# Rechtbank Midden-Nederland, 11-06-2026 (UTR 25/6085)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:5420
- Date: 2026-06-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A5420
- Canonical: https://overview.legal/posts/354047

## Summary

AVG, FSV, Beroep gegrond, Zoekslag te beperkt uitgevoerd. Eiser heeft nadrukkelijk gevraagd om bij de zoekslag te betrekken dat hij gelieerd is aan verschillende rechtspersonen en dat heeft de minister niet kenbaar bij de gemaakte zoekslag betrokken. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de weigeringsgronden die hij heeft toegepast op de persoonsgegeven in de FSV onvoldoende heeft gemotiveerd.

## Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6085 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh), en de minister van Financiën (gemachtigden: J.L. Lam LLM MSc en mr. C. Pels). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het inzageverzoek dat eiser op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bij de minister heeft ingediend. Eiser heeft op 4 november 2024 verzocht om inzage in al zijn persoonsgegevens die de minister de afgelopen tien jaar heeft verwerkt. Het gaat hem zowel om de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) als de overige dossiers waarin hij mogelijk voorkomt. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij niet alleen als privépersoon in de systemen kan voorkomen maar ook als bestuurder van verschillende rechtspersonen. 1.1. De minister heeft inzage verstrekt in de verwerking van de persoonsgegevens van eiser in de gebruikelijke systemen. De minister heeft inzage in de persoonsgegevens van eiser die worden verwerkt in de FSV gedeeltelijk geweigerd. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. In het verweerschrift heeft de minister namelijk de resultaten van een aanvullende zoekslag weergegeven en heeft hij meer persoonsgegevens van eiser aangetroffen en daarvan inzage gegeven. Daaruit volgt dat de zoekslag. die de minister eerder heeft uitgevoerd, niet volledig is geweest en dat alleen al maakt dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de zoekslag te beperkt heeft uitgevoerd. Eiser heeft nadrukkelijk gevraagd om bij de zoekslag te betrekken dat hij gelieerd is aan verschillende rechtspersonen en dat heeft de minister niet kenbaar bij de gemaakte zoekslag betrokken. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de weigeringsgronden die hij heeft toegepast op de persoonsgegeven in de FSV onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep van eiser is dus om verschillende redenen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft bij de minister een AVG-verzoek ingediend op 4 november 2024. De minister heeft op deze aanvraag beslist in het besluit van 12 februari 2025. Het bezwaar van eiser is gegrond verklaard in het bestreden besluit van 3 september 2025 en de minister heeft eiser aanvullend inzage gegeven in de verwerking van zijn persoonsgegevens. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank heeft de relevante wetgeving in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen. Wat ging er aan deze procedure vooraf? 4. Eiser heeft eerder een verzoek ingediend om inzage in de FSV. Daarop heeft de minister in een besluit van 7 september 2023 beslist. De minister heeft toen inzage gegeven in de persoonsgegevens van eiser die in vier rubrieken in de FSV worden verwerkt. De minister heeft in datzelfde besluit de inzage in een deel van de persoonsgegevens geweigerd onder verwijzing naar de weigeringsgrond van artikel 23 van de AVG en artikel 41, eerste lid aanhef en onder i, van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG), wat inhoudt dat de gegevens volgens de minister niet kunnen worden ingezien ter bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. 5. Eiser heeft vervolgens een nieuw AVG-verzoek bij de minister ingediend, waarbij hij niet alleen inzage in de FSV verzoekt maar ook inzage in de overige systemen van de Belastingdienst. 6. In het besluit van 12 februari 2025 heeft de minister verwezen naar het eerdere besluit van 7 september 2023 over de persoonsgegevens in de FSV. Hij heeft verder toegelicht dat eiser belastingplichtig is voor inkomstenbelasting, omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting. Dit is de reden dat de minister de zoekslag heeft gericht op de algemene systemen en applicaties die gebruikt worden voor de algemene registratie van eiser bij de Belastingdienst, voor de invordering en voor de hiervoor genoemde belastingmiddelen. De minister heeft persoonsgegevens van eiser in die systemen aangetroffen en daarvan inzage gegeven. In het besluit op bezwaar heeft de minister aanvullend gezocht naar persoonsgegevens en gegevens gevonden in het programma Klantbeeld. Dat is een intern systeem om een compleet overzicht te krijgen van een belastingplichtige, dus van een burger of bedrijf, op één centrale plek. Er is op verzoek van eiser ook gezocht naar persoonsgegevens van eiser in relatie tot [bedrijf] B.V.. De minister heeft daarnaast melding gemaakt van de persoonsgegevens die in de FSV zijn aangetroffen, waaronder een aantekening. De minister heeft inzage van de persoonsgegevens in de FSV geweigerd onder verwijzing naar de weigeringsgronden van artikel 23 van de AVG en artikel 41, eerste lid, aanhef en onderdelen d, e, h en i van de UAVG. Verder heeft de minister nog gekeken naar andere applicaties en verwerkingsprocessen die vergelijkbaar zijn aan de FSV en die mogelijk risico’s ten aanzien van de naleving van de AVG meebrengen. Is de zoekslag van de minister voldoende geweest? 7. De minister heeft in beroep nog een zoekslag verricht die ertoe heeft geleid dat er inzage is verleend in het invorderingssysteem van de Belastingdienst. Daarmee staat vast dat de zoekslag in het bestreden besluit niet volledig is geweest. Alleen al daarom is het beroep van eiser gegrond. 8. De vraag is of de zoekslag, los van wat er in beroep nog is aangetroffen, voor de rest voldoende is geweest. 9. De rechtbank stelt vast dat het geschil over de verrichte zoekslag zich toespitst op de vraag of de zoekslag die de minister heeft uitgevoerd voldoende aansluit bij eisers persoon. De rechtbank oordeelt dat dat niet het geval is. 10. De minister wordt gevolgd in zijn standpunt dat niet verwacht kan worden dat hij in alle 930 systemen en applicaties die de Belastingdienst gebruikt, zoekt naar persoonsgegevens van eiser. Eiser heeft evenwel specifieke omstandigheden aangedragen over zijn persoon en van de minister mag wel worden verwacht dat hij die bij zijn zoekslag betrekt. Juist omdat eiser bij zijn aanvraag heeft gezegd dat hij gelieerd is aan verschillende stichtingen, verenigingen en vennootschappen, had de minister deze omstandigheden kenbaar moeten betrekken bij de zoekslag. Het is in dit geval niet voldoende dat de minister alleen zoekt in de zogenaamde gangbare systemen. Voor de minister had de informatie van eiser ertoe moeten leiden dat ook gezocht wordt naar persoonsgegevens van eiser in systemen waarin gegevens voorkomen van de genoemde rechtspersonen. Dat gegevens van een rechtspersoon volgens de AVG geen persoonsgegevens zijn, betekent immers niet dat bij een zoekslag aan de hand van genoemde rechtspersonen geen persoonsgegevens van eiser zullen worden aangetroffen. Eiser benoemt verder dat hij in 2018 betrokken is geweest bij twee faillissementen van bedrijven en dat zijn naam mogelijk zou kunnen voorkomen in het contact dat de curator en de gemeente Almere hebben gehad met de Belastingdienst. Ook dit had aanleiding voor de minister moeten zijn om specifieker te zoeken naar de persoonsgegevens van eiser in relatie tot de afhandeling van die faillissementen. Dit heeft hij ten onrechte nagelaten. De minister had dus bij de uitvoering van de zoekslag moeten laten zien dat hij deze omstandigheden heeft betrokken door daarmee rekening te houden in de keuze van de systemen waarin moet worden gezocht op verwerking van persoonsgegevens. De zoekslag is gelet op het vorenstaande niet naar behoren uitgevoerd omdat deze onvoldoende is geïndividualiseerd. 11. De minister heeft verder aangegeven dat de persoonsgegevens die van eiser in de systemen zijn aangetroffen steeds dezelfde zijn, zoals zijn naam, adres en woonplaats, de zogenaamde NAW-gegevens. Inzage in de verschillende systemen van de Belastingdienst zal eiser volgens hem dus niets nieuws opleveren. Daargelaten dat het voor eiser meerwaarde heeft om te weten in welke systemen zijn naam voorkomt en voor welke doeleinden zijn persoonsgegevens in die systemen worden verwerkt, kan de minister niet met zekerheid zeggen dat hij geen andere persoonsgegevens van eiser verwerkt dan de NAW-gegevens. In dit verband vindt de rechtbank relevant om erop te wijzen dat onder persoonsgegevens op grond van artikel 4 van de AVG alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon valt. Als voorbeelden worden in artikel 4 van de AVG gegeven een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon. Door het Europees Hof en de Hoge Raad wordt een ruime uitleg gegeven aan het begrip persoonsgegevens. Daaruit volgt dat het begrip persoonsgegevens zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie in de vorm van meningen of beoordelingen, zolang die informatie de betrokkene betreft. Daarvan is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een natuurlijk persoon. Het gaat eiser ook niet zozeer om inzage in de NAW-gegevens, maar vooral om die feitelijke en waarderende gegevens over hem als persoon. Hij vermoedt dat dit soort gegevens er zijn, omdat de door hem bij de belastingdienst ingediende verzoeken om bijvoorbeeld uitstel van betaling, zonder goede reden zijn geweigerd. Ook moet er volgens hem contact zijn geweest tussen de curator, de gemeente Almere en de Belastingdienst over de faillissementen waarbij hij betrokken is geweest. Het is aan de minister om hier het nodige onderzoek naar te doen, dat zich dus niet kan beperken tot alleen een zoekslag in de gangbare systemen aan de hand van NAW-gegevens. De zoekslag moet ook in dat opzicht beter aansluiten op het profiel van eiser. 12. De rechtbank komt gelet op wat hiervoor is overwogen tot de conclusie dat de zoekslag niet voldoende is geweest. Het beroep van eiser is ook daarom gegrond. Moest de minister onderliggende documenten aan eiser verstrekken? 12. De minister heeft inzage gegeven in de, in de systemen aangetroffen persoonsgegevens, maar daarbij niet de onderliggende documenten aan eiser toegezonden. Eiser stelt dat hij ook recht heeft op inzage in die onderliggende documenten. Hij wijst erop dat als er feitelijke en waarderende gegevens over zijn persoon zijn aangetroffen niet kan worden volstaan met inzage in die gegevens via overzichten. Dit volgt volgens eiser uit het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007. 14. Eiser heeft hierin geen gelijk. Volgens vaste rechtspraak houdt het recht op inzage op grond van artikel van de 15 AVG niet in dat er ook een recht bestaat op kopieën van stukken of dossiers. Dit staat los van het type persoonsgegeven dat wordt verwerkt. Artikel 15 van de AVG is namelijk niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. Ook als er feitelijke en waarderende gegevens van eiser worden verwerkt, kan de inzage in die gegevens plaatsvinden via overzichten. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet. 15. De rechtbank begrijpt uit wat hierover op de zitting is besproken dat eiser vooral inzicht wil hebben in de feitelijke en waarderende documenten die de Belastingdienst van hem verwerkt. In zoverre is deze beroepsgrond gelijk aan de hiervoor besproken beroepsgrond. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor heeft overwogen. De minister had hier beter naar moeten zoeken dan nu is gedaan. Heeft de minister inzage in de aangetroffen persoonsgegevens in de FSV mogen weigeren? 16. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de uitzonderingsgronden van artikel 23 AVG en 41 UAVG heeft toegepast op de persoonsgegevens die zijn aangetroffen in de FSV, althans dat de minister de genoemde weigeringsgronden niet heeft toegelicht. 16. De minister heeft de FSV-documenten waarvan hij inzage heeft geweigerd aan de rechtbank toegestuurd met een verzoek om beperkte kennisneming zoals bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om de geheime stukken in te zien. 18. De rechtbank stelt vast dat de ingezonden stukken bestaan uit vijf verschillende opnames in de FSV waarvan er vier zijn genoemd in het besluit van 7 september 2023, waarbij de minister in dat besluit ook (gedeeltelijk) inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens die in de vier opnames zijn verwerkt. Bij de vijfde opname is er ook een aantekening en bijlagen in de verstrekte stukken aangetroffen. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de inzage in de persoonsgegevens wordt geweigerd onder verwijzing naar de weigeringsgronden van artikel 23 van de AVG en artikel 41, eerste lid, aanhef en onderdelen d, e, h en i van de UAVG. 18. In het bestreden besluit heeft de minister niet gemotiveerd waarom deze weigeringsgronden in deze concrete situatie van toepassing zijn. Ook is niet duidelijk op welke onderdelen van de vijf opnames en bijlagen de vier genoemde weigeringsgronden moet worden toegepast en hoe dat zich verhoudt tot het besluit van 7 september 2023. De minister stelt dat een motivering van de weigeringsgronden op zichzelf al te veel informatie zal prijsgeven die hij nu juist aan eiser wil onthouden. 18. De rechtbank kan gelet hierop echter in het geheel niet beoordelen op welke persoonsgegevens de minister de genoemde weigeringsgronden precies heeft toegepast en waarom. Daarbij mist ook een gemotiveerde weging van de belangen bij het hanteren van de genoemde uitzonderingsgronden. Zo’n belangenafweging is nodig, omdat artikel 41 van de UAVG voorschrijft dat de weigering van inzage in persoonsgegevens noodzakelijk en evenredig moet zijn. Om dit te kunnen vaststellen dient de belangenafweging te zijn voorzien van een nadere motivering en deze motivering ontbreekt. 18. De rechtbank begrijpt dat de minister niet teveel informatie wil prijsgeven om de belangen als genoemd in artikel 41 van de UAVG te beschermen, maar dat neemt niet weg dat van hem mag worden verwacht dat hij zijn motivering zo formuleert dat voor eiser en de rechtbank duidelijk wordt waarom deze belangen in de weg staan aan inzage in de persoonsgegevens. Eiser tast nu volkomen in het duister over de reden waarom hij geen inzage krijgt in die gegevens. Maar ook de rechtbank kan niet controleren of de minister de weigeringsgronden op juiste wijze heeft toegepast. Ditzelfde geldt ook voor de belangenafweging. 18. De rechtbank vindt in dit geval verder relevant om te benadrukken dat de verwerking van persoonsgegevens in de FSV onrechtmatig is geweest. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit geconcludeerd. De minister erkent dit zelf ook en heeft daarom de nodige maatregelen genomen, waaronder dat de FSV niet meer gebruikt wordt. De gegevens uit het systeem zijn opgeslagen in een afgeschermde datakluis, waar maar zeer weinig mensen toegang toe hebben. Daarmee is echter geen einde gekomen aan de verwerking van persoonsgegevens van eiser. 18. Transparantie over de verwerking van persoonsgegevens is in alle gevallen het uitgangspunt van de AVG, maar juist bij een vastgestelde onrechtmatige verwerking zoals hier aan de orde, mag van de minister verwacht worden dat hij zich extra inspant om daar waar mogelijk inzage te geven in de persoonsgegevens die van eiser verwerkt worden. Als inzage niet mogelijk is, mag van de minister verwacht worden te motiveren welke weigeringsgronden van toepassing zijn op welke persoonsgegevens. Deze transparantie is in dit geval ver te zoeken. Zo is bijvoorbeeld voor eiser helemaal niet duidelijk wat de aanleiding is van zijn opname in de FSV. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting toegelicht dat een informatieverzoek van het LBIO uit 2018 aanleiding is geweest voor deze opname. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat er een opname is van een eerdere datum Dit roept de nodige vragen op over het moment van opname in de FSV en de reden voor die opname. Niet valt in te zien dat de minister hierover aan eiser niet meer duidelijkheid kan verschaffen. Een motivering hiervoor ontbreekt. De beroepsgrond van eiser slaagt. Conclusie en gevolgen 24. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister moet opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen, waarbij hij opnieuw een zoekslag zal moeten verrichten en moet motiveren hoe hij heeft gezocht en waarom. Verder zal de minister opnieuw moeten kijken naar de persoonsgegevens in de FSV en, als hij geen inzage wil geven in die gegevens, moeten motiveren op welke grondslag inzage wordt geweigerd en waarom dat noodzakelijk en evenredig is. 24. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval een bestuurlijke lus toe te passen. De reden daarvoor is dat er nog teveel moet gebeuren en de minister in elk geval een nieuw besluit zal moeten nemen. Een aanvullende motivering volstaat niet. De rechtbank vindt het in dit stadium niet opportuun om de zaak aan zich te houden en past daarom geen bestuurlijke lus toe. 24. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 3 september 2025; - draagt de minister op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - draagt de minister op het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 23 Beperkingen 1. De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van: […] d) de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid; […] h) een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), tot en met e) en punt g) bedoelde gevallen; i) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; […]. Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 41. Uitzonderingen op rechten betrokkene en plichten verwerkingsverantwoordelijke 1. De verwerkingsverantwoordelijke kan de verplichtingen en rechten, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 21 en artikel 34 van de verordening, buiten toepassing laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van: […] d. de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid; e. andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Europese Unie of van Nederland, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Europese Unie of van Nederland, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid; […] h. een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de gevallen, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, e en g; i. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; of […]. Zie overwegingen 34 en 35 van het arrest van het Hof van Justitie van 20 december 2017 (ECLI:EU:C:2017:994). ECLI:NL:HR:2007:AZ4663). Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) rov. 6.1. Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354047 · 2026-09-17
