# Rechtbank Amsterdam, 23-09-2026 (C/13/792569 / KG ZA 26-743)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9525
- Date: 2026-09-23
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9525
- Canonical: https://overview.legal/posts/354176

## Summary

KG ING heeft bankrelaties beëindigd. Vordering tot voortzetting wordt afgewezen. ING heeft het cliëntenonderzoek niet kunnen afronden en is daarom op grond van de Wwft verplicht de relatie te beëindigen. ING kan niet uitsluiten dat sprake is van een zogenaamd Cash Compensatie Model.

## Full text

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/792569 / KG ZA 26-743 MK/MV Vonnis in kort geding van 23 september 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., te [woonplaats 1] , 2. [eiser 2] , te [woonplaats 2] , eisende partijen bij dagvaarding van 1 september 2026, hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] , advocaat: mr. B. Coskun, tegen ING BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ING, advocaten: mr. M.E.G. Murris en mr. D. Verheij. 1 De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 9 september 2026 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de dagvaarding toegelicht. ING heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. 1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: - [eiser 2] met mr. Coskun; - mrs. Murris en Verheij; [naam 1] ( [functie 1] bij ING) en [naam 2] ( [functie 2] bij ING) hebben via een digitale verbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling. 1.3. Na verder debat is vonnis bepaald op 23 september 2026. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] is een transportonderneming. In de dagvaarding is opgenomen dat zij chauffeurs-, transport-, rangeer- en daarmee samenhangende logistieke werkzaamheden verricht. 2.2. [eiser 2] was tot de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling van dit kort geding bestuurder van [eiser 1] . Thans is zijn broer de bestuurder. 2.3. [eiser 1] en [eiser 2] hebben beide een bancaire relatie met ING. Op die bancaire relaties zijn de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing. 2.4. In 2025 heeft ING in het kader van haar verplichtingen op grond van de Wwft een aantal informatieverzoeken naar [eiser 1] gestuurd, om precies te zijn op 3, 17 en 24 april, 6, 14 en 28 mei en op 30 juli 2025. [eiser 1] heeft hierop gereageerd op 9 en 22 mei, 6 juni en op 22 september 2025. 2.5. Bij brieven van 25 september 2025 heeft ING de bankrelatie met [eiser 1] en [eiser 2] opgezegd op grond van artikel 5 lid 3 Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme) en bericht dat de gegevens van [eiser 1] en [eiser 2] voor zeven jaar zullen worden opgenomen in het Interne verwijzingsregister (IVR). In de brief die ING naar [eiser 1] heeft gestuurd staat onder meer het volgende: Op basis van bovengenoemde bevindingen kan ING onder meer niet uitsluiten dat er mogelijk sprake is van betrokkenheid bij een ‘cash compensatie model’ (hierna: CCM). Dit model houdt kort gezegd (in dit geval) in dat er mogelijk sprake is van betrokkenheid bij witwassen, doordat u (al dan niet valse) facturen van uw onderaannemers betaalt vanuit de van uw opdrachtgever ontvangen gelden, terwijl de door u ingeschakelde uitvoerders van het werk met zwarte, in contanten verkregen inkomsten worden betaald. De aldus witgewassen gelden komen via tussenschakels vanuit de onderaannemers terug naar de (criminele) organisatie, die het contante geld heeft verschaft. Op deze manier kunnen criminele gelden via girale transacties worden witgewassen. Gelet op het feit dat u van verschillende onderaannemers niet verifieerbaar inzichtelijk heeft kunnen maken welke werkzaamheden zij voor u hebben verricht, bijvoorbeeld door middel van communicatie met uw onderaannemer, kunnen wij betrokkenheid bij een CCM niet uitsluiten. 2.6. Op 21 oktober 2025 hebben [eiser 1] en [eiser 2] bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de bankrelaties en op 16 december 2025 hebben zij een conceptdagvaarding naar ING gezonden. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat de conceptdagvaarding als een beroepsklacht door de directie van ING wordt behandeld. 2.7. Bij brief van 14 april 2026 heeft ING bericht dat zij haar standpunt om de bancaire relaties te beëindigen handhaaft en wel per 14 juli 2026. Nadien heeft ING toegezegd de bancaire relaties te handhaven totdat in dit kort geding vonnis is gewezen. 3 3. Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: ( i) ING te verbieden uitvoering te geven aan, dan wel voort te gaan met, de beëindiging van de bancaire relatie met [eiser 1] op grond van de beslissing van 25 september 2025 en het besluit van 14 april 2026, en ING te gebieden die relatie en de daaraan verbonden zakelijke betaalrekening(en), internet-bankierfaciliteiten, betaalpassen, incasso- en betalingsmogelijkheden en overige bestaande diensten in stand te houden dan wel volledig te herstellen, totdat in een door [eiser 1] binnen vier weken na dit vonnis aanhangig te maken bodemprocedure in eerste aanleg is beslist, doch uiterlijk tot negen maanden na de datum van dit vonnis, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen; (ii) te bepalen dat de onder (i) bedoelde voorziening ING niet verhindert de relaties en transacties overeenkomstig de Wwft te monitoren, voldoende specifieke en proportionele informatieverzoeken te doen, wettelijk verplichte meldingen te verrichten of ten aanzien van een concrete transactie een wettelijk noodzakelijke maatregel te treffen; (iii) ING te gebieden binnen achtenveertig uur na betekening van dit vonnis de persoonsgegevens van [eiser 2] uit het IVR te verwijderen, althans deze zodanig af te schermen dat zij gedurende de onder (i) bedoelde periode niet worden gebruikt bij acceptatie-, continuatie- of dienstverleningsbeslissingen, en ING te verbieden die persoonsgegevens op grond van hetzelfde feitencomplex opnieuw in het IVR op te nemen zolang in de bodemprocedure niet is beslist; (iv) ING te gebieden binnen achtenveertig uur na betekening van dit vonnis de op dit dossier gebaseerde IVR-registratie van [eiser 1] te verwijderen, althans het gebruik daarvan op te schorten zolang de bancaire relatie op grond van dit vonnis wordt voortgezet en in de bodemprocedure nog niet is beslist; ( v) subsidiair, indien de voorzieningenrechter de onder (i) gevorderde voortzetting niet of niet voor de volledige duur toewijst, ING te gebieden de bancaire relatie met [eiser 1] gedurende vier maanden na betekening van dit vonnis voort te zetten dan wel te herstellen en gedurende die periode het volgende hersteltraject te doorlopen: ( a) ING verstrekt binnen zeven kalenderdagen één uitputtende, cliënt- en transactiespecifieke schriftelijke opgave van de nog benodigde gegevens en documenten, onder vermelding van het daarmee te bereiken onderzoeksdoel van artikel 3 Wwft en de vormen van bewijs die ING aanvaardt; (b) [eiser 1] krijgt vervolgens eenentwintig kalenderdagen om te antwoorden en de beschikbare stukken te verstrekken; (c) ING beoordeelt het antwoord binnen eenentwintig kalenderdagen inhoudelijk en deelt haar gemotiveerde eindbeslissing schriftelijk mee; en (d) ING beëindigt de relatie niet eerder dan dertig kalenderdagen na die eindbeslissing; (vi) meer subsidiair, indien ook de onder (v) gevorderde voorziening niet wordt toegewezen, ING te gebieden de bancaire relatie en bijbehorende diensten nog gedurende ten minste drie maanden na betekening van dit vonnis voort te zetten dan wel te herstellen teneinde [eiser 1] een ordelijke overgang te bieden; (vii) ING te gebieden binnen achtenveertig uur na betekening van dit vonnis schriftelijk aan de advocaat van eisers te bevestigen op welke wijze zij aan de toegewezen voorzieningen uitvoering geeft; (viii) ING te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij geheel of gedeeltelijk in strijd handelt met een onder (i), (iii), (iv), (v), (vi) of (vii) uitgesproken veroordeling, met een maximum van € 150.000, althans een door de voorzieningenrechter passend geachte dwangsom; (ix) ING te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; ( x) ING te veroordelen in de na het vonnis ontstane kosten, te begroten overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief en te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden zijn voldaan; (xi) althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht. 3.2. [eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser 1] heeft vier keer inhoudelijk gereageerd op informatieverzoeken van ING, maar blijkbaar heeft ING de in artikel 3 Wwft vereiste kennis nog niet kunnen verkrijgen. Het onderzoek van ING is nog niet afgerond. Voor beëindiging van een bancaire relatie op grond van artikel 5 lid 3 Wwft is dit wel vereist. In haar beëindigingsbesluit maakt ING onvoldoende scherp onderscheid tussen onvoldoende documentatie, onvoldoende vertrouwen, een niet uitgesloten theoretisch risico dat bij [eiser 1] sprake is van een zogenoemd cashcompensatiemodel (CCM) en het niet kunnen voltooien van het cliëntenonderzoek. ING heeft echter geen concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake is van een CCM. De door ING gekozen formulering dat betrokkenheid bij een CCM ‘niet kan worden uitgesloten’ is een te ruime maatstaf. De persoonlijke IVR-registratie van [eiser 2] is niet deugdelijk gemotiveerd. ING heeft hiervoor geen feitelijke grondslag aangevoerd (behalve dat hij bestuurder is van [eiser 1] ), laat staan dat een registratie voor de duur van zeven jaar is gerechtvaardigd. 3.3. Ter verdere toelichting voeren [eiser 1] en [eiser 2] aan dat in de transportbranche afspraken veelal mondeling worden gemaakt. ING heeft gesteld dat zij de concrete werkzaamheden voor drie opdrachtgevers (Tribal Transport, Fast Transport en Allround B.V.) niet kon verifiëren, dat de bedrijfsactiviteiten daardoor onvoldoende inzichtelijk waren en dat de in dat verband gesignaleerde risico’s gelijkenissen met een CCM vertonen. [eiser 1] is het hier niet mee eens. Met de documenten die [eiser 1] aan ING heeft laten zien heeft zij wel degelijk aangetoond dat sprake is van reële bedrijfsactiviteiten. Zo heeft zij een verkoopfactuur aan een opdrachtgever, inkoopfacturen van onderaannemers, urenstaten en een samenwerkingsovereenkomst laten zien. Ten aanzien van Tribal Transport beschikte ING ten minste over factuur [factuurnummer] , een urenstaat en een aangepaste urenstaat, alsmede enige e-mailwisseling. Dat die stukken vragen oproepen, rechtvaardigt gericht vervolgonderzoek. Het rechtvaardigt niet (zonder nadere uitleg) de algemene formulering in het directiebesluit dat geen deugdelijke bedrijfsadministratie is aangeleverd. Ten aanzien van Fast Transport en Allround B.V. heeft [eiser 1] op de concrete vragen antwoorden gegeven. Indien dit onvoldoende zou zijn in de ogen van ING, betekent dit nog niet dat het cliëntenonderzoek als geheel blijvend onmogelijk was. [eiser 1] heeft immers verklaard dat de koppelingen en registraties bestonden en een beperkte, laatste verificatieronde kan objectief vaststellen of dat juist was. [eiser 1] is zo nodig bereid zich aan een strikte, rechterlijk omlijnde laatste verificatieronde te onderwerpen. Daarop zien de subsidiaire vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] . 3.4. ING heeft verweer gevoerd. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 4. De beoordeling 4.1. Een vordering in kort geding is een voorlopige voorziening die toewijsbaar is als voorshands aannemelijk is dat een bodemrechter de onderliggende vordering ook zou toewijzen en van eiser niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bovendien moet een belangenafweging ertoe leiden dat de voorlopige voorziening noodzakelijk is. 4.2. Bij de beoordeling van dit geschil gelden de volgende uitgangspunten. 4.2.1. Op grond van artikel 35 ABV heeft een bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (zie artikel 6:248 lid 2 BW en HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929). Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (artikel 2 ABV), waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Daarbij weegt zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. 4.2.2. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. 4.2.3. Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV). 4.3. ING heeft haar beslissing om de bankrelaties te beëindigen gebaseerd op haar cliëntenonderzoek, dat zich met name heeft gericht op drie onderaannemers van [eiser 1] , te weten Tribal Transport, Fast Transport en Allround B.V. 4.4. Ten aanzien van Tribal Transport heeft ING onder meer het volgende aangevoerd. - er worden diensten van 14,5 uur per dag gedraaid; - in de periode van 29 november 2024 tot en met 28 maart 2025 is in totaal € 141.452,03 overgemaakt naar Tribal Transport, waarvoor maar één factuur is aangeleverd (met nummer [factuurnummer] ) waarin 116,5 uur is gefactureerd tegen € 65 per uur; - op de aanvankelijk aangeleverde urenspecificatie zijn geen namen van personeelsleden en geen specifieke activiteiten genoemd, noch de naam van de uiteindelijke opdrachtgever; - afspraken met Tribal Transport zijn niet schriftelijk vastgelegd, bijvoorbeeld in een overeenkomst; - [eiser 1] heeft gesteld dat de afspraken met Tribal Transport mondeling zijn gemaakt, maar daarvan is geen verifieerbaar bewijs toegestuurd; - door [eiser 1] aangeleverde e-mails tonen alleen dat facturen zijn ontvangen, maar niet dat er correspondentie heeft plaatsgevonden over de werkzaamheden; - uit een aangepaste urenspecificatie (die is opgesteld naar aanleiding van vragen van ING) zou blijken dat één medewerker (die dan pas bij naam wordt genoemd) een werkweek zou hebben gemaakt van 102 uren, hetgeen ING niet geloofwaardig acht en bovendien in strijd is met wettelijke regels; [eiser 1] heeft hiervoor ook geen sluitende verklaring gegeven. 4.5. Ten aanzien van Fast Transport en Allround B.V. heeft ING aangevoerd dat zij betalingen heeft waargenomen (€ 64.614 aan Fast Transport in de periode van 24 november 2023 tot en met 26 april 2024 en € 12.100 aan Allround B.V. op 5 juli 2025) zonder dat die zijn onderbouwd met facturen, onderliggende administratie, of correspondentie. Ten aanzien van Fast Transport heeft ING aanvullend aangevoerd dat die vennootschap op 29 juli 2025 in staat van faillissement is verklaard, dat de curator heeft geconstateerd dat de activiteiten al in februari 2024 zijn gestaakt en dat de financiële stukken gebrekkig zijn, hetgeen erop kan duiden dat de facturen niet aansluiten bij de werkelijke bedrijfsvoering. 4.6. Met ING is de voorzieningenrechter van oordeel dat – gezien de hierboven weergegeven bevindingen – het cliëntenonderzoek serieuze vragen oproept die maken dat ING dit onderzoek niet heeft kunnen afronden. De economische rechtvaardiging voor verschillende betalingsstromen is onvoldoende aangetoond zodat rekening gehouden moet worden met een reëel risico dat is gefactureerd voor werkzaamheden die (deels) niet hebben plaatsgevonden. Dit kan duiden op een CCM, waarin – net als in dit geval – schriftelijke overeenkomsten en inhoudelijke communicatie ontbreken, er geen opdrachtgever bekend is en achteraf administratie wordt gefabriceerd. Of daadwerkelijk sprake is van een CCM bij [eiser 1] en [eiser 2] hoeft ING niet aan te tonen; voldoende is dat zij serieuze risico’s heeft geconstateerd die niet zijn ontkracht. Dit is een onacceptabel risico in de zin van artikel 5 lid 3 Wwft zodat ING verplicht is de bankrelaties te beëindigen. Tot slot was (en is), anders dan [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd, ING niet gehouden hen opnieuw een gelegenheid te bieden om nadere informatie te verstrekken. Het dossier laat zien dat zij meerdere gelegenheden hebben gekregen. 4.7. Hetgeen [eiser 1] op de mondelinge behandeling van dit kort geding nog heeft aangevoerd over Tribal Transport, Fast Transport en Allround B.V. maakt het voorgaande niet anders. In de kern komt dit erop neer dat het aan ING verstrekte dossier mogelijk onvolledig was, maar dat dat nog niet bewijst dat geen daadwerkelijke werkzaamheden zijn uitgevoerd of dat gefactureerde werkzaamheden fictief waren. Ten aanzien van Allround B.V. heeft [eiser 1] aangevoerd dat de omvang en de aard van deze afzonderlijke transactie niet rechtvaardigt dat het gehele bedrijfsmodel van [eiser 1] als onverklaarbaar wordt aangemerkt. De leemtes die het dossier bevat, zijn – aldus [eiser 1] – niet van dien aard dat nadere opheldering onmogelijk is. Met hetgeen [eiser 1] heeft aangevoerd miskent zij dat reeds een uitgebreid en langdurend cliëntenonderzoek is verricht waarin [eiser 1] meerdere keren in de gelegenheid is gesteld opheldering te verschaffen, maar dit niet (volledig) heeft gedaan. En zoals al overwogen, tot een nadere ronde is ING niet verplicht. 4.8. De conclusie is dat in kort geding niet behoeft te worden ingegrepen in de beëindiging van de bankrelaties door ING. Daarop stuiten vorderingen (i), (v) en (vi) af. 4.9. Aan het oordeel dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen draagt bij dat ING terecht vraagtekens heeft gezet bij het spoedeisend belang van [eiser 1] en [eiser 2] . Zij beschikken immers over alternatieve betaalrekeningen bij respectievelijk Swan en ABN AMRO. 4.10. Tot slot acht de voorzieningenrechter – gezien hetgeen ING hierover heeft aangevoerd – de IVR-registraties gerechtvaardigd. Dat [eiser 1] en [eiser 2] niet voldoende hebben meegewerkt aan het cliëntenonderzoek en dat de bankrelaties op grond van artikel 5 lid 3 Wwft zijn beëindigd vormt voldoende reden voor de registraties. Daarop stuiten vorderingen (iii) en (iv) af. Bij deze uitkomst is geen ruimte voor een dwangsom, vorderingen (viii). Het belang van vorderingen (ii) en (vii) volgt niet uit de stukken en worden eveneens afgewezen, evenals de proceskostenvorderingen (ix) en (x). 4.11. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op: - griffierecht € 735 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101 4.12. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. Coll: BB

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354176 · 2026-09-24
