# Rechtbank Amsterdam, 22-09-2026 (1307474326)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9486
- Date: 2026-09-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9486
- Canonical: https://overview.legal/posts/354181

## Summary

Meermaals medeplegen oplichting, (medeplegen) (poging tot) diefstal valse sleutel. Vrijspraak oplichting undercoveragent. Gevangenisstraf 36 maanden waarvan 6 maande voorwaardelijk, proeftijd 3 jaar. Bijzondere voorwaarden, vorderingen benadeelde partijen.

## Full text

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/074743-26 (zaak A), 13/102841-26 (zaak B) en 13/136517-26 (zaak C) Datum uitspraak: 22 september 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd te: [naam PI] , hierna: verdachte. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. V.C.E de Jong, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.R. Heerenveen, naar voren hebben gebracht. 2 De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich, kort gezegd, heeft schuldig gemaakt aan Zaak A: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: (primair) het medeplegen van oplichting van [benadeelde partij 1] , of een politieagent die zich als [benadeelde partij 1] voordeed, op 10 maart 2026, althans (subsidiair) medeplichtigheid daaraan; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: (primair) het medeplegen van oplichting van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] , in de periode van 7 april 2025 tot en met 11 februari 2026, althans (subsidiair) medeplichtigheid daaraan; Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] in de periode van 7 april 2025 tot en met 11 februari 2026; Zaak B: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: (primair) het medeplegen van oplichting van [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] , in de periode van 23 september 2025 tot en met 10 november 2025, althans (subsidiair) medeplichtigheid daaraan; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: diefstal van [benadeelde partij 10] op 10 november 2025 door middel van een valse sleutel; Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: diefstal van [benadeelde partij 11] op 29 september 2025 door middel van een valse sleutel; Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: poging tot diefstal van [benadeelde partij 9] en/of [benadeelde partij 12] op 23 september 2025 door middel van een valse sleutel; Zaak C: Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: (primair) het medeplegen van oplichting van [benadeelde partij 13] , [benadeelde partij 14] , [benadeelde partij 15] , [benadeelde partij 16] , [benadeelde partij 17] , [benadeelde partij 18] en [benadeelde partij 19] in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 10 november 2025, althans (subsidiair) medeplichtigheid daaraan; Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: het medeplegen van diefstal van [benadeelde partij 13] , [benadeelde partij 14] , [benadeelde partij 15] , [benadeelde partij 16] , [benadeelde partij 17] , [benadeelde partij 18] en [benadeelde partij 19] in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 10 november 2025 door middel van een valse sleutel. De volledige (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle (primair) ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak verzocht van het onder 1 en 2 in zaak A, onder 1 en 3 in zaak B en onder 1 in zaak C tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft daarnaast partiële vrijspraak verzocht van het onder 3 in zaak A en onder 2 in zaak C tenlastegelegde voor zover dit ziet op het wegnemen van bankpassen. 3.3. Het oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van medeplegen oplichting (zaak A, feit 1) De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1 in zaak A is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 3.3.1.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken uit van de volgende feiten en omstandigheden betrekking tot hetgeen onder 1 in zaak A is tenlastegelegd. Naar aanleiding van het grote aantal aangiftes van bankhelpdeskfraude is binnen het opsporingsonderzoek ‘Operatie Greet’ proactief onderzoek verricht naar de werkwijze van de daders. In dit kader is een undercoveragent – die lid was van Team Heimelijk Operaties – op 10 maart 2026 gebeld door een man die zich voorstelde als een medewerker van de ING Veiligheidsdesk. Deze man gaf aan dat de undercoveragent slachtoffer was geworden van phishing, waardoor er binnenkort een geldbedrag van zijn rekening zou worden overgemaakt naar een rekening in Duitsland. Om dat te voorkomen wilde de man de bankrekening van de undercoveragent blokkeren. Vervolgens werden de persoons-, verzekerings- en bankgegevens van de undercoveragent geverifieerd en vroeg de zogenaamde bankmedewerker of de undercoveragent waardevolle spullen in huis had. Toen de undercoveragent hierop bevestigend antwoordde, droeg de bankmedewerker hem op deze spullen samen met de inloggegevens van zijn bankrekening in een enveloppe te doen en, na vermelding van de code [code] mee te geven aan een veiligheidsmedewerker die de spullen vervolgens veilig zou stellen. Nog tijdens het telefoongesprek werd er aangebeld door iemand die door de bankmedewerker werd geïntroduceerd als de genoemde veiligheidsmedewerker van de bank. Nadat deze persoon de code [code] opnoemde, heeft de undercoveragent een tas met daarin de enveloppe aan hem overhandigd. Hierop werd de telefoonverbinding verbroken. Degene die de envelop in ontvangst heeft genomen is vervolgens in de taxi gestapt die werd bestuurd door verdachte. De gefingeerde veiligheidsmedewerker en verdachte zijn vervolgens aangehouden. Verdachte heeft kort daarvoor de weggenomen goederen uit de auto gegooid. Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij slechts als taxichauffeur werkzaam was en niet bij de oplichting betrokken was. 3.3.1.2. Vrijspraak Voor een veroordeling voor (medeplegen van) oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, en moet die ander daardoor zijn bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. In de onderhavige zaak ging het om de afgifte van goederen, te weten een bankpas en waardevolle spullen, en het ter beschikking stellen van inloggegevens, persoonsgegevens en bankgegevens. Het antwoord op de vraag of het slachtoffer in een concreet geval door een oplichtingsmiddel is bewogen tot één van de eerdergenoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Enerzijds kan de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste voorzichtigheid het slachtoffer aanleiding geven om de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Anderzijds kan de persoonlijkheid van het slachtoffer, waaronder de leeftijd en de verstandelijke vermogens, een rol spelen. Oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. In de onderhavige zaak betrof het slachtoffer aan de deur een undercoveragent die van meet af aan wist dat de door verdachte en zijn medeverdachte(n) gedane mededelingen, zoals die in de tenlastelegging staan omschreven, niet op waarheid berustten. Daaruit volgt dat de undercoveragent niet door de door verdachte en zijn medeverdachte(n) gebruikte oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van de bankpas en de waardevolle goederen en het ter beschikking stellen van zijn inloggegevens, persoonsgegevens en bankgegevens. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van voltooide oplichting, zoals ten laste is gelegd, geen sprake is en spreekt verdachte daarvan vrij. 3.3.2. Modus operandi De rechtbank stelt ten aanzien van de overige verdenkingen vast dat in de periode van 7 april 2025 tot en met 11 februari 2026, op verschillende plaatsen in het land meerdere soortgelijke oplichtingen en diefstallen hebben plaatsgevonden met gebruikmaking van helpdeskfraude. Daarvan is bij de politie meermaals aangifte gedaan. Uit de aangiftes komt naar voren dat de daders een min of meer vaste werkwijze hanteerden om de aangevers zoveel mogelijk geld en waardevolle goederen afhandig te maken. De aangevers, veelal ouderen, werden gebeld door iemand die zich voordeed als een bonafide medewerker van een bank of van de politie die meldde dat sprake was van een verdachte transactie op hun rekening, betaalpasfraude en/of onveiligheid in de buurt. Vervolgens werden de aangevers aangespoord om hun pinpas(sen), pincode(s), contant geld en/of kostbare goederen te verzamelen, waarna deze door een koerier aan de deur thuis werden opgehaald. Om vertrouwen te wekken werd in een aantal gevallen in het telefoongesprek ook een ophaalcode genoemd, die de koerier moest doorgeven aan de aangevers. Met de weggenomen pinpas(sen) werden daarna dure aankopen gedaan en geldopnames verricht door de pinner(s). De wijze waarop deze oplichting en diefstallen hebben plaatsgevonden, vereisen een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Het samenwerkingsverband bestond ten aanzien van de ten laste gelegde feiten uit tenminste vijf personen: een beller, de koerier die aan de deur komt, een chauffeur en in veel gevallen twee pinners. De rol van de beller was om de aangevers te overrompelen en zo bang te maken met een verhaal over een verdachte transactie, betaalpasfraude en/of onveiligheid in de buurt, dat zij ertoe overgaan hun pincode te verstrekken en bereid zijn hun pinpas(sen) en andere kostbare goederen af te geven aan een koerier. De rol van de koerier was het, al dan niet tezamen met een ander, ophalen van de pinpas(sen), pincode(s) en eventuele andere kostbare goederen bij de aangevers aan de deur. De koerier vormde daarmee de schakel tussen het telefonisch misleiden van de aangevers en het daadwerkelijk veiligstellen van de buit. De rol van de pinner(s) was het met de afhandig gemaakte pinpas(sen) en pincode(s) opnemen van geld en/of doen van dure aankopen, veelal kort na de afgifte daarvan aan de koerier. Daarmee werd de volledige buit uiteindelijk verzilverd. 3.3.3. Medeplegen oplichting (zaak A feit 2, zaak B feit 1 en zaak C feit 1) Met de onder 3.3.2 geschetste modus operandi is naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 2 in zaak A, onder 1 in zaak B en onder 1 in zaak C ten laste gelegde feiten sprake van medeplegen van het aannemen van een valse naam en hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsel, waardoor slachtoffers werden bewogen tot afgifte van hun pinpassen, pincodes, contant geld en/of kostbare goederen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 3.3.3.1. Medeplegen Aan verdachte is onder 2 in zaak A, onder 1 in zaak B en onder 1 in zaak C medeplegen van oplichting tenlastegelegd. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte de oplichtingshandelingen zoals in de tenlastelegging zijn opgenomen, zelf heeft verricht. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte als medepleger van de oplichtingen kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict moet van voldoende gewicht zijn. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Verdachte is in onderstaande zaken eenmaal of meermalen op camerabeelden herkend als de pinner of (kort) voor- of na de betreffende pintransactie op een camera nabij een andere pintransactie met de pinpas van hetzelfde slachtoffer. Daarbij is veelal (zeer) kort nadat de pinpassen afhandig zijn gemaakt meermaals geld gepind of zijn meerdere (pogingen tot) transacties verricht. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij, waar de politie hem op camerabeelden heeft herkend als pinner, op enkele transacties na, ook daadwerkelijk de pinner was. Verdachte is niet bij alle transacties van voornoemde slachtoffers herkend als de pinner. Van een deel van de transacties zijn geen camerabeelden beschikbaar, of verdachte wordt niet herkend op de wel aanwezige camerabeelden, al dan niet doordat het gezicht werd afgeschermd. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte op camerabeelden is herkend als aanwezige bij een pintransactie in zaak C, ten aanzien van slachtoffer [benadeelde partij 13] . Het ging om een pinbetaling van € 13.500,- voldaan aan juwelier [naam juwelier] . De rechtbank stelt daarnaast in zaak B vast dat met de pinpas van [benadeelde partij 11] een bedrag van € 16.400,- is afgerekend bij [naam juwelier] . Bij het voldoen van deze transactie is ter identificatie een kopie gemaakt van het rijbewijs van verdachte. Daarnaast is met dezelfde pinpas € 254,17 betaald aan diverse winkels en € 1.600,- gepind. Van al deze transacties zijn geen camerabeelden beschikbaar. De rechtbank is van oordeel dat bij de uitvoering van de oplichtingen in alle zaken sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende daders. De wijze waarop deze oplichtingen (zie nader 3.3.4) hebben plaatsgevonden, vereisen een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Zij verrichten namelijk handelingen die tegelijkertijd of kort na elkaar plaatsvinden en die secuur moeten worden afgestemd om de bankhelpdeskfraude tot een geslaagd einde te kunnen brengen en het gezamenlijke doel te bereiken: in korte tijd een zo groot mogelijke buit binnenhalen, waaronder geld en andere kostbare goederen. Deze handelingen kunnen niet los van elkaar worden gezien, zoals ook volgt uit de (onder 3.3.2) beschreven modus operandi. De rol die verdachte meermaals heeft vervuld – die van de pinner – is daarbij van essentieel belang. Hij vormt de sluitende schakel waarmee de buit, of het grootste deel daarvan, wordt veiliggesteld. Gelet op onder meer het korte tijdsbestek tussen het afhandig maken van de pinpassen en -codes en het pinnen, vaak op een locatie in de buurt van de slachtoffers, was nauwe afstemming noodzakelijk. Nu verdachte heeft bekend dat hij in het merendeel van de zaken (meermaals) heeft gepind (namelijk in de gevallen waarin hij op camera is herkend), vaststaat dat de aangevers tijdens of kort voor het pinnen aan de telefoon zijn gehouden en ook te zien is dat verdachte vrijwel bij iedere pintransactie met zijn telefoon bezig is, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte in al die zaken nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer andere betrokkenen bij de oplichtingen. Verdachte heeft in zijn rol als pinner tenminste één van de drie voor de oplichting vereiste handelingen – bellen, ophalen en pinnen – verricht. Daarmee leverde hij een wezenlijke en essentiële bijdrage aan het geheel. De rechtbank acht deze rol van verdachte in het gezamenlijk buit maken van een zo groot mogelijke opbrengst ten koste van de slachtoffers telkens van een zodanig gewicht dat dit medeplegen van alle ten laste gelegde oplichtingen oplevert. Het voorgaande geldt ook voor de oplichtingen van slachtoffers waarin de verdachte niet bij iedere transactie als de pinner is herkend op camerabeelden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte steeds kort voor of na die transactie wél is herkend als de pinner met dezelfde buitgemaakte pinpas. De rechtbank leidt uit de gehanteerde werkwijze, waarin in een zeer kort tijdsbestek een zo groot mogelijke buit werd veiliggesteld, af dat verdachte in voornoemde gevallen ofwel de pinner was dan wel dat hij de pinpas aan een andere bij de oplichting betrokkene heeft overhandigd, zodat die ander een pintransactie kon uitvoeren. In beide scenario’s heeft verdachte een wezenlijke en essentiële bijdrage aan de oplichtingen geleverd. Verdachte valt dus ook in die gevallen als medepleger aan te merken. De rechtbank merkt verdachte ook ten aanzien van de transactie met de pinpas van [benadeelde partij 13] bij de juwelier [naam juwelier] als medepleger aan. Uit camerabeelden blijkt dat met de pinpas van [benadeelde partij 13] door een ander dan verdachte wordt gepind. Verdachte komt wel samen met deze ander de winkel binnen zonder ketting om zijn nek, is druk bezig op zijn telefoon in de winkel, kijkt mee bij het uitzoeken van de sieraden, is aanwezig bij de pintransactie en verlaat de winkel mét een ketting om zijn nek. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zichtbaar en actief betrokken is bij de aankoop en bijhorende transactie. Dat niet verdachte zelf, maar een ander heeft afgerekend, maakt dit niet anders. De door verdachte gegeven verklaring dat hij de ketting van de pinner – een kennis van hem – cadeau heeft gekregen, acht de rechtbank, in het licht van de omschreven modus operandi en vastgestelde rolverdeling, niet geloofwaardig. Tot slot kwalificeert de rechtbank verdachte ook als medepleger van oplichting van [benadeelde partij 11] . Bij de transactie van € 16.400,- met de pinpas van [benadeelde partij 11] bij [naam juwelier] is ter identificatie een kopie van het rijbewijs van verdachte gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat een dergelijke kopie alleen wordt gemaakt als het rijbewijs overeenkomt met de persoon die de transactie verricht. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte deze transactie zelf heeft uitgevoerd. De verklaring van verdachte, dat hij zijn rijbewijs had uitgeleend, acht de rechtbank, in het licht van de omschreven modus operandi, ongeloofwaardig. Gelet op het voorgaande, gaat de rechtbank er ook van uit dat verdachte op enige wijze betrokken was bij de (kort) daarop gevolgde overige transacties met de pinpas van [benadeelde partij 11] . 3.3.3.2. Opzet De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – hier: de afgifte van pinpassen, bijbehorende pincodes, contant geld en andere kostbare goederen – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Van vol opzet is sprake als verdachte willens en wetens heeft gehandeld, dat wil zeggen dat de verdacht in dit geval heeft gehandeld met de bedoeling de slachtoffers op te lichten. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde niet wist dat sprake was van oplichting. Hij zou meermaals via sociale media zijn benaderd met de vraag of hij geld wilde pinnen. Op zijn vragen over het pinnen aan de opdrachtgevers kreeg hij geen antwoord. De raadsman heeft vrijspraak bepleit op grond van het ontbreken van het opzet, omdat verdachte geen wetenschap had van de oplichtingspraktijken. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte wist dat hij telkens geld pinde met passen die op naam van een ander stonden. Op de terechtzitting heeft verdacht verklaard dat hij als pinner betrokken was en te hebben geweten dat er iets niet klopte. Uit de vervolgens door verdachte verrichte transacties komt naar voren dat deze waren gericht op het in korte tijd veiligstellen van een zo groot mogelijke buit. Zo heeft verdachte meermaals grote sommen contant geld opgenomen bij pinautomaten en voor grote geldbedragen gouden sieraden bij juweliers afgerekend. Zoals uitgebreid omschreven onder 3.3.2, gebeurde dit steeds kort nadat de pinpassen waren opgehaald bij mensen aan de deur én in de buurt van die ophaallocatie. De oplichting was echter niet alleen gericht op de (door de pinner) te incasseren pinopbrengsten, maar ook op het (door de ophaler) buit maken van contant geld en waardevolle goederen bij afgifte aan de deur. Het kennelijke doel om de opbrengst van de oplichting zo groot mogelijk te laten zijn, volgt onder meer uit de wijze waarop verdachte werd ingezet voor het (herhaaldelijk) pinnen van grote geldbedragen en aanschaffen van zeer kostbare sieraden. Gelet hierop kan het naar het oordeel van de rechtbank, ook met inachtneming van de persoon van de verdachte, niet anders zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat de slachtoffers werden opgelicht. Dit (voorwaardelijk) opzet ziet op zowel de afgifte van pinpassen, pincodes, contanten, en waardevolle goederen (zoals sieraden) aan de deur als op de met de afgegeven pinpassen te incasseren (nadere) buit. De rechtbank acht de andersluidende verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Uit het dossier volgt daarnaast dat verdachte onder meer op 2 oktober 2025 door de politie is verhoord in het kader van een deel van de ten laste gelegde feiten. Daarin is uitgebreid aan verdachte voorgehouden dat hij meermaals is herkend als pinner in verschillende helpdeskfraudezaken. Ook zijn de aangiftes van verschillende slachtoffers in deze verhoren voorgehouden. Daarbij is onder meer aangegeven dat de door hem gebruikte pinpassen afkomstig zijn van oplichting en is de handelswijze – zoals dat en op welke manier de slachtoffers werden benaderd en, kort voor het pinnen door verdachte, hun pinpassen, pincodes, contant geld en waardevolle spullen hadden afgegeven – uitgebreid besproken. In de verhoren staat bovendien dat verdachte (nog) eerder al in vergelijkbare fraudezaken is verhoord. De in onderhavige zaken ten laste gelegde periode loopt tot en met 11 februari 2026. De rechtbank stelt vast dat verdachte vanaf het moment van het verhoor van 2 oktober 2025 wel degelijk wetenschap had van de oplichtingspraktijken als geheel en wat zijn rol binnen die fraudeketen was. Desondanks is verdachte nog ruim 4 maanden doorgegaan met zijn rol als pinner. Gelet op het voorgaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank opzet gehad op de oplichting met als doel het bewegen van een ander tot afgifte van goederen. Voor de periode van 7 april 2025 tot 1 oktober 2025 gaat het volgens de rechtbank minstgenomen om voorwaardelijk opzet. Voor de periode van 2 oktober 2025 (de datum van het eerste verhoor dat uit het strafdossier blijkt) tot en met 11 februari 2026 neemt de rechtbank vol opzet aan. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 3.3.4. Medeplegen diefstal met valse sleutel (zaak A feit 3 en zaak C feit 2) Mede gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van medeplegen van diefstal met gebruikmaking van een valse sleutel. Zij licht dat als volgt toe. De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen onder meer vastgesteld dat verdachte pinpassen en bijbehorende pincodes, die kort daarvoor afhandig waren gemaakt, gebruikte om geldbedragen op te nemen en grote aankopen te doen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij bij verschillende transacties waar de politie hem op camerabeelden heeft herkend, de pinner is geweest en daaruit geld heeft verkregen. Ten aanzien van deze transacties staat daarmee vast dat verdachte zichzelf (een deel van) de buit heeft laten toekomen. Dat dit medeplegen van diefstal met gebruikmaking van een valse sleutel oplevert behoeft, gelet op de bekennende verklaring, geen nadere toelichting. Ten aanzien van de transacties met de buitgemaakte pinpassen van de slachtoffers waarover verdachte stelt niet de pinner te zijn, geldt het volgende. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in al die gevallen ten minste eenmaal op camerabeelden is herkend als de pinner bij een of meerdere andere transacties dan wel nabij een andere pintransactie(s) met de gebruikte pinpas is geweest. De rechtbank leidt uit de hiervoor beschreven werkwijze af dat verdachte in deze gevallen ofwel zelf de pinner was, dan wel de pinpas heeft overgedragen aan een ander om een of meerdere transacties te verrichtten. In beide gevallen heeft verdachte een wezenlijke en essentiële bijdrage geleverd aan het wegnemen van geldbedragen die aan de slachtoffers toebehoorden. Gelet hierop wordt ook in die (overige) gevallen medeplegen van diefstal met gebruikmaking van een valse sleutel aangenomen. 3.3.5. ( Poging tot) diefstal met valse sleutel (zaak B, feit 2, 3 en 4) De rechtbank is van oordeel dat de feiten tenlastegelegd onder 2 en 3 in zaak B hebben te gelden als plegen van poging diefstal door middel van een valse sleutel. Het feit zoals tenlastegelegd onder 4 in zaak B betreft daarnaast het plegen van een poging diefstal door middel van een valse sleutel. De rechtbank licht dit als volgt toe. Ten aanzien van het onder 2 in zaak B ten laste gelegde feit geldt dat verdachte op camerabeelden door de politie is herkend als de pinner bij een geldmaat van een bedrag van in totaal € 2.000,- met de pinpas van [benadeelde partij 10] . Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd dat hij zichzelf hier als de pinner heeft herkend. Ten aanzien van het onder 3 in zaak B ten laste gelegde feit heeft de rechtbank hiervoor al vastgesteld dat verdachte de transactie van € 16.400,- met de pinpas van [benadeelde partij 11] bij [naam juwelier] heeft uitgevoerd. Verdachte heeft in beide gevallen dus de pinpassen en bijbehorende pincodes gebruikt om geldbedragen op te nemen en transacties te verrichten. Daarmee heeft hij de geldbedragen die aan de slachtoffers toebehoorden onder zijn bereik gebracht met als doel wederrechtelijke toe-eigening. Dit maakt dat sprake is van diefstal met gebruikmaking van een valse sleutel. Voor zover het gaat om feit 4 in zaak B is de rechtbank van oordeel dat verdachte een begin heeft gemaakt met de uitvoering van een diefstal met valse sleutel, maar dat de voltooiing daarvan is uitgebleven. Dit volgt uit camerabeelden van de Bijenkorf in Amsterdam waarop verdachte door de politie is herkend als pinner van een niet geslaagde pintransactie en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting dat hij zichzelf op die beelden als de pinner herkend. 4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Zaak A Ten aanzien van feit 2: in de periode van 7 april 2025 tot en met 11 februari 2026 te Amstelveen, Zoetermeer, ’s-Gravenhage, Alphen aan de Rijn, Amsterdam en Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde partij 2] , - [benadeelde partij 3] , - [benadeelde partij 4] , - [benadeelde partij 5] , - [benadeelde partij 6] , - [benadeelde partij 7] , - [benadeelde partij 8] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een of meerdere geldbedragen, telefoons, iPad, sieraden, juwelen, bankpassen, bijbehorende pincodes, identifiers, inloggegevens en/of bankgegevens door - telefonisch contact op te (laten) nemen met voornoemde slachtoffers, daarbij gebruikmakend van medeverdachtes valse hoedanigheid van een medewerker (van de fraudehelpdesk) van een bank of de politie, - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er onderzoek wordt gedaan in verband met de veiligheid en/of dat een of meerdere bankpassen en/of rekeningen worden geblokkeerd en/of dat er een geldbedrag van de rekening is en/of zou worden afgeschreven, - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er criminelen in de buurt van de woning van het slachtoffer actief zijn en/of criminelen zijn aangehouden en/of dat waardevolle goederen gecontroleerd moeten worden, - voornoemde slachtoffers vervolgens te vragen om de bijbehorende pincode(s) telefonisch door te geven, - voornoemde slachtoffers een zogenaamde ophaalcode ( [code] en/of [code] ) te geven, waardoor voornoemde slachtoffers de indruk kregen dat het een bonafide medewerker van de bank betrof, - voornoemde slachtoffers op te dragen zijn of haar bankpas(sen), identifier(s), inloggegevens, sieraden en/of juwelen te verzamelen en/of klaar te leggen (in (een) enveloppe(n) en/of een doos) om mee te geven aan de ophaler, - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of de bankpas(sen), bijhorende pincode(s), telefoon(s), iPad, identifier(s), inloggegevens en/of sieraden en/of juwelen in ontvangst te (laten) nemen; Ten aanzien van feit 3: in de periode van 7 april 2025 tot en met 11 februari 2026 te Almere, Alphen aan de Rijn, Amsterdam, Haarlem en Steenderen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan - [benadeelde partij 2] , - [benadeelde partij 3] , - [benadeelde partij 4] , - [benadeelde partij 5] , - [benadeelde partij 6] , - [benadeelde partij 7] , - [benadeelde partij 8] , toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door eenmaal of meermalen gebruik te maken van een bankpas(sen) en bijhorende pincode(s) van voornoemde slachtoffers; Zaak B Ten aanzien van feit 1: in de periode van 23 september 2025 tot en met 10 november 2025 te Amsterdam, Tilburg en Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde partij 9] , - [benadeelde partij 10] , - [benadeelde partij 11] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een of meerdere geldbedragen, telefoons, bankpassen, bijbehorende pincodes, identifiers, inloggegevens en/of bankgegevens door - telefonisch contact op te (laten) nemen met voornoemde slachtoffers, daarbij gebruikmakend van medeverdachtes valse hoedanigheid van een medewerker (van de fraudehelpdesk) van een bank of de politie, - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er onderzoek wordt gedaan in verband met de veiligheid en/of dat een of meerdere bankpassen en/of rekeningen worden geblokkeerd en/of dat er een geldbedrag van de rekening is en/of zou worden afgeschreven, - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er criminelen in de buurt van de woning van het slachtoffer actief zijn en/of criminelen zijn aangehouden en/of dat waardevolle goederen gecontroleerd moeten worden, - voornoemde slachtoffers vervolgens te vragen om de bijbehorende pincode(s) telefonisch door te geven, - voornoemde slachtoffers een zogenaamde ophaalcode te geven, waardoor voornoemde slachtoffers de indruk kregen dat het een bonafide medewerker van de bank betrof, - voornoemde slachtoffers op te dragen zijn of haar bankpas(sen), identifier(s) en/of inloggegevens, te verzamelen en/of klaar te leggen (in (een) enveloppe(n) en/of een doos) om mee te geven aan de ophaler, - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of de bankpas(sen), bijhorende pincode(s), telefoon(s), iPad, identifier(s) en/of inloggegevens in ontvangst te (laten) nemen; Zaak B Ten aanzien van feit 2: op 10 november 2025 te Tilburg een geldbedrag van (in totaal) 2000,- euro, dat geheel of ten dele aan [benadeelde partij 10] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een of meermalen onbevoegd gebruik te maken van een bankpas en bijhorende pincode toebehorende aan die [benadeelde partij 10] ; Ten aanzien van feit 3: op 29 september 2025 te Amsterdam een geldbedrag van 16.370,- euro dat geheel of ten dele aan [benadeelde partij 11] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een of meermalen onbevoegd gebruik te maken van een bankpas en bijhorende pincodes toebehorende aan die [benadeelde partij 11] ; Ten aanzien van feit 4: op 23 september 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere geldbedragen die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 9] en/of [benadeelde partij 12] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, heeft onbevoegd getracht te pinnen met een bankpas en/of (bijbehorende) pincode toebehorende aan die [benadeelde partij 9] en/of die [benadeelde partij 12] , immers heeft verdachte de bankpas in de betaalautomaat gestoken en een pincode ingevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Zaak C Ten aanzien van feit 1: in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 10 november 2025 te Amstelveen, Hilversum, Den Helder, Amsterdam, ’s-Gravenhage, Nijkerk, Nijmegen en Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [benadeelde partij 13] , - [benadeelde partij 14] , - [benadeelde partij 15] , - [benadeelde partij 16] , - [benadeelde partij 17] , - [benadeelde partij 18] , - [benadeelde partij 19] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten meerdere geldbedragen, iPad, sieraden, juwelen, bankpassen, bijbehorende pincodes, identifiers, inlogkastjes, inloggegevens en/of bankgegevens door - telefonisch contact op te (laten) nemen met voornoemde slachtoffers, daarbij gebruikmakend van medeverdachtes valse hoedanigheid van een medewerker (van de fraudehelpdesk) van een bank of de politie, - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er onderzoek wordt gedaan in verband met de veiligheid en/of dat een of meerdere bankpassen en/of rekeningen worden geblokkeerd en/of dat er een geldbedrag van de rekening is en/of zou worden afgeschreven, - voornoemde slachtoffers te vertellen dat er criminelen in de buurt van de woning van het slachtoffer actief zijn en/of criminelen zijn aangehouden en/of dat waardevolle goederen gecontroleerd moeten worden, - voornoemde slachtoffers vervolgens te vragen om de bijbehorende pincode(s) telefonisch door te geven, - voornoemde slachtoffers een zogenaamde ophaalcode ( [code] , [code] en/of [code] ) te geven, waardoor voornoemde slachtoffers de indruk kregen dat het een bonafide medewerker van de bank betrof, - voornoemde slachtoffers op te dragen zijn of haar bankpas(sen), identifier(s), inlogkastje(s), sieraden en/of juwelen te verzamelen en/of klaar te leggen (in (een) enveloppe(n)) om mee te geven aan de ophaler, - aan te (laten) bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en/of bankpas(sen), bijhorende pincode(s), iPad, inlogkastje(s), identifier(s), sieraden en/of juwelen in ontvangst te (laten) nemen; Ten aanzien van feit 2: in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 12 november 2025 te Rotterdam, Den Helder, Amsterdam, ’s-Gravenhage en Nijkerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een of meerdere geldbedragen die geheel of ten dele aan - [benadeelde partij 13] , - [benadeelde partij 14] , - [benadeelde partij 15] , - [benadeelde partij 16] , - [benadeelde partij 17] , - [benadeelde partij 18] , - [benadeelde partij 19] , toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door eenmaal of meermalen gebruik te maken van een bankpas en bijhorende pincode(s) van voornoemde slachtoffers; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1. De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 5.2. De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 6 Motivering van de straffen en maatregelen 6.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 28 augustus 2026. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, bij een bewezenverklaring, een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf passend zou zijn. 6.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Aard en ernst feiten Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tien maanden veelvuldig schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en het medeplegen en plegen van (poging) diefstal. Door middel van bankhelpdeskfraude hebben verdachte en zijn mededaders op geraffineerde wijze de pinpassen, pincodes en in sommige gevallen ook contanten en/of sieraden van de slachtoffers bemachtigd. De slachtoffers zijn hiertoe telkens telefonisch benaderd waarbij zij spraken met een persoon die zich voordeed als medewerker van een bank of van de politie. Verdachte is weliswaar niet degene geweest die de slachtoffers heeft gebeld of goederen aan de deur heeft opgehaald, maar heeft wel veelvuldig geld gepind met de door zijn mededaders buitgemaakte pinpassen. Bovendien had de verdachte wetenschap van alle andere oplichtingshandelingen, in ieder geval nadat hij op 2 oktober 2025 door de politie is verhoord. Bankhelpdeskfraude is een ernstige vorm van georganiseerde oplichting die, naast financiële schade, ook gevoelens van angst, onveiligheid, schaamte en wantrouwen teweegbrengt bij slachtoffers. Door zich voor te doen als een bonafide partij en zo het vertrouwen van slachtoffers te winnen, hebben verdachte en zijn mededaders misbruik gemaakt van de onzekerheid en het vertrouwen van de slachtoffers. Een groot deel van de slachtoffers was bovendien op hoge leeftijd, wat hun kwetsbaarheid en afhankelijkheid vergrootte. Verdachte heeft met zijn handelen uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Daar komt bij dat verdachte een groot deel van de feiten in vereniging heeft gepleegd en dat het gaat om een groot aantal slachtoffers, die bij elkaar voor vele duizenden euro’s zijn opgelicht. Ook zijn bij een aantal slachtoffers sieraden weggenomen met een voor hen sentimentele waarde. De rechtbank weegt het voorgaande in strafverzwarende zin mee. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 1 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 28 augustus 2026. Hieruit blijkt samengevat het volgende. Bij verdachte is sprake van een gemiddeld recidiverisico. Zijn delictverleden, dagbesteding, financiën, sociale netwerk en psychosociaal functioneren worden door de reclassering als voornaamste risicofactoren genoemd. Verder is sprake van instabiliteit op het gebied van huisvesting en houding. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de mededader, zich inspannen voor het vinden van dagbesteding en openheid geven over zijn financiën en meewerken aan aflossing van schulden. Straf De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, het gegeven dat zij verdachte vrijspreekt van het onder 1 in zaak A tenlastegelegde en gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden. Gelet op het gegeven dat verdachte eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld, zal de rechtbank daarbij een proeftijd van drie jaar opleggen. Aan de proeftijd zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals is geadviseerd door de reclassering. 7 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 7.1. [benadeelde partij 3] De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 774,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente . 7.1.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering tot een bedrag van € 500,- toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft gevorderd om de overige kosten van de schoonzoon af te wijzen omdat het niet gaat om schade van de benadeelde partij. 7.1.2. Stanpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht de schade sterk te matigen omdat verdachte niet over het volledige bedrag heeft beschikt en enkel een geringe vergoeding heeft ontvangen. De verdediging heeft de kosten van de schoonzoon betwist omdat deze niet door [benadeelde partij 3] zelf zijn gemaakt en een voldoende rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit ontbreekt. 7.1.3. Oordeel van de rechtbank Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voor het gepinde bedrag van € 500,- geldt dat dit voldoende is onderbouwd, gelet op de pinafschrijving in het dossier, en de vordering niet gemotiveerd is betwist. Dit deel van de vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. De rechtbank stelt vast dat de overige kosten die worden gevorderd zien op de kosten van de schoonzoon van [benadeelde partij 3] omdat hij vrij heeft genomen om praktische zaken te regelen en reiskosten heeft gemaakt. Dit betekent dat de opgevoerde € 274,- geen schade is die benadeelde partij zelf heeft geleden. Artikel 51f Sv biedt geen grondslag voor de vergoeding van dergelijke kosten., omdat het vereiste rechtstreekse verband met het bewezen verklaarde feit ontbreekt. De vordering zal daarom voor het overige worden afgewezen. De verdachte dient verder te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, ook de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Omdat verdachte het bewezenverklaarde tezamen en vereniging met één of meer personen heeft gepleegd, is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. 7.2. [benadeelde partij 4] De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 139.729,04 aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 1,750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 7.2.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat dit, gelet op de complexiteit van de vordering, de strafzaak onevenredig zal belasten. De verdediging heeft de rechtbank subsidiair verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren vanwege vergoede schade door de bank. Daarnaast heeft de verdediging de rechtbank verzocht om bij een veroordeling de schadevergoeding sterk te matigen, omdat cliënt nimmer goederen en contant geld heeft aangenomen of in zijn bezit heeft gehad. 7.2.3. Oordeel van de rechtbank Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht, onder meer doordat door mededaders geld en sieraden van haar zijn weggenomen aan de deur. De rechtbank gaat hieronder achtereenvolgens in op het deel van de vordering van [benadeelde partij 4] dat ziet op de waarde van de sieraden, getaxeerd op een bedrag van € 138.879,04, en het contante geldbedrag van € 850,-. Het is over het algemeen lastig om de waarde van weggenomen goederen die al heel lang in iemands bezit zijn, zoals vaak het geval bij sieraden, te onderbouwen. In deze zaak is echter een taxatierapport van november 2015 van de weggenomen sieraden overgelegd. Hieruit blijkt dat het gaat om gouden sieraden met destijds een totale waarde van € 65.354,85. Een berekening gebaseerd op de stijging van de goudprijs tussen november 2015 en mei 2025 van 250%, vermenigvuldigd met 0,75 gelet op de onduidelijkheid over de goudkwaliteit van de sieraden, leidt tot het gevorderde bedrag van € 138.879,04. Met de gegeven berekening is de waarde van de weggenomen goederen naar het oordeel van de rechtbank, voor zover dat mogelijk is, goed en naar behoren onderbouwd. De waardes van de weggenomen sieraden zijn niet gemotiveerd betwist en komen de rechtbank daarnaast niet onredelijk of bovenmatig voor. De rechtbank zal daarom, gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid, de waarde schatten op het gevorderde bedrag, zijnde € 138.879,04. Dit bedrag wordt toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op het contante geldbedrag van € 850,- is met de aangifte en het overgelegde bankafschrift voldoende onderbouwd en niet gemotiveerd betwist. Beide bovenstaande bedragen zijn anders dan de verdediging heeft gesteld niet (gedeeltelijk) door een bank of verzekeraar vergoed. De vordering tot vergoeding van de materiële schade zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij stelt na het bewezen verklaarde feit erg overstuur, emotioneel en gestrest te zijn geweest en gedurende lange tijd moeite te hebben gehad met slapen. Benadeelde partij heeft last van gevoelens van frustratie, angst, schaamte en schuldgevoel. Daarnaast ervaart benadeelde partij verdriet van het feit dat sieraden van vier generaties van haar zijn afgenomen. Benadeelde partij heeft een deel van haar medisch dossier overgelegd, waaruit volgt welke klachten zij kort na het voorval heeft ervaren en dat (slaap)medicatie is voorgeschreven. Hiermee heeft de benadeelde een beroep gedaan op vergoeding van haar psychische schade. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van psychische schade moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Enkel psychisch onbehagen is geen psychische schade als bedoeld in de wet. De benadeelde partij heeft geen stukken (van bijvoorbeeld een psycholoog) bijgevoegd ter onderbouwing van de door haar gestelde immateriële schade. Het medisch dossier waaruit haar verhaal blijkt en dat laat zien dat slaapmedicatie is voorgeschreven, is hiervoor onvoldoende. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen de vordering nader te ondernemen levert immers een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijke rechter. De verdachte dient verder te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, ook de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Omdat verdachte het bewezenverklaarde tezamen en vereniging met één of meer personen heeft gepleegd, is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. 7.3. [benadeelde partij 11] De benadeelde partij [benadeelde partij 11] vordert € 1000,- aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 7.3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering in zijn geheel af te wijzen, omdat de onderbouwing daarvan ontbreekt. 7.3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het gevoerde verweer tot vrijspraak. De verdediging heeft de rechtbank subsidiair verzocht om de vordering sterk te matigen omdat verdachte niet over het volledige bedrag heeft beschikt. De verdediging heeft verder om niet-ontvankelijkheid van de vordering tot immateriële schadevergoeding verzocht omdat de schade onvoldoende is onderbouwd. 7.3.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding van € 1000,- afwijzen. Het gevorderde bedrag aan schade betreft het geld dat benadeelde partij van een kennis geleend om huur en boodschappen te betalen, omdat haar rekening was leeggehaald. Een lening levert echter geen vermogensschade op ter hoogte van het bedrag van het geleende bedrag, omdat dit bedrag is ontvangen en later moet worden terugbetaald en dus per saldo geen blijvende vermogensvermindering veroorzaakt. Hooguit kan sprake zijn van materiële schade in de zin van (wettelijke) rentekosten die verband houden met de lening, maar die zijn niet gevorderd en ook niet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat geld moest worden geleend, is daarom onvoldoende om materiële schade aan te nemen. De vordering zal in zoverre worden afgewezen. De benadeelde partij zal in de vordering tot immateriële schadevergoeding van € 500,- niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij stelt na het bewezen verklaarde feit meer psychische en lichamelijke klachten te hebben ervaren. Zij zag zich geconfronteerd met gevoelens van onveiligheid, stress, wantrouwen en slapeloosheid. Daarnaast durfde benadeelde partij minder naar buiten en had zij meer ggz ondersteuning en medicatie nodig. Hiermee heeft de benadeelde een beroep gedaan op vergoeding van haar psychische schade. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van psychische schade moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Enkel psychisch onbehagen is geen psychische schade als bedoeld in de wet. De benadeelde partij heeft geen stukken (van bijvoorbeeld een psycholoog) bijgevoegd ter onderbouwing van de door haar gestelde immateriële schade. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te ondernemen levert immers een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijke rechter. 7.4. [benadeelde partij 13] De benadeelde partij [benadeelde partij 13] vordert € 18.000,- aan vergoeding van materiële schade en een onbepaald bedrag aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 7.4.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen voor een bedrag van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie wijst erop dat de afschrijving van € 13.500,- in de juwelierszaak steun vindt in het dossier en dat uit de aangifte blijkt dat in ieder geval € 4.000,- aan contant geld is weggenomen aan de deur. 7.4.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het gevoerde verweer tot vrijspraak. De verdediging heeft de rechtbank subsidiair verzocht om de vordering sterk te matigen omdat verdachte niet heeft gepind. 7.4.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding gedeeltelijk toewijzen. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en 2 in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit het dossier blijkt immers dat door verdachte en zijn mededaders met haar pinpas € 13.500,- is betaald aan juwelier [naam juwelier] en dat aan de deur contant geld is weggenomen. Uit de aangifte volgt dat het contante geldbedrag in ieder geval € 4.000,- bedroeg. De genoemde bedragen zijn voldoende onderbouwd en niet gemotiveerd betwist. Samen leidt dit tot een schadebedrag van € 17.500,-. Dat verdachte zelf niet heeft gepind bij de juwelier, maakt niet dat het vereiste rechtstreekse verband met het bewezen verklaarde feit ontbreekt. De vordering tot vergoeding van de materiële schade zal daarom tot een bedrag van € 17.500,- worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. De benadeelde partij zal in de vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij heeft gesteld immateriële schade te hebben geleden, maar hieraan geen concreet bedrag gekoppeld. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om de immateriële schade naar billijkheid te begroten. De benadeelde partij heeft daarover gesteld na het bewezen verklaarde feit last te hebben gehad van slapeloze nachten, het niet meer open doen voor onbekenden en het niet meer opnemen van de telefoon bij een onbekend nummer. Daarmee heeft zij een beroep gedaan op vergoeding van haar psychische schade. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van psychische schade moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Enkel psychisch onbehagen is geen psychische schade als bedoeld in de wet. De benadeelde partij heeft geen stukken (van bijvoorbeeld een psycholoog) bijgevoegd ter onderbouwing van de door haar gestelde immateriële schade. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te ondernemen levert immers een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijke rechter. De verdachte dient verder te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, ook de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Omdat verdachte het bewezenverklaarde tezamen en vereniging met één of meer personen heeft gepleegd, is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. 7.5. [benadeelde partij 14] De benadeelde partij [benadeelde partij 14] vordert € 53.769,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 7.5.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen voor een bedrag van € 53.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voornoemd bedrag ziet op de met de pinpas van [benadeelde partij 14] gepinde bedragen. De vordering dient volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover die ziet op de aanschaf van een nieuwe Ipad omdat de onderbouwing hiervan ontbreekt. 7.5.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering aanzienlijk te matigen omdat verdachte slechts tweemaal zou hebben gepind en voor de opgenomen bedragen slechts een geringe vergoeding te hebben ontvangen. Verdachte heeft volgens de verdediging niet over de volledige bedragen beschikt en deze bedragen zijn niet aan hem toebedeeld. 7.5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank merkt op dat een deel van de pintransacties waarvoor [benadeelde partij 14] een vordering heeft ingediend, is voldaan vanaf de zakelijke rekening van [naam B.V.] [benadeelde partij 14] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam B.V.] De rechtbank begrijpt de vordering van [benadeelde partij 14] zo dat deze gedeeltelijk in privé en gedeeltelijk namens haar B.V. is ingesteld. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding gedeeltelijk toewijzen. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit het dossier volgt dat verdachte (in ieder geval) driemaal heeft gepind, althans daarbij als medepleger betrokken was, voor een bedrag van respectievelijk € 48.000,-, € 5.000,- en € 500,-. Het gevorderde bedrag van € 53.400,- overstijgt de optelsom van deze bedragen (€ 53.500,-) niet en is daarom toewijsbaar. Dat verdachte voor zijn rol slechts een geringe vergoeding heeft ontvangen, neemt niet weg dat het vereiste rechtstreekse verband met het bewezen verklaarde feit bestaat. Uit het dossier volgt ook dat de Ipad van de benadeelde partij is weggenomen aan de deur Voor de vervanging daarvan heeft de benadeelde partij de nieuwprijs van € 369,- als materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat niet de nieuwprijs maar de vervangingswaarde van de oude Ipad voor vergoeding in aanmerking komt. Omdat onderbouwing van die waarde in het dossier ontbreekt, maar evident is dat een (werkende) Ipad nog van waarde is, stelt de rechtbank de waarde van de oude Ipad schattenderwijs vast op € 200,-. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 53.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De vordering zal voor overige worden afgewezen. De verdachte dient verder te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil. In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, ook de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Omdat verdachte het bewezenverklaarde tezamen en vereniging met één of meer personen heeft gepleegd, is hij hoofdelijk aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. 7.6. [benadeelde partij 18] De benadeelde partij [benadeelde partij 18] vordert € 23.225,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente . 7.6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de bank de schade al heeft vergoed. 7.6.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat de bank de schade al heeft vergoed. 7.6.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat uit de bij de brief gevoegde vordering van de benadeelde partij blijkt dat de schade al door ABN AMBRO is vergoed. De benadeelde partij heeft gelet hierop geen belang meer bij een beslissing op de vordering en zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 7.7. [benadeelde partij 17] en [benadeelde partij 9] De benadeelde partijen [benadeelde partij 17] en [benadeelde partij 9] hebben aangegeven een schadevergoeding in te willen dienen, maar er is geen vordering ontvangen en dus ook geen bedrag gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade niet is onderbouwd. Verdere behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 8 De toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder zaak A feit 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij . Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van zaak A feit 2, zaak B feit 1 en zaak C feit 1: telkens: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; Ten aanzien van zaak A feit 3 en zaak C feit 2: telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd; Ten aanzien van zaak B feit 2 en feit 3: telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; Ten aanzien van zaak B feit 4: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden: 1. Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12, 1091 GM te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. 2. Ambulante behandeling Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden en emotieregulatie. 3. Contactverbod Veroordeelde zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] . 4. Dagbesteding Veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van (on)betaald werk, met een vaste structuur. 5. Aflossen schulden Veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Daarbij zal veroordeelde inzicht geven in zijn financiën en schulden. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Wijst de vordering van [benadeelde partij 3] voor wat betreft het meer gevorderde af . Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil . Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] , aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een mededader aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 4] Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 138.879,04 (honderdachtendertigduizend achthonderdnegenenzeventig euro en vier cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Verklaart [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil . Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] , aan de Staat € 138.879,04 (honderdachtendertigduizend achthonderdnegenenzeventig euro en vier cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 11] Wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van de benadeelde partij af . Verklaart [benadeelde partij 11] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 13] Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Wijst de vordering van [benadeelde partij 13] voor wat betreft het meer gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding af . Verklaart [benadeelde partij 13] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 13] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil . Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 13] , aan de Staat € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 14] Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 53.600,- (drieënvijftigduizend zeshonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Wijst de vordering van [benadeelde partij 14] voor wat betreft het meer gevorderde af . Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 14] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil . Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 14] , aan de Staat € 53.600,- (drieënvijftigduizend zeshonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 258 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 18] Verklaart niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 17] Verklaart niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen. Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 9] Verklaart niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd en ieder de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Danel, voorzitter, mrs. R. van de Water en L.A.L. Wiersinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2026. Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 en ECLI:NL:HR:2016:2892 r.o. 2.3.1. en 2.4 en Hoge Raad 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955 r.o. 3.4.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354181 · 2026-09-24
