Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026 (200.353.564)
Hoger beroep; inzagevordering; Vordering om inzage in bescheiden die zijn getroffen door bewijsbeslag; in hoger beroep nieuw bewijsrecht van toepassing; artt. 196 jo 194 Rv; 204 Rv; Net als onder het oude recht moet worden voorkomen dat van het inzagerecht misbruik wordt gemaakt door op zoek te gaan naar informatie waarop geen recht bestaat, de zogenaamde fishing expedition. Daarmee is niet te verenigen dat degene die inzage vordert zou kunnen volstaan met het enkele stellen van een rechtsbetrekking. Weliswaar hoeft de rechtsbetrekking nog niet in rechte vast te staan, en hoeft een partij die om inzage verzoekt niet eerst voldoende aannemelijk te maken dát zij een vorderingsrecht heeft, maar er mogen wel degelijk eisen worden gesteld aan de aannemelijkheid van de gestelde grondslagen in die zin dat ten minste het begin van een feitelijke onderbouwing wordt gegeven van die grondslagen waaraan de gevraagde inzage dienstig is. Daarbij weegt in dit geval mee de grote reikwijdte van de inzagevordering, die onder meer alle privécorrespondentie van de beslagene omvat.
Full text
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel) zaaknummer : 200.353.564/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/349043/ HA ZA 24-79 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026 in de zaak van 1 [bedrijf 3] B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, 2. [bedrijf 4] B.V. , gevestigd te Amsterdam 3. INC ZAKELIJK B.V., gevestigd te 's-Gravenhage 4. CM ZAKELIJK B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, advocaat: mr. S.K. Tuithof te Haarlem, appellanten, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonend in [plaats 1] , advocaat: mr. M. Teunissen te Amsterdam, geïntimeerde, 2 [geïntimeerde 2] , wonend in [plaats 2] . 3. [geïntimeerde 3] gevestigd te Amsterdam, advocaat: mr. M. Ch. Kaaks te Amsterdam geïntimeerden. Appellanten worden hierna gezamenlijk (in enkelvoud) IVB genoemd. Geïntimeerde onder 1 wordt hierna [geïntimeerde 1] genoemd en geïntimeerden onder 2 en 3 worden gezamenlijk [geïntimeerde 3] genoemd en afzonderlijk [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . 1 De zaak in het kort IVB houdt zich bezig met het incasseren van vorderingen namens haar klanten. Zij stelt dat [geïntimeerde 1] online een lastercampagne tegen haar voert door het plaatsen van negatieve publicaties, enerzijds op eigen naam en anderzijds anoniem of onder een alias. In dat verband heeft zij bewijsbeslag doen leggen op een groot aantal digitale gegevensdragers van [geïntimeerde 1] . In deze procedure vordert zij inzage in de bescheiden waarop zij beslag heeft gelegd. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Ten aanzien van de publicaties van [geïntimeerde 1] onder zijn eigen naam heeft IVB daarbij geen belang omdat daarvan vaststaat dat [geïntimeerde 1] die heeft gepubliceerd, en ten aanzien van de overige publicaties zijn er geen concrete aanwijzingen dat [geïntimeerde 1] daarvoor verantwoordelijk is. Daarom is de rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk geworden en is sprake van een fishing expedition . Tegen dat oordeel is het hoger beroep gericht, maar dat heeft geen succes. Het hof komt tot dezelfde conclusie als de rechtbank. 2 Het geding in hoger beroep IVB is bij dagvaarding van 4 maart 2025 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 7 augustus en 4 december 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen IVB als eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, terwijl [geïntimeerde 3] c.s zich aan de zijde van [geïntimeerde 1] hebben gevoegd in de procedure. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven tevens wijziging van eis en vermeerdering van grondslag, met producties; - memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] , met producties; - memorie van antwoord van [geïntimeerde 3] , met producties; Op 25 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak door hun advocaten laten toelichten, ieder aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd; IVB door mr. Tuithof voornoemd en mr. M.W.J. Ariëns, advocaat te Haarlem, [geïntimeerde 1] door mrs. R.J.F. Wigman en A.F.D. Iedema, advocaten te Amsterdam, en [geïntimeerde 3] door mr. O.M.B.J. Volgenant, advocaat te Amsterdam. Ten slotte is arrest gevraagd. 3 Feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1. IVB houdt zich bezig met het in opdracht incasseren van onbetaald gelaten rekeningen. 3.2. In 2013 heeft [geïntimeerde 1] een incasso-opdracht verstrekt aan IVB. In opdracht van [geïntimeerde 1] heeft IVB een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt tegen een debiteur van [geïntimeerde 1] . Gedurende de procedure heeft [geïntimeerde 1] de opdracht ingetrokken. Daarop heeft IVB aan [geïntimeerde 1] een eindafrekening gestuurd. 3.3. IVB heeft op 2 april 2014 het volgende aan [geïntimeerde 1] geschreven: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek vanmorgen, bericht ik hierbij het volgende. Ik ben er niet van gediend dat u mij en het [bedrijf 3] chanteert met ‘het buitenhangen van vuile was’, wat daarmee dan ook bedoeld mag worden. (…).” 3.4. IVB is een gerechtelijke procedure tot betaling van haar eindfactuur tegen [geïntimeerde 1] gestart. Bij vonnis van 27 mei 2015 is [geïntimeerde 1] veroordeeld tot betaling van de door IVB verstuurde facturen, vermeerderd met rente en kosten. Nadat IVB het vonnis op 16 juni 2015 aan [geïntimeerde 1] had laten betekenen, is [geïntimeerde 1] tot betaling overgegaan. 3.5. Op 28 september 2015 heeft [geïntimeerde 1] aan IVB een brief geschreven waarin onder meer het volgende is vermeld: “Wanneer u geen verantwoordelijkheid neemt voor uw handelen, zullen wij zelf werken aan het herstel van onze goede naam door over deze kwestie te publiceren, waarvoor wij ons alle rechten voorbehouden om dat op een door ons gekozen wijze te doen” 3.6. [geïntimeerde 1] heeft, onder meer in een e-mail van 3 oktober 2017, negatieve berichten over IVB verzameld en in digitale vorm (hierna ook: het digitale boekwerk) verstuurd aan relaties van IVB. 3.7. Op 5 april 2018 heeft [geïntimeerde 1] het volgende aan de directie van IVB geschreven: “Ik zet mij er voor in om er voor te zorgen dat jouw werkwijze van jouw onderneming niet nog meer gedupeerden maakt. Door de huidige ontwikkelingen, waarbij gedupeerden zich verenigen, zie ik mij genoodzaakt om mij aan te sluiten bij de aangiftes die tegen jouw bedrijf worden gedaan. (…) Ik heb destijds belooft (…) dat ik reclame voor jullie zou maken en die belofte los ik zeker in.” 3.8. Op 12 juni 2018 heeft IVB aangifte gedaan tegen [geïntimeerde 1] van smaad, laster, chantage, afpersing, opruiing en identiteitsfraude. 3.9. Op websites van onder meer de Consumentenbond, Radar, Kassa (BNN Vara), Webwiki, Trustpilot en Google Review zijn negatieve berichten over IVB gedeeld, onder meer onder de gebruikersnamen “ [bedrijf 11] ”, “ [bedrijf 16] ”, “ [naam 7] ”, “ [bedrijf 7] ” en “ [bedrijf 8] ”. 3.10. De Consumentenbond heeft geconstateerd dat meerdere van die berichten op haar website afkomstig waren van één ip-adres. 3.11. [geïntimeerde 2] is als journalist verbonden aan [geïntimeerde 3] . Op 12 juli 2019 heeft [geïntimeerde 3] op haar website onder de titel ‘Undercover bij het incassobureau dat zijn eigen klanten uitknijpt’ een kritisch artikel van de hand van [geïntimeerde 2] over de werkwijze van IVB gepubliceerd. 3.12. [geïntimeerde 1] is één van de bronnen waarmee [geïntimeerde 2] heeft gesproken bij de voorbereiding van de publicatie(s) op de website van [geïntimeerde 3] . 3.13. IVB heeft advocaat mr. P.C. Schouten opdracht gegeven een analyse te maken van het door [geïntimeerde 3] ingestelde journalistieke onderzoek en haar publicatie. Dit heeft geresulteerd in de publicatie op internet van het onderzoeksrapport ‘ [bedrijf 3] vals beschuldigd door Follow the Money EN NU HET ECHTE VERHAAL OVER HET INNEN VAN SCHULDEN EN DE KOSTEN’. 3.14. [geïntimeerde 3] heeft op 20 april 2023 het artikel ‘Hardleerse incasso-cowboys incasseren vooral bij eigen klanten’ van de hand van [geïntimeerde 2] gepubliceerd. 3.15. De volgende websites over IVB zijn online verschenen: - www.zerocover.nl, waarop IVB naar voren wordt gebracht als een slecht bedrijf dat slechts gedupeerden achterlaat. Nadat IVB de host had gewezen op de voor haar schadelijke inhoud, is de website op 28 februari 2023 offline gehaald. Vervolgens is een andere website online verschenen, gehost door een buitenlandse partij. - op www. [bedrijf 5] .nl is een negatief artikel gepubliceerd over IVB. IVB heeft geprobeerd ook deze website uit de lucht te halen en te achterhalen wie achter deze website zit, maar dat is niet gelukt. [geïntimeerde 1] heeft (onder zijn eigen naam, ‘ [geïntimeerde 1] ’) op 9 januari 2023 gereageerd onder het artikel over IVB met een persoonlijke brief aan de bestuurder van IVB, waarin hij schrijft dat hij het verdienmodel van IVB is gaan volgen. - [bedrijf 4] - [bedrijf 3] -slachtoffers.nl, waarop onder andere een [naam 9] is gepubliceerd over IVB. 3.16. [geïntimeerde 1] post op LinkedIn regelmatig over IVB en verwijst dan naar de websites zerocover.nl en/of [bedrijf 5] .nl. 3.17. Bij beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2023 is IVB verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag op de bescheiden die in dat verzoekschrift onder randnummer 122 waren vermeld en op de gegevensdragers waarin die bescheiden waren opgeslagen met aanstelling van DigiJuris B.V. als gerechtelijk bewaarder van de beslagen digitale bescheiden en gegevensdragers. 3.18. Deurwaarderskantoor [bedrijf 1] heeft op 30 november 2023 beslag gelegd op een groot aantal bestanden die zich bevonden op digitale gegevensdragers van [geïntimeerde 1] en kopieën van die bestanden aan DigiJuris in bewaring gegeven. Het gaat om de gegevens op de volgende gegevensdragers: I-phone 7 I-phone X Mail Levono Laptop Blauwe ordner Esselle CD LinkedIn. 3.19. IVB heeft in kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (samengevat) afgifte gevorderd van de beslagen bescheiden. Deze vordering is bij vonnis van 13 februari 2023 afgewezen. Ook de in reconventie gevorderde opheffing van het bewijsbeslag is afgewezen. Dit vonnis is bij arrest van dit hof van 11 februari 2025 bekrachtigd. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1. Samengevat heeft IVB bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde 1] te veroordelen om schriftelijk toestemming te verlenen aan de deurwaarder en de bewaarder tot het verstrekken van afschriften van de beslagen bescheiden aan IVB op straffe van verbeurte van een dwangsom en te bepalen dat indien [geïntimeerde 1] niet voldoet aan de veroordeling tot het verlenen van schriftelijke toestemming IVB conform artikel 3:299 Burgerlijk Wetboek (BW) gemachtigd is om de deurwaarder en de bewaarder te instrueren om afschriften van de beslagen bescheiden aan IVB te verstrekken; een en ander met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. 4.2. De rechtbank heeft bij het bestreden eindvonnis (in conventie) de vorderingen van IVB afgewezen, met veroordeling van IVB in de proceskosten. 5 Vordering in hoger beroep 5.1. IVB vordert vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog na wijziging van eis – uitvoerbaar bij voorraad – (samengevat) [geïntimeerde 1] te veroordelen om toestemming te verlenen aan [bedrijf 1] en DigiJuris tot het verstrekken van afschriften van de beslagen gegevens/bescheiden aan IVB in overeenstemming met randnummer 4.6 van de memorie van grieven, op straffe van een dwangsom ingeval [geïntimeerde 1] deze veroordeling niet nakomt, en voorts te bepalen dat indien [geïntimeerde 1] niet aan die voldoet, IVB gemachtigd is om [bedrijf 1] en DigiJuris te instrueren om afschriften van de beslagen gegevens/bescheiden aan IVB te verstrekken, met (hoofdelijke) veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. 5.2. De in het petitum genoemde alinea 4.6 in de memorie van grieven luidt als volgt: De te maken selectie van de in beslag genomen bescheiden/gegevens betreft - na wijziging van eis: I. alle e-mailcorrespondentie die [geïntimeerde 1] vanaf 1 januari 2013, althans (in elk geval) vanaf 2 april 2014, heeft gevoerd, inclusief de daarbij gevoegde bijlage(n), waarvan [geïntimeerde 1] gebruikmakend van enig e-mailadres verzender of ontvanger is en waarvan ten minste één van de hierna te vermelden woorden of woordcombinaties voorkomt; II. alle fysieke documenten waarin ten minste één van de hierna te vermelden woorden, of woordcombinaties voorkomt, waaronder doch niet uitsluitend wordt bedoeld agenda’s en aantekeningenboeken; III. alle gegevensdragers inclusief de (virtuele) prullenbak of ‘deleted items-map’ daarvan hebben te gelden als ‘gegevensdragers’ in de zin van dit verzoekschrift (servers, pc’s, laptops, notebooks, handhelds, tablets, 1-pads, mobiele telefoons, smartphones, back-up tapes, harde schijven, Cd-Roms, USB-sticks, enige andere gegevensdrager), (web)mail en (web)boekhouding en overige cloud-diensten teneinde toegang te krijgen tot de kwalificerende bescheiden c.q. gegevens en waarvan ten minste één van de navolgende woorden of woordcombinaties voortkomt: ( i) [bedrijf 2] (website die anonieme gepubliceerd is) (ii) [naam 1] (naam van een van de eigenaren van IVB/IC waar de lastercampagne zich tegen richt) (iii) [naam 2] (naam van een van de eigenaren van IVB/IC waar de lastercampagne zich tegen richt) (iv) [bedrijf 3] (naam van een van de ondernemingen waar de lastercampagne zich tegen richt) ( v) [bedrijf 4] (naam van een van de ondernemingen waar de lastercampagne zich tegen richt) (vi) [bedrijf 5] (nieuwe naam van de website die anoniem gepubliceerd is, nadat Zerocover offline gehaald werd door de hostingpartij) (vii) [naam 3] (naam van een van de groepsleden die zeer actief was in de lastercampagne) (viii) [naam 4] (naam van een van de groepsleden die zeer actief is in de lastercampagne) (ix) Gedupeerden (term die [geïntimeerde 1] overal aanvoert) ( x) IVB (afkorting van de naam van een van de ondernemingen waar de lastercampagne zich tegen richt) (xi) [bedrijf 6] (naam van een van de ondernemingen waar de lastercampagne zich tegen richt) (xii) [naam 5] (naam van een van de groepsleden die zeer actief is in de lastercampagne) (xiii) [naam 6] (naam van een van de groepsleden die zeer actief is in de lastercampagne) (xiv) [naam 7] (alias van [geïntimeerde 1] op diverse websites) (xv) [bedrijf 7] (term die [geïntimeerde 1] gebruikt om naar de door hem verzamelde groepsleden te verwijzen) (xvi) [bedrijf 8] (term die [geïntimeerde 1] gebruikt om naar de door hem verzamelde groepsleden te verwijzen) (xvii) [naam 8] (alias van [geïntimeerde 1] op diverse websites) (xviii) [bedrijf 9] (naam van een onderneming die “Gedupeerden” 750 euro laat betalen voor bijstand tegen IVB/IC) (xix) [naam 9] (anoniem gepubliceerd document met betrekking tot IVB/IC waar meermaals naar wordt verwezen) (xx) [bedrijf 10] (forum waar [geïntimeerde 1] zeer actief is onder vermoedelijk diverse aliassen) (xxi) Trustpitot (klantervaringen website waar [geïntimeerde 1] meermaals naar verwijst en waar ook op Zerocover over gepubliceerd wordt) (xxii) [naam 10] (naam van een van de groepsleden die zeer actief is in de lastercampagne) (xxiii) [naam 12] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxiv) [naam 11] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxv) [naam 13] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1. sterren reviews worden geplaatst) (xxvi) [naam 14] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxvii) [naam 15] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxviii) [naam 13] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxix) [naam 16] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxx) [naam 17] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxxi) [naam 18] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxxii) [naam 19] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxxiii) [naam 20] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst) (xxxiv) [bedrijf 11] (alias van [geïntimeerde 1] op diverse websites) [bedrijf 16] (alias van [geïntimeerde 1] op diverse websites) (xxxv) [naam 21] (naam van een van de aliassen door wie diverse nep 1 sterren reviews worden geplaatst); (xxxvi) Consumentenbond (forum waar [geïntimeerde 1] zeer actief is geweest) (xxxvii) [bedrijf 12] (naam van de holding van een van de ondernemers waar de lastercampagne zich tegen richt) (xxxviii) [bedrijf 13] (naam van de holding van een van de ondernemers waar de lastercampagne zich tegen richt) (xxxix) [bedrijf 14] (naam van het moederbedrijf van IC/IVB) Slachtoffer (veel gebezigde term door [geïntimeerde 1] ) (xl) [bedrijf 15] (veel gebezigde term door [geïntimeerde 1] ) 5.3. IVB heeft ter zitting desgevraagd verduidelijkt dat met de formulering van het petitum niet is bedoeld inzage te verkrijgen in meer of andere bescheiden dan die door het bewijsbeslag zijn getroffen. 5.4. IVB heeft bewijs aangeboden van haar stellingen. 5.5. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] moet het hof de vorderingen van IVB c.s. afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van IVB c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. 6 Beoordeling 6.1. IVB heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij [geïntimeerde 1] verantwoordelijk houdt voor de online lastercampagne die tegen haar is opgezet. Volgens IVB heeft [geïntimeerde 1] zich op diverse wijzen onrechtmatig gedragen jegens IVB, namelijk: i) door het openen van diverse topics op verschillende (online) fora waarin [geïntimeerde 1] IVB zwart heeft gemaakt; ii) het posten van onjuiste, negatieve berichten en reviews vanuit eigen naam dan wel door gebruikmaking van verschillende aliassen op verschillende plaatsen op het internet; iii) het verzamelen van alle negatieve berichten die op het internet zijn geplaatst en deze bundelen in een digitaal boekwerk en dit digitale boekwerk verspreiden onder klanten van IVB; iv) het starten van en het doen hosten van diverse thematische websites over het bedrijf van IVB met enkel beschuldigende en onjuiste berichtgeving; v) het promoten van diverse thematische websites over het bedrijf van IVB met enkel beschuldigende en onjuiste berichtgeving met als doel ruchtbaarheid te geven aan de inhoud en traffic te genereren; vi) het benaderen van medewerkers, sollicitanten en opdrachtgevers van IVB en van willekeurige derden; vii) het benaderen van media met eenzijdige verhalen en hen aan te sporen om over te gaan tot een negatieve publicatie over het bedrijf van IVB; viii) het aanzetten van derden tot het plaatsen van negatieve berichten over IVB op diverse plaatsen op het internet; ix) het zowel in woord als geschrift benaderen van IVB met de boodschap dat hij zijn acties slechts staakt wanneer IVB overgaat tot terugbetaling van hetgeen bij hem is geïncasseerd, en x) het dreigen met het doen van onjuiste aangifte wanneer medewerkers niet bewerkstelligen dat IVB de door hem betaalde gelden terugbetaalt. 6.2. In hoger beroep heeft IVB de grondslag van haar vordering uitgebreid met groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW. Daartoe heeft zij gesteld dat alle door IVB aangevoerde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, de betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne aantonen en dat daarmee tevens is voldaan aan de criteria voor deelneming aan de gedragingen in groepsverband. 6.3. IVB verwacht met de gevorderde inzage haar hoofdvordering jegens [geïntimeerde 1] tot vergoeding van door haar geleden schade, te kunnen onderbouwen. 6.4. Met haar grieven komt IVB op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan de criteria voor inzage omdat geen rechtsbetrekking is aangetoond en sprake is van een fishing expedition . IVB stelt dat zij in rechtsbetrekking tot [geïntimeerde 1] staat omdat [geïntimeerde 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Het begrip rechtsbetrekking moet volgens IVB ruim worden uitgelegd, terwijl uit de wetsgeschiedenis volgt dat het bestaan van de rechtsbetrekking nog niet in rechte hoeft vast te staan. Door de enkele erkenning van een deel van de feitelijke handelingen heeft [geïntimeerde 1] die rechtsbetrekking ook erkend. Omdat [geïntimeerde 1] bovendien bij een groot deel van de verwijten betrokkenheid ontkent, heeft IVB een rechtmatig belang bij de inzage, zodat hierover duidelijkheid wordt verkregen. IVB stelt verder dat zij sterke aanwijzingen heeft dat [geïntimeerde 1] de bedenker en uitvoerder is van www. [bedrijf 5] (voorheen www.zerocover.n;l) en dat [geïntimeerde 1] schuilgaat achter de aliassen [bedrijf 11] , [bedrijf 16] , [naam 7] , [bedrijf 7] , en [bedrijf 8] . Er is volgens IVB geen sprake van een fishing expedition , omdat zij niet op zoek is naar informatie waarop zij geen recht heeft. Zij meent dat gelet op de hiervoor onder 5.2 geciteerde zoektermen de vordering voldoende bepaald is. IVB stelt verder dat de zoektermen “ [geïntimeerde 2] ”, “ [geïntimeerde 3] ” en “BOOS” zijn komen te vervallen, waarmee is tegemoetgekomen aan de bezwaren van [geïntimeerde 3] in het licht van de persvrijheid en bronbescherming. 6.5. Het hof stelt voorop dat de vordering tot inzage in eerste aanleg was gebaseerd op artikel 843a Rv (oud) in verband met artikel 730 Rv (oud). Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat in hoger beroep de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht van toepassing is, die op 1 januari 2025 in werking is getreden. Dat betekent dat de vordering moet worden getoetst aan artikel 194 e.v. Rv (nieuw). 6.6. In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe (a) aan een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Op grond van het tweede lid hoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden verstrekt als sprake is van een verschoningsrecht of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Deze bepalingen zijn op grond van artikel 204 Rv van overeenkomstige toepassing op een verzoek voorafgaand aan een procedure (als bedoeld in artikel 196 lid 1 Rv). Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter op verzoek een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is; b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 6.7. Het hof stelt allereerst vast dat IVB niet kenbaar een grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de aan [geïntimeerde 1] verweten feitelijke handelingen die hij erkent geen grondslag kunnen vormen voor het inzageverzoek omdat de gevorderde inzage op dit punt niet kan bijdragen aan haar bewijspositie. Het gaat daarbij, kort gezegd, om de handelingen die hij in eigen naam heeft verricht. 6.8. Het inzageverzoek is in hoger beroep derhalve alleen gegrond op de verdenking dat [geïntimeerde 1] eveneens betrokken is bij publicaties op naam van anderen (dan wel anoniem). De rechtbank heeft geoordeeld dat IVB onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [geïntimeerde 1] voor die publicaties verantwoordelijk is en dat daarmee de voor inzage vereiste rechtsbetrekking ontbreekt. Daarbij heeft de rechtbank mede betrokken de grote omvang van de inzagevordering, onder meer bestaande uit alle privécorrespondentie van [geïntimeerde 1] . Tegen dit oordeel richt zich het hoger beroep. 6.9. Met haar grieven 1 en 2 betoogt IVB dat de voorwaarden voor inzage onder het nieuwe recht ruimer zijn geformuleerd (toewijzen, tenzij) en dat niet is vereist dat de rechtsbetrekking reeds in rechte is komen vast te staan. Volgens haar brengt dit mee dat niet van haar verlangd kan worden dat zij deze rechtsbetrekking eerst voldoende aannemelijk maakt. 6.10. Het hof volgt IVB niet in dit betoog. Het inzagerecht biedt de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen over nog niet precies bekende of omstreden feiten en om de eigen proces- c.q. bewijspositie in een (potentieel) geschil nader te kunnen bepalen. Net als onder het oude recht moet echter worden voorkomen dat van het inzagerecht misbruik wordt gemaakt door op zoek te gaan naar informatie waarop geen recht bestaat, de zogenaamde fishing expedition . Daarmee is niet te verenigen dat degene die inzage vordert zou kunnen volstaan met het enkele stellen van een rechtsbetrekking. Weliswaar hoeft de rechtsbetrekking nog niet in rechte vast te staan, en hoeft een partij die om inzage verzoekt niet eerst voldoende aannemelijk te maken dát zij een vorderingsrecht heeft, maar er mogen wel degelijk eisen worden gesteld aan de aannemelijkheid van de gestelde grondslagen in die zin dat ten minste het begin van een feitelijke onderbouwing wordt gegeven van die grondslagen waaraan de gevraagde inzage dienstig is. Daarbij weegt in dit geval mee de grote reikwijdte van de inzagevordering, die onder meer alle privécorrespondentie van [geïntimeerde 1] omvat. 6.11. Het hof kom tot de conclusie dat van de door IVB gestelde rechtsbetrekking, ieder begin van aannemelijkheid ontbreekt. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde 1] de handelingen die hij in eigen naam heeft verricht heeft erkend, is daarvoor niet toereikend. In hoger beroep stelt IVB dat zij sterke aanwijzingen heeft dat [geïntimeerde 1] de bedenker en uitvoerder is van de website [bedrijf 5] maar iedere onderbouwing daarvoor ontbreekt. IVB volstaat met haar herhaalde stelling dat [geïntimeerde 1] op zijn LinkedIn-pagina veelvuldig naar deze website heeft verwezen, zelfs voordat de website online stond. Dit is echter geen onderbouwing van haar stelling dat [geïntimeerde 1] de oprichter zou zijn van de website. Ook blijft overeind staan dat [geïntimeerde 1] voldoende heeft toegelicht dat hij door een andere ontevreden klant van IVB erop is gewezen dat de website [bedrijf 5] online was, nog voordat deze website via Google vindbaar was. Dat [geïntimeerde 1] schuil zou gaan achter de gebruikersnamen “ [bedrijf 11] ”, “ [bedrijf 16] ”, “ [naam 7] ”, “ [bedrijf 7] ” en “ [bedrijf 8] ” is evenmin onderbouwd. Weliswaar heeft IVB gesteld dat de aard, inhoud en strekking van de publicaties van deze gebruikers overeenkomen met die van [geïntimeerde 1] , maar dat heeft zij onvoldoende toegelicht. Daarbij neemt het hof in beschouwing - zoals onder meer blijkt uit het onderzoek van [geïntimeerde 3] en ook niet wordt betwist - dat een groot aantal klanten van IVB ontevreden is over IVB en dat hun ervaringen overeenkomen. Velen van hen geven op het internet uiting aan hun ontevredenheid. Overeenkomsten in aard, inhoud en strekking van die uitingen zijn daarmee op zichzelf geen aanwijzing dat [geïntimeerde 1] achter (al) deze publicaties schuilgaat. Dat geldt eveneens voor de constatering van de Consumentenbond dat van een en hetzelfde IP-adres verschillende aliassen zijn aangemaakt. Uit niets blijkt dat dit betrekking heeft op bovengenoemde gebruikersnamen noch dat dit IP-adres aan [geïntimeerde 1] is verbonden. Dat de initialen RK overeenkomen met die van [geïntimeerde 1] is eveneens onvoldoende, net als de suggestie dat [geïntimeerde 1] online was op hetzelfde moment dat de andere gebruikersnamen publicaties postten. Daar komt bij dat in het in opdracht van IVB opgemaakte rapport van mr. Schouten dezelfde aliassen worden toegeschreven aan M. Auwen, waarvan bekend is dat zij zich eveneens (ook in rechte) heeft beklaagd over de dienstverlening van IVB. 6.11. Het hof kan dan ook niet anders concluderen dan dat de door IVB vermoede betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de websites en de publicaties online volstrekt speculatief is. Het ontbreken van een begin van aannemelijkheid van die betrokkenheid staat, mede in het licht van de zeer ruim geformuleerde inzagevordering, aan toewijzing daarvan in de weg. Deze inzagevordering kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een fishing expedition . Het hof komt daarmee niet toe aan de vraag of die vermeende betrokkenheid de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerde 1] onrechtmatig handelt jegens IVB. Met een fishing expedition wordt aan de wettelijke eisen voor toewijsbaarheid van het gevorderde immers niet voldaan (geen rechtsbetrekking, geen voldoende belang, en misbruik van bevoegdheid). 6.12. In hoger beroep heeft IVB als aanvullende grondslag voor de rechtsbetrekking aangevoerd dat sprake is van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. Volgens IVB is voldaan aan de criteria daarvoor omdat sprake is van een groep en [geïntimeerde 1] minst genomen een actieve bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen in groepsverband. IVB stelt dat tussen de gedragingen van de groep een bewuste samenhang bestaat en de opzet van [geïntimeerde 1] gericht is op het toebrengen van schade, hetgeen hem had behoren te weerhouden van het deelnemen van die gedragingen in dat groepsverband. Met [geïntimeerde 1] stelt het hof vast dat deze grondslaguitbreiding zich slecht verdraagt met de eerder aan de inzagevordering ten grondslag gelegde stelling dat [geïntimeerde 1] schuilgaat achter de aliassen en websites, maar bovendien heeft IVB onvoldoende toegelicht van welke concrete stellingen - in het licht van deze aanvullende grondslag - hij nadere onderbouwing denkt te vinden in de bescheiden waarvan hij inzage vordert. Daarmee is het belang bij de inzage - ook in zoverre - onvoldoende onderbouwd. 6.13. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek - ook op grond van artikel 196 lid 2 Rv - dient te worden afgewezen. Daarom behoeft hetgeen door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] overigens nog is aangevoerd geen bespreking meer. Slotsom, bewijsaanbod en kosten 6.14. De grieven hebben geen succes en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. IVB heeft een aanbod gedaan tot het doen horen van een aantal getuigen over hun onderlinge contacten en communicatie met [geïntimeerde 1] en de schade die IVB heeft geleden. Dit aanbod is echter niet ter zake dienend in het licht van de vordering tot inzage die voorligt, zodat het hof daaraan voorbijgaat. IVB is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast: Aan de zijde van [geïntimeerde 1] : - griffierecht € 362 - salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten) - nasalaris € 189 Totaal € 3.131 Aan de zijde van [geïntimeerde 3] : - griffierecht € 827 - salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten) - nasalaris € 189 Totaal € 3.596 7 Beslissing Het hof: 7.1. bekrachtigt het bestreden vonnis; 7.2. veroordeelt IVB in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot nu vastgesteld op € 3.131, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt; 7.3. veroordeelt IVB in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 3] tot nu vastgesteld op € 3.596, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt; 7.4. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 7.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, G.R. den Dekker en A. van Hees en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.