Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:26249 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 08-09-2026 (NL25.48047)

Rechtbank Den Haag
Summary

Asiel Tadzjikistan; derde opvolgende asielaanvraag; WI 2024/6 in overeenstemming met Unierecht; ongeloofwaardig dat eiser onder valse voorwendselen strafrechtelijk wordt vervolgd door de Tadzjiekse autoriteiten; subsidiair art. 3 EVRM; strafvervolging wegens commuun delict (fraude) in land van herkomst houdt geen verband met een verdragsgrond; ongegrond.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48047 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [X] , eiser (gemachtigde: mr. H. Postma), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.R. de Groot). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag mocht beoordelen aan de hand van Werkinstructie (WI) 2024/6 en dat de toepassing daarvan in overeenstemming is met het Unierecht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser onder valse voorwendselen strafrechtelijk wordt vervolgd door de Tadzjiekse autoriteiten en dat deze vervolging politiek gemotiveerd is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met eerst kort een samenvatting van de eerdere asielaanvragen van eiser. De redenen waarom eiser een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 4. Onder 5 volgt een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 13 augustus 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Eiser heeft de rechtbank op 13 november 2025 verzocht de behandeling van het beroep ter zitting van 17 november 2025 aan te houden in verband met het door hem bij Interpol ingediend inzageverzoek. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Nadat Interpol op 13 maart 2026 op het verzoek heeft beslist, heeft eiser de beslissing van Interpol aan de rechtbank toegezonden en aanvullende gronden ingediend. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening , op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Eerdere asielaanvragen 3. Eiser heeft de Tadzjiekse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996. Eiser heeft eerder asielaanvragen ingediend, die allemaal zijn afgewezen. De eerste asielaanvraag van eiser is van 6 juli 2018 en is met het besluit van 29 augustus 2019 afgewezen. Op 12 januari 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak bevestigd. 3.1. De tweede asielaanvraag van eiser is van 6 april 2021 en is met het besluit van 26 november 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 7 januari 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, dit besluit vernietigd, omdat de minister niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht met betrekking tot het onderzoek van Bureau Documenten. De rechtbank heeft de minister opgedragen opnieuw op de opvolgende asielaanvraag van eiser te beslissen. 3.2. Op 25 januari 2022 heeft de minister de tweede asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 31 mei 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep van eiser ongegrond verklaard. Huidige asielaanvraag 4. Op 13 augustus 2023 heeft eiser zijn huidige (derde) opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser legt aan deze asielaanvraag ten grondslag dat er een gefabriceerde rechtszaak tegen hem is aangespannen in Tadzjikistan en dat hij op valse gronden strafrechtelijk is aangeklaagd voor het plegen van een misdrijf wegens beschuldiging van fraude bij het doorverkopen van goud. Hij wordt daarom gezocht door de Tadzjiekse autoriteiten en loopt bij terugkeer een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Onder valse voorwendselen strafrechtelijke vervolging door de Tadzjiekse autoriteiten. 5.1. De minister heeft het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst, net als tijdens de eerdere procedures, geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, onder valse voorwendselen vervolging door de Tadzjiekse autoriteiten, is door de minister ongeloofwaardig bevonden. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare documenten De door eiser overgelegde documenten kunnen niet op echtheid worden onderzocht en wegen niet op tegen wat in eerdere procedures in rechte is komen vast te staan. In eerdere asielprocedures zijn de door eiser gestelde problemen en de daarbij overgelegde documenten reeds op goede gronden ongeloofwaardig bevonden. De inhoud van de nieuwe documenten en de wijze waarop eiser stelt deze te hebben verkregen overtuigen niet. De minister stelt verder dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer naar Tadzjikistan een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen. Mag de minister het nieuwe beleid toepassen, en is de toepassing van WI 2024/6 in overeenstemming met het Unierecht? 6. Eiser betoogt dat de minister zijn opvolgende asielaanvraag ten onrechte op basis van het nieuwe beleid inzake de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft beoordeeld. Hij voert daartoe aan dat de minister in strijd met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn heeft verlangd dat hij zijn asielmotief volledig en met 'objectieve' documenten zou moeten onderbouwen. Het Unierecht vereist geen volledige of uitsluitend objectieve onderbouwing, en ook niet-geauthentiseerde documenten hebben bewijswaarde en eiser verwijst daartoe naar het L.H. arrest. Daarnaast rust op de minister een actieve onderzoeksplicht en eiser verwijst daartoe naar het arrest M.M. tegen Ierland. De enkele omstandigheid dat Bureau Documenten geen vergelijkingsmateriaal had en daarom een neutraal advies gaf, betekent volgens eiser niet dat zijn stukken een lage bewijswaarde hebben. Eiser stelt dat de minister hierdoor ten onrechte is overgegaan tot stap 2b (toetsing aan de vijf cumulatieve voorwaarden). Voor zover de minister dat wel mocht, wijst eiser erop dat de minister erkent dat aan vier van de vijf voorwaarden is voldaan. De conclusie dat zijn verklaringen desondanks geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, acht eiser ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser verwijst naar het arrest X tegen Ierland waarin is overwogen dat het niet voldoen aan alle voorwaarden niet automatisch tot ongeloofwaardigheid leidt en dat de autoriteiten dan aanvullend moeten samenwerken. Ook verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025, waaruit volgt dat de minister na beoordeling van de cumulatieve voorwaarden alsnog een integrale beoordeling van het asielrelaas moet maken. Tijdens de zitting heeft eiser in dit verband verwezen naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. De minister had de beantwoording van die prejudiciële vragen moeten afwachten. 6.1. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025 geoordeeld dat WI 2024/6, zoals door de minister uitgelegd, in overeenstemming is met het Unierecht. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd, waaronder zijn verwijzing naar de arresten L.H., M.M. tegen Ierland en X. tegen Ierland, geen grond voor een ander oordeel. De minister was dan ook niet gehouden de beantwoording van de door zittingsplaats Roermond gesteld prejudiciële vragen af te wachten voordat hij op de aanvraag besliste. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister terecht ongeloofwaardig geacht dat eiser onder valse voorwendselen strafrechtelijk door de Tadzjiekse autoriteiten wordt vervolgd? 7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij in Tadzjikistan onder valse voorwendselen strafrechtelijk wordt vervolgd. Ter onderbouwing heeft hij een verklaring van de Orde van Advocaten van Tadzjikistan , een beslissing tot strafvervolging en een opsporingsbericht van Interpol overgelegd. Tijdens de beroepsprocedure heeft hij een formeel inzageverzoek bij Interpol ingediend. Bij beslissing van 13 maart 2026 heeft Interpol bevestigd dat ten aanzien van eiser op verzoek van de Tadzjiekse autoriteiten een Blue Notice is geregistreerd, dat eiser daarin de status van verdachte heeft, dat het doel van de signalering is hem te lokaliseren en dat deze betrekking heeft op een verdenking van fraude. Volgens eiser bevestigt deze beslissing dat hij daadwerkelijk door de Tadzjiekse autoriteiten wordt gezocht. Onder verwijzing naar de toelichting van mr. Toelsie, advocaat gespecialiseerd in Interpol procedures, voert eiser aan dat een Blue Notice kan uitmonden in een Red Notice en uiteindelijk in een uitleveringsverzoek. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij geen aanvullende informatie over de inhoud van de strafzaak heeft kunnen verkrijgen, omdat hij geen contact kan krijgen met de strafadvocaat die hij destijds in Tadzjikistan had ingeschakeld. Volgens eiser kan redelijkerwijs niet van hem worden verlangd dat hij zich tot de Tadzjiekse autoriteiten of een andere advocaat in Tadzjikistan wendt. Volgens eiser volgt verder uit objectieve landeninformatie dat in Tadzjikistan sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en dat de autoriteiten strafrechtelijke procedures en internationale opsporingsinstrumenten gebruiken voor politieke doeleinden. Volgens hem blijkt daar verder uit dat sprake is van wijdverbreide marteling, straffeloosheid en gebrekkige medische zorg in detentie. Hij verwijst in dat verband onder meer naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amersfoort en Haarlem , het Country Report on Human Rights Practices van het US Department of State en de jaarrapporten van Amnesty International . Uit deze bronnen, in samenhang bezien met de Blue Notice, is volgens eiser aannemelijk dat hij onder valse voorwendselen strafrechtelijk wordt vervolgd en dat hij daarom bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Tijdens de zitting heeft eiser verwezen naar het arrest Ebilum van het Hof van Justitie en verzoekt eiser dat de rechtbank een bindend oordeel geeft over de aannemelijkheid van zijn vrees voor vervolging en het gestelde risico bij terugkeer. Subsidiair heeft eiser tijdens de zitting aangevoerd dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een verdenking van een commuun delict en niet van een politiek gemotiveerde vervolging, het absolute verbod op refoulement aan terugkeer in de weg staat. Volgens eiser heeft hij het strafbare feit waarvoor hij wordt gezocht niet gepleegd en bevond hij zich in 2020 in Nederland. In samenhang met de objectieve landeninformatie over de behandeling van verdachten in Tadzjikistan, bestaat volgens eiser een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat hij bij terugkeer zal worden aangehouden, gedetineerd en mishandeld. 7.1. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest Ebilum, het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas zonder terughoudendheid beoordeelt. Het Hof van Justitie heeft immers geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek dient te verrichten van alle relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom het standpunt van de minister dat niet geloofwaardig is dat hij onder valse voorwendselen strafrechtelijk door de Tadzjiekse autoriteiten wordt vervolgd vol toetsen. Dit in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd. Weliswaar volgt uit de beslissing van Interpol van 13 maart 2026 dat ten aanzien van eiser een Blue Notice is geregistreerd, dat eiser daarin de status van verdachte heeft, dat het doel van de signalering is hem te lokaliseren en dat deze betrekking heeft op een verdenking van fraude, maar de beslissing bevat geen informatie over de aanleiding van de strafzaak, de achtergrond van de verdenking of de vraag of de verdenking terecht of onterecht is. Daarbij is in de beslissing vermeld dat de bevoegdheid van de Commissie voor de Controle van de bestanden van Interpol beperkt is tot de verwerking van gegevens binnen het Interpol Informatiesysteem en dat zij geen oordeel geeft over nationale strafzaken of de juistheid van een verdenking. Dat Interpol heeft bevestigd dat een Blue Notice bestaat, ondersteunt uitsluitend de stelling van eiser dat hij door de Tadzjiekse autoriteiten wordt gezocht, maar daaruit volgt niet dat hij onder valse voorwendselen wordt vervolgd of dat sprake is van een politiek gemotiveerde strafzaak. Dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat hij geen nadere informatie over de inhoud van de strafzaak heeft kunnen verkrijgen omdat het contact met zijn strafadvocaat in Tadzjikistan is verbroken en hij zich, gelet op de risico's, niet tot de Tadzjiekse autoriteiten of een andere advocaat kan wenden, maakt dit niet anders. Daarmee is niet geloofwaardig geworden dat de verdenking van fraude vals of politiek gemotiveerd is. 7.1.1. Ook de toelichting van mr. Toelsie dat een Blue Notice kan uitmonden in een Red Notice en uiteindelijk in een uitleveringsverzoek, leidt niet tot een ander oordeel. Die toelichting ziet op de mogelijke gevolgen van een Blue Notice en niet op de achtergrond of motieven van de onderliggende strafzaak. 7.1.2. Ook de verklaring van de Orde van Advocaten van Tadzjikistan en de beslissing tot strafvervolging leiden niet tot een ander oordeel. Deze stukken kunnen bijdragen aan de onderbouwing dat een strafzaak tegen eiser bestaat, maar bevatten geen informatie waaruit volgt dat de verdenking van fraude slechts een voorwendsel vormt voor vervolging of dat de strafzaak politiek gemotiveerd is. 7.1.3. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat dit kan worden afgeleid uit de Blue Notice, bezien in samenhang met de door hem aangehaalde landeninformatie en uitspraken. De rechtbank overweegt in dat verband dat eiser terecht heeft gewezen op de zorgelijke mensenrechtensituatie in Tadzjikistan. De minister heeft ter zitting ook niet uitgesloten dat dergelijke misstanden zich in Tadzjikistan kunnen voordoen. Dat uit algemene bronnen volgt dat de Tadzjiekse autoriteiten zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan misbruik van strafrechtelijke procedures of internationale opsporingsinstrumenten, betekent niet dat daarvan ook in het geval van eiser sprake is. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat in eerdere procedures in rechte is komen vast te staan dat eisers eerdere verklaringen over de aanleiding van zijn problemen ongeloofwaardig zijn bevonden. 7.1.4. De rechtbank laat in het midden welke zelfstandige bewijswaarde toekomt aan de digitale kopie van de Blue Notice. Interpol heeft bevestigd dat een Blue Notice ten aanzien van eiser is geregistreerd, maar die bevestiging leidt echter, gelet op het voorgaande, niet tot het oordeel dat geloofwaardig is dat de tegen eiser ingestelde strafvervolging onder valse voorwendselen is ingesteld. 7.2. Voor zover eiser subsidiair heeft aangevoerd dat hij niet kan worden teruggestuurd vanwege een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit enkele geloofwaardige asielmotief niet maakt dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt of dat hij bij terugkeer naar Tadzjikistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat terecht niet geloofwaardig is geacht dat eiser onder valse voorwendselen strafrechtelijk door de Tadzjiekse autoriteiten wordt vervolgd. De door eiser gestelde risico’s bij terugkeer zijn op dit ongeloofwaardig geachte asielmotief gebaseerd. De enkele verwijzing naar de landeninformatie, algemene bronnen en de voornoemde uitspraken is onvoldoende om aan te nemen dat eiser persoonlijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft, afgezien daarvan, geen omstandigheden aangevoerd die verband houden met zijn identiteit, nationaliteit of herkomst en die maken dat hij bij terugkeer naar Tadzjikistan voor vervolging heeft te vrezen of een reëel risico loopt op ernstige schade. 7.3. De minister heeft zich daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat fraude een commuun delict is als bedoeld in paragraaf C2/3.2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat een dergelijke verdenking niet is te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Als uitgangspunt geldt dat vrees voor strafvervolging wegens een commuun delict in beginsel niet leidt tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Een asielprocedure is bovendien niet bedoeld om (mogelijke) strafvervolging of een eventuele gevangenisstraf wegens een commuun delict te ontlopen. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verdenking van fraude slechts een voorwendsel vormt voor politieke vervolging of anderszins verband houdt met een verdragsgrond, heeft de minister dit uitgangspunt terecht aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL25.48048. Uitspraak van rechtbank Den Haag (zp. Groningen) 12 januari 2021, NL19.22827 (niet gepubliceerd) Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2021, 202100976/1/V2. Uitspraak van rechtbank Den Haag (zp. Groningen) 7 januari 2022, NL21.18851 (niet gepubliceerd) Uitspraak van rechtbank Den Haag (zp. Zwolle) 31 mei 2022, NL22.1520 (niet gepubliceerd) HvJEU 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478. HvJEU 22 november 2012, C-277/11, ECLI:EU:C:2012:744. HvJEU 29 juni 2023, C-756/21, ECLI:EU:C:2023:523. ECLI:NL:RBDHA:2025:136. Uitspraak van rechtbank Den Haag, (zp. Arnhem) 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en uitspraak van rechtbank Den Haag, (zp. Arnhem) 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613. Zie document van de Orde van Advocaten van Tadzjikistan van 20 oktober 2020. Zie beslissing inzake strafvervolging van 21 augustus 2020. Zie opsporingsbericht van Interpol van 26 juni 2023. Zie beslissing van de Commissie voor de controle van de bestanden van Interpol van 13 maart 2026. Blue Notice: To collect additional information about a person’s identity, location or activities in relation to a criminal investigation. Red Notice: To seek the location and arrest of persons wanted for prosecution or to serve a sentence. Uitspraak van rechtbank Den Haag, (zp. Amersfoort) 17 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:16308. Uitspraak van rechtbank Den Haag, (zp. Haarlem) 15 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8564. Country Report on Human Rights Practices van het US Department of State van 23 april 2024 en 14 augustus 2025. Het jaarrapport van Amnesty International van 29 april 2025 en 21 april 2026. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. Zie in dat verband de uitspraak van rechtbank Den Haag, (zp. Arnhem) 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061. Zoals die luidde tot 12 juni 2026.