijke vragen, zoals die door [verzoekster] zijn gesteld, valt dan ook niet onder de reikwijdte van artikel 194 Rv. Het verzoek kan dan ook voor zover het betreft de onder 22 van het verzoekschrift gestelde vragen, alleen al daarom niet worden toegewezen. Inzage in stukken 4.8. Wat betreft de inzage in stukken geldt het volgende. De gevraagde stukken betreffen allen de verzekeringsovereenkomst tussen VvAA en Clinique [Clinique B.V.] en in verband daarmee gemaakte afspraken tussen deze partijen. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] geen partij is bij die verzekeringsovereenkomst, zodat aan de voorwaarde dat [verzoekster] partij moet zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevraagde stukken betrekking hebben, zoals bedoeld in artikel 194 Rv, niet wordt voldaan. Dat wordt als volgt toegelicht. 4.9. [verzoekster] beroept zich, wat betreft de mogelijk in een bodemprocedure in te stellen vordering, op artikel 7:954 BW. Artikel 7:954 lid 1 BW bepaalt dat in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid aan de verzekeraar ingevolge artikel 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. [verzoekster] stelt dat op die manier een rechtsbetrekking is ontstaan en legt deze rechtsbetrekking aan haar inzageverzoek ten grondslag. 4.10. [verzoekster] heeft ter zitting erkend dat zij op grond van artikel 7:954 BW geen zelfstandig, maar een afgeleid recht heeft en dat zij zelf geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst tussen VvAA en Clinique [Clinique B.V.] . Zij stelt echter te kunnen worden vereenzelvigd met Clinique [Clinique B.V.] , waardoor zij op die manier partij bij de verzekeringsovereenkomst is geworden. Zonder nadere toelichting op die stelling, die ontbreekt, valt echter niet in te zien hoe van vereenzelviging sprake kan zijn. 4.11. De rechtbank is daarom van oordeel dat [verzoekster] geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst, zodat zij alleen al daarom geen recht heeft op de gevraagde (inzage in) stukken. Proceskosten 4.12. [verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van VvAA betalen. 4.13. De proceskosten van VvAA worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.230,00 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de verzoeken af, 5.2. veroordeelt [verzoekster] ten aanzien van VvAA in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [verzoekster] ten aanzien van [verweerder sub 2] in de proceskosten van € 530,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. verklaart deze beschikking, met uitzondering van 5.1, uitvoerbaar bij voorraad. Bij ontstentenis van mr. S.M. Auwerda is deze beschikking gegeven door mr. P. Vrugt en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026. Artikel 197 lid 2 en lid 3 Rv. Zie bij voorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9024. TK 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 48.