Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9082 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-176234-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Polen. Artikel 6a OLW; door de verdediging is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. De opgeëiste persoon wordt niet gelijkgesteld met een Nederlander. Artikel 12 OLW; afzien van toepassing van deze weigeringsgrond. Art 11OLW: het vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte detentiegarantie voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 13 OLW: afzien van toepassing van deze weigeringsgrond. Overlevering toestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-176234-26 Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juni 2026, gecorrigeerd op 6 juli 2026, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 december 2024 door the Regional Court in Włocławek , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (Polen), niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, met als feitelijk verblijfadres: [verblijfadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 13 augustus 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het, schriftelijk en met stukken onderbouwde, aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, toegewezen. De zitting van 2 september 2026 De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 2 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Y.A. Samseij, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB en genoegzaamheid Het EAB vermeldt - Decision of the Regional Court in Włocławek of 3rd August 2023 , reference - II K 22/23, - Decision of the District Court in Włocławek of 19th October 2021, reference - II K 464/24. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en drie maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis van the District Court in Wloclawek van 19 oktober 2021 (II K 464/24). Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, tien maanden en vier dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. Het EAB ziet voorts op de vervolging ter zake de in het EAB omschreven feiten in de beslissing met nummer II K 22/23. Op 7 juli 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) de volgende vragen gesteld ten aanzien van de beslissing van in de zaak met nummer II K 22/23. “In section E of the EAW, there is mention of four offences (in the case with ref. no. II K 22/23). 4. Could you please provide a more detailed description of the circumstances in which these four offences were committed? In section E of the EAW, four offences are mentioned under ref. no. II K 22/23, whereas in section E.2, there is only one offence mentioned under ref. no. II K 22/23. 5. Could you please indicate how the one offence mentioned in section E.2, relates to the four offences mentioned under section E EAW?” Op 10 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende, voor zover hier van belang, aanvullende informatie versterkt. “Section E of the EAW - [opgeëiste persoon] has been accused of the commission of four offences in case file reference II K 22/23, namely: 1) Participation in the organized criminal group -section E1 (on the non-established days in the period of years 2014-2016 in Włocławek, Kuyavian and Pomeranian Province, in Kępno and other localities in the territory of Poland and in the Netherlands, acting in the aim to receive material benefits, acting together and in concert with [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] and other, non-established persons, he participated in the organised criminal group, the aim of which was commissioning of the drug-related offences consisting in the trafficking of significant amount of drugs and psychotropic substances, granting drugs and psychotropic substances, intra-community purchase and importation of significant amounts of drugs and psychotropic substances, whereas his role consisted in participating in intra-community purchases of significant amounts of drugs, participation in trafficking of significant amounts of drugs and psychotropic substances, i.e. the deed from Art. 258 § 1 of the Penal Code). 2) Drug-related offences - section E1 committed within this organised criminal group (on the non-established days in June 2015 in Włocławek, Kuyavian and Pomeranian Province and abroad, in the Netherlands, acting within the organized criminal group described under point x, with the aim to obtain material benefits, acting together and in concert with [medeverdachte 4] and other, non-established, persons, he purchased, intra-communistically, in the Netherlands and then brought to Poland, significant amount of drugs in the total form of at least 4000 grams of marijuana, with the aim to further resell it in Poland, of which 400 grams he transferred to [medeverdachte 4] to be further resold, i.e. the offence from Art. 55 subpara. 3 of the 29th July 2005 Act on Preventing of Drug Addiction in concurrence with Art. 56 subpara. 3 of the 29th July 2005 Act on Preventing of Drug Addiction in conjunction with Art. 11 §2 of the Penal Code in conjunction with Art. 65 § 1 of the Penal Code and on the non-established days in October 2016 in Warsaw, Masovian Province, acting within the organized criminal group described under point x, acting together and in concert with [medeverdachte 4] and other, non-established persons, with the aim to obtain material benefits, in the short intervals of time and with the premeditated intention he participated in the trafficking of significant amount of psychotropic substances in the form of synthetic cocaine to be smoked in the following manner: he intermediated the purchase by [medeverdachte 4] from the non-established person not less than 70 grams of cocaine, at the unit price of 180 PLN, which he then transcended to [medeverdachte 4] with the aim to further resell, of which he purchased from [medeverdachte 4] 10 grams at the price of 210 PLN per one gram to further resell, and then, at a later date, he received from [medeverdachte 4] not less than 55 grams of the above described cocaine whit the aim to further resell it, i.e. the deed from art. 56 subpara. 3 of the 29th July 2005 Act on Preventing Drug Addiction in conjunction with Art. 65 § l of the Penal Code in conjunction with Art. 12 § l of the Penal Code); 3) Drug-related offence consisting in granting of marijuana against remuneration -section E2 (on the non-established days in the years 2014 -2015 in Włocławek, in Kuyavian and Pomeranian Province, acting within the organized criminal group described under point x, acting with the aim to obtain material benefits, in the short intervals of time and with the premeditated intention he granted to [medeverdachte 4] , against the remuneration, not less than 7 or 8 times, drugs in the form of marijuana at the total amount of not less than 14 or 16 grams, at the price of 30 PLN per gram, i.e. the deed from Art. 59 subpara. 1 of the 29th July 2005 Act on Preventing Drug Addiction in conjunction with Art. 12 § 1 of the Penal Code in conjunction with Art. 65 §1 of the Penal Code).” De raadsvrouw en de officier van justitie hebben geen opmerkingen ten aanzien van de grondslag en/of de genoegzaamheid van het EAB gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het EAB genoegzaam. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Ten aanzien van the Decision of the District Court in Włocławek of 19th October 2021, reference- II K 464/24. Het EAB vermeldt onder D) het volgende: “Yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision (refers to point 2 case II K 464/21”. Op 7 juli 2026 heeft het IRC de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. “During the arraignment before the Court of Amsterdam, Mr [opgeëiste persoon] has indicated that an appeal was lodged against the judgement issued by the District Court in Wloclawek on 19.10.2021 (ref. no. II K 464/21). 2. Could you please indicate if there has been an appeal procedure in the case with ref. no. II K 464/21? 3. In case there has been an appeal procedure, could you please fill in and return the model form of section D (included as an annex to this email) with regard to the appeal procedure? Please explicitly mention the reference no. when filling in section D.” Op 10 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt. “section D of the EAW-in case file reference II K 464/21 of the District Court in Włocławek the appellate procedure has been initiated under file reference II 1 Ka 516/21. The convict appeared at the first appellate trial, then, he was represented by his defense attorney at the remaining dates of trials.” Op 23 juli 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld. “ Section D EAW You have indicated that in the case with ref. no. II K 464/21, an appellate procedure was initiated (under ref. no. II 1 Ka 516/21). 1. Could you please inform us on the date, reference number and the issuing authority of the appeal judgement? 2. Could you please confirm that the decision resulting from the appellate procedure (ref. no. II 1 Ka 516/21) is the final decision which is no longer subject to any ordinary appeal and which, accordingly, finally disposes of the case, as meant in C-270/17 PPU, Tupikas, (ECLI:EU:C:2017:628) paragraph 90 and as meant in C-397/22 (ECLI:EU:C:2023:1030) paragraph 49 and 53? Furthermore, it is mentioned that Mr [opgeëiste persoon] appeared at the first appellate trial, and was represented by his defense attorney at the remaining trial dates. 3. Could you please indicate whether Mr [opgeëiste persoon] has granted the power of attorney to the defense counsel in the appellate procedure (ref. no. II 1 Ka 516/21), and whether he was actually represented by this defense counsel at all of the remaining trial dates that led to the judgment? 4. In which way was Mr [opgeëiste persoon] informed of the remaining trial dates?” Op 30 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt. “1. The appellate decision was issued by the Regional Court in Włocławek on 13th October 2022, file reference number II I Ka 516/21. 2. The decision issued in the appellate proceedings (file reference number II 1 Ka 516/21) is the final decision and there are no ordinary appeal measures therefrom, and it is the decision that provides final adjudication of the case. 3. In the appellate proceedings (file reference number II l Ka 516/21) the convict [opgeëiste persoon] used the assistance of the defence attorney who had been appointed by him in the proceedings before the Court of the First instance (file reference number II K 464/21). In accordance with Art. 84 paragraph 1 of the Polish Code of Penal Procedure "Appointing of the defense attorney or granting the defense attorney ex officio authorizes them to act during the whole course of proceedings, without excluding the deeds undertaken after the decision becomes final, if no limitations had been imposed." The defense attorney of [opgeëiste persoon] was present at all appellate trials, which had been held on: 24th February 2022, 19th May 2022, 15th September 2022 and on 13th October 2022. 4. The convict [opgeëiste persoon] participated in person in the appellate trial on 24th February 2022. The convict failed to appear at the appellate trial on 19th May 2022. The convict [opgeëiste persoon] was informed about the date of the trail, which was held on 19th May 2022 in person, by the Court, during the appellate trial on 24th February 2022. The convict failed to appear at the appellate trial on 15th September 2022. The convict [opgeëiste persoon] was informed about the date of the trail, which was held on 15th September 2022 in a written manner, the notification was sent to the residence address given by the convict during the course of proceedings. The correspondence from the Court had not been collected by the convict and it was assumed as effectively served. The convict failed to appear at the appellate trial on 13th October 2022. The convict [opgeëiste persoon] was informed about the date of the trail which was held on 13th October 2022 in a written manner, the notification was sent to the residence address given by the convict during the course of proceedings. The correspondence from the Court had not been collected by the convict and it was assumed as effectively served.” Op 4 augustus 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld. “1. Did Mr [opgeëiste persoon] , when providing the authorities with an address during the (pre-trial) proceedings, receive the instruction to inform the authorities about address changes and was he informed about the consequences of not complying with this obligation (including that, in case of Mr [opgeëiste persoon] ’s absence at trial, the proceedings could take place in absentia)? 2. Was Mr [opgeëiste persoon] thereby explicitly informed that these rights and obligations would apply to the entire proceedings (including appeal)?” Op 11 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt. “Mr [opgeëiste persoon] was instructed on the necessity to inform the authorities on the changes of his residence address, as well as, on the consequences of failing to observe this obligation (" ... the letter sent to the [adres] shall be deemed as served and the deeds or the trial shall be conducted in the absence of the suspect ... " Art. 139 of the Code of Penal Procedure). Mr [opgeëiste persoon] confirmed the receipt of the instructions on 3rd September 2020.” Standpunt van de verdediging Ten aanzien van de decision of the District Court in Włocławek of 19th October 2021, reference- II K 464/24 heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon is twee keer naar de rechtbank gegaan om bij een zitting aanwezig te zijn en hij heeft daarna nooit meer iets van zijn advocaat gehoord. De opgeëiste persoon stelt dat hij de oproepingen voor de volgende zittingen nooit heeft gehad. Hij had geen adres in Polen en hij had inmiddels zijn advocaat ontslagen, want daar was hij niet tevreden over. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen over de oproepingsbrieven voor de (vervolg-) zittingen en de betekeningen daarvan en om kopieën van de oproepingsbrieven, waarin staat vermeld dat de zitting buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon kunnen plaatsvinden, aan het dossier te laten toevoegen. Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de decision of the District Court in Włocławek of 19th October 2021, reference- II K 464/24 heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak in hoger beroep van the Regional Court in Włocławek on 13th October 2022, file reference number II I Ka 516/21 moet aan artikel 12 OLW worden getoetst. De situatie als bedoeld in artikel 12 b OLW doet zich voor en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon is bij alle zittingen aanwezig geweest. Bovendien is de opgeëiste persoon zelf bij een aantal zittingen aanwezig geweest. De oproepingen zijn naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie gekregen, die hij ook heeft ondertekend. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure in hoger beroep, want hij was op de eerste zitting aanwezig. Bovendien is hem op die eerste zitting de tweede zitting aangezegd. Hij heeft er zelf voor gekozen om niet bij de volgende zittingen aanwezig te zijn. Het had op zijn weg gelegen om bereikbaar te blijven op het adres dat hij had opgegeven. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW op grond van dezelfde argumenten. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de decision of the Regional Court in Włocławek of 3rd August 2023, reference - Ten aanzien van de decision of the District Court in Włocławek of 19th October 2021, reference- II K 464/24. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Włocławek on 13th October 2022, file reference number II I Ka 516/21 toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij alle zittingen van het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd –, met uitzondering van de eerste en tweede zitting in hoger beroep, in persoon is gedagvaard of opgeroepen of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de resterende zittingen van het proces, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon bij de eerste zittingsdag in hoger beroep, op 24 februari 2022 aanwezig is geweest. Op die zitting is hem de datum van de volgende zitting, te weten, 19 mei 2022, aangezegd. De opgeëiste persoon heeft bij zijn voorgeleiding op 22 juni 2026 verklaard dat hij hoger beroep heeft ingesteld en dat hij in eerste aanleg en hoger beroep een gemachtigd advocaat had. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank daarom voldoende komen vast te staan dat de opgeëiste persoon van de procedure in hoger beroep op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, De rechtbank ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsvrouw af. 5 Strafbaarheid 5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten van de beslissing met nummer II K 22/23 aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. Ten aanzien van het eveneens aangekruiste lijstfeit verkrachting overweegt de rechtbank dat sprake is van een kennelijke vergissing. Dit lijstfeit is in het originele, niet vertaalde, EAB niet aankruist. Bovendien blijkt uit de in het EAB opgenomen feitomschrijvingen in het geheel niet van dit feit. De rechtbank zal geen gevolgen verbinden aan deze kennelijke vergissing van de vertaler. 5.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten van de beslissing met nummer II K 464/24 niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6/6a OLW Inleiding De overlevering van de opgeëiste persoon is (deels) gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon al vijf jaar in Nederland verblijft. Bij de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon in raadkamer op 3 juli 2026 heeft de rechtbank de binding met Nederland van de opgeëiste persoon vastgesteld. De opgeëiste persoon heeft een vrouw en dochter die volgende week ook naar Nederland komen. De verdediging heeft geen stukken kunnen overleggen over de verblijfstatus van de opgeëiste persoon. Hij heeft in Nederland gewerkt en geniet op dit moment een uitkering. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. De toets voor schorsing van de overleveringsdetentie is wezenlijk anders dan de toets of een opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Door de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. De rechtbank kan de opgeëiste persoon dan ook niet gelijkstellen met een Nederlander. De raadsvrouw heeft uitsluitend verzocht om toepassing van artikel 6a OLW, zodat de rechtbank zich niet hoeft uit te laten over de mogelijke toepassing van artikel 6 OLW. 7.1 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben dan wel hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7.2 Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden Inleiding In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van dit onderzoek heeft het IRC op 22 juli 2026 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten: “1. Could you please inform me whether Mr. [opgeëiste persoon] , immediately after surrender, will most likely be detained in the remand regime in Poland? 2. In which remand prison will Mr [opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender? 3. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will Mr [opgeëiste persoon] have in a multi- occupancy cell? In case Mr [opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s): 4. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell? 5. If not, how many hours per day on average would Mr [opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell? The Court requests information on: * Which activities the wanted person can participate in; * The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library, common rooms, etc.); * The frequency of such activities and how much time the wanted person can access the common areas outside of the cell; * Whether the permission to participate in activities or access to common areas is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which conditions or procedural rules; and/or * Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.” Op 29 juli 2026 is van the Ministry of Justice Department of Decisions Enforcement and Probation Warsaw, de volgende aanvullende informatie ontvangen. “the indicated person, after being transported to Poland, shall, most probably, be in accordance with the zoning division of the country, at the Penal Institution (Prison) detained, in Włocławek. The area of residential cells of Prison in Włocławek falling to one detainee is not less than 3 m3, in accordance with 2 Art. 110§2 of the Executive Penal Code. The personal space, assuming that the minimum of 3 m is guaranteed depends on the area of the given residential cell. (…) As to the guarantee that the detainee shall spent at least two hours daily outside the residential cell I would like to inform that each of the detainees in Prison in Włocławek, has such possibility if only they express the wish to do so. The mentioned above period of time is composed of different activities to which the detainee is entitled. (…) As was indicated above, there are many forms of activities and the possibilities for the detainees to stay outside their residential cells. However it is not possible to exact calculate the total time of staying outside the cell. It should be mentioned that the person detained on remand may join different forms of classes, activities or rights vested thereto. Provided they would be willing to, the total time the detained on remand may spent outside the residential cell would easily exceed two hours every day. Prison in Włocławek may guarantee the above to the person detained on remand. (…)” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat overlevering van de opgeëiste persoon een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) en artikel 4 van het Handvest oplevert. Op basis van de ontvangen aanvullende informatie kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal kunnen beschikken over tenminste 3 m2 persoonlijke ruimte, zoals benoemd in het Dorobantu -arrest. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat het niet mogelijk is om aan te geven in welke (soort) cel de opgeëiste persoon geplaatst wordt. Ook wordt geen garantie gegeven over hoeveel tijd per dag de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven. De opgeëiste persoon heeft medische klachten. Hij zal 16 september 2026 aan zijn heup worden geopereerd. Het is van belang dat hij voldoende kan bewegen binnen en buiten zijn cel. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden. Gevraagd zou moeten worden in welke specifieke cel de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst wordt, of hij tenminste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven en of er in zijn cel voldoende bewegingsruimte is om te revalideren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering hoogstwaarschijnlijk geplaatst wordt in the Penal Institution (Prison) in Włocławek. Ook blijkt uit de aanvullende informatie dat hij daar zal beschikken over minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte en dat hij, op vrijwillige basis, in ieder geval 2 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Daarmee is het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat ervan uitgegaan moet worden dat er binnen Europa adequate medische zorg aanwezig en beschikbaar is. Indien gewenst kan de opgeëiste persoon het Openbaar Ministerie machtigen om medische informatie door te sturen naar Polen, zodat de benodigde medische zorg kan worden voorbereid en na zijn overlevering beschikbaar zal zijn. Oordeel van de rechtbank Het door de rechtbank aangenomen algemene gevaar ziet op plaatsing na overlevering van opgeëiste personen in een remand regime . Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon most probably , zal worden geplaatst in the Penal lnstitution (Prison) detained, in Włocławek . Gelet op het feit dat de overlevering deels wordt verzocht voor feiten waarvoor de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, stelt de rechtbank vast dat het mogelijk is dat hij in een remand regime terecht zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de aanvullende informatie van 29 juli 2026 het reeds door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal kunnen beschikken over tenminste 3 m2 persoonlijk ruimte en dat hij, als hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, ten minste zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. Er is door de rechtbank geen algemeen gevaar aangenomen met betrekking tot een gebrek aan adequate medische zorg in het Poolse detentie instellingen. Voor zover de raadsvrouw zicht op het standpunt heeft gesteld dat een dergelijk gevaar moet worden aangenomen, heeft zij dit overigens niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd . Voor zover er voor de opgeëiste persoon al specifieke medische zorg nodig zou zijn, is dit ook niet met stukken onderbouwd. Het algemeen gevaar ziet evenmin op het type cel waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering in geplaatst zal worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Poolse autoriteit aanvullende vragen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon te stellen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsvrouw af. 8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. Standpunt van de verdediging De advocaat van de opgeëiste persoon heeft zich niet over deze weigeringsgrond uitgelaten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen bevinden zich daar, de drugs zijn in Polen ingevoerd en het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; - voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals: de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie; de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken; de locatie van de slachtoffers; de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen; en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek is aangevangen in Polen, de bewijsmiddelen zich bevinden daar bevinden, de drugs in Polen zijn ingevoerd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen. In dat licht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7, 12 en 13 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Włocławek , Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A.B.M. Wijnveldt en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. ÁG613127081184_È G613127081184 Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. en Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4 Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Zie onder meer: Rb. Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47.