Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-09-2026 (200.359.414)
Het hof wijst de incidentele vordering (artikel 194 en 195 Rv en 3:15j BW) tot afgifte van facturen, administratie, overzichten, laboratoriumuitslagen van grondmonsters en gecombineerde opgaven gedeeltelijk toe.
Full text
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.359.414 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad 11217650 arrest in het incident van 15 september 2026 in de zaak van 1 [appellant1] ( [appellant1] ) die woont in [woonplaats1] 2. [appellant2] ( [appellant2] ) die woont in [woonplaats1] 3. [appellante3] ( [appellante3] ) die woont in [woonplaats2] hierna samen: [appellanten] advocaat: mr. W.M. Bijloo en 1 [geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] ) die woont in [woonplaats1] 2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] ) die woont in [woonplaats2] hierna samen: [geïntimeerden] advocaat: mr. B. Nijman 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (het hof) tegen het vonnis dat de pachtkamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, (de pachtkamer) op 7 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven inclusief incidentele vordering op grond van artikel 195 Rv van [appellanten] ; de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep en het incident tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] ; de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [appellanten] 1.2. Hierna heeft het hof arrest bepaald in het incident. 2 De kern van de zaak 2.1. [appellant1] en [appellant2] zijn de ouders van [appellante3] . [geïntimeerde1] en [appellante3] zijn getrouwd geweest onder het maken van huwelijkse voorwaarden. [appellant1] , [appellant2] , [appellante3] en [geïntimeerde1] zijn met ingang van 1 mei 2006 een maatschap aangegaan (de maatschap [maatschap1] ) ter uitoefening van het landbouwbedrijf (akkerbouwbedrijf en een varkenshouderijbedrijf) dat [appellant1] en [appellant2] tot die datum hebben geëxploiteerd. Zij hebben hun afspraken vastgelegd in een onderhandse akte, die is ondertekend op 21 januari 2007. [appellant1] en [appellant2] hebben in de maatschap [maatschap1] ingebracht het gebruik en genot van een perceel grond, uitmakende een afgebakend gedeelte van het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie [sectie] , nummer [nummer] groot ongeveer [nummer] ha, gelegen achter de woning van [appellant1] en [appellant2] (het perceel). In artikel 12 van de maatschapsovereenkomst is bepaald dat de vennoten die bij ontbinding de zaken van de maatschap voortzetten het recht hebben om de goederen, waarvan het gebruik en genot in de maatschap is ingebracht, te kopen. 2.2. De maatschap [maatschap1] is op 30 april 2010 ontbonden. [appellante3] en [geïntimeerde1] hebben vanaf 1 mei 2010 de exploitatie van het akkerbouwbedrijf voortgezet en [appellant1] en [appellant2] de exploitatie van het varkenshouderijbedrijf. [appellant1] en [appellant2] hebben op 21 september 2010 “ter uitvoering van de (…) uittreding- en bedrijfsopvolgingsafspraken” het perceel aan [appellante3] en [geïntimeerde1] overgedragen, aan ieder van hen voor de onverdeelde helft. Het perceel is in het kader van deze overname en overdracht geschat op een waarde in het economisch verkeer van € 1.900.000 (taxatierapport van M.W.G. van Arendonk, makelaar en taxateur, werkzaam bij Leyten & Van der Linde te Dronten). Onder de overname en overdracht vallen ook de aandelen Cosun. 2.3. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] exploiteren een melkveebedrijf in de vorm van een maatschap (Melkveebedrijf [melkveebedrijf] ). Tussen [appellante3] en [geïntimeerde1] bestaat een stille maatschap (de maatschap [maatschap2] ). Het perceel behoort tot de gemeenschap van de maatschap [maatschap2] en is in gebruik bij Melkveebedrijf [melkveebedrijf] . [appellante3] was door haar eigen baan in het onderwijs (vrijwel) niet betrokken bij de werkzaamheden op het perceel. 2.4. In 2021 is het huwelijk van [geïntimeerde1] en [appellante3] ontbonden door echtscheiding. Tussen [appellante3] en [geïntimeerde1] is de verdeling van het perceel in geschil; het is hun niet gelukt het daarover eens te worden. 2.5. [appellanten] hebben [geïntimeerden] gedagvaard voor de handelskamer van de rechtbank en in conventie rechtsvorderingen ingesteld. Het gaat om: vernietiging van de koop- en leveringsovereenkomst in de akte van 21 september 2010; een veroordeling van [geïntimeerde1] om aan [appellante3] betalingen te doen voor haar aandeel in (het exploitatieresultaat van) het perceel; als de overeenkomst tussen de maatschap [maatschap2] en Melkveebedrijf [melkveebedrijf] over het perceel schriftelijk als pachtovereenkomst wordt vastgelegd, deze pachtovereenkomst te ontbinden met veroordeling van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tot ontruiming van het perceel; een verdeling van het perceel tussen [appellante3] en [geïntimeerde1] vast te stellen. [geïntimeerden] hebben in reconventie schriftelijke vastlegging van een pachtovereenkomst tussen [appellante3] en [geïntimeerde1] enerzijds en Melkveebedrijf [melkveebedrijf] anderzijds ten aanzien van het perceel gevorderd. 2.6. Omdat de zaak op meer vorderingen ziet en één daarvan een pachtovereenkomst betreft, heeft de rechtbank in haar vonnis van 17 juli 2024 de zaak verwezen naar de bevoegde pachtkamer (artikel 1019l lid 2 en 1019k lid 2 Rv). 2.7. De pachtkamer heeft de maatschap [maatschap2] ontbonden en de verdeling van het perceel vastgesteld. De pachtkamer heeft een reguliere pachtovereenkomst voor het perceel vastgelegd tussen [appellante3] en [geïntimeerde1] als verpachters en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als pachters en vervolgens die pachtovereenkomst ontbonden. Ten slotte heeft de pachtkamer beslist dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] € 17.149,34 moeten betalen aan [appellant1] en [appellant2] . Alle andere vorderingen zijn afgewezen, onder compensatie van de proceskosten tussen partijen. 2.8. In de procedure bij de rechtbank voor verwijzing naar de pachtkamer hebben [appellanten] om de omvang van de uitkering door [geïntimeerde1] aan [appellante3] te begroten bij incidentele vordering (artikel 843a Rv) gevorderd om [geïntimeerde1] te veroordelen om binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis aan [appellante3] ter hand te stellen een afschrift van: alle facturen en verkoopnota’s die betrekking hebben op de producten geteeld op het perceel vanaf 2010 tot en met heden; de bankafschriften van de verkoopopbrengsten vanaf 2010 tot en met heden; alle jaarrekeningen vanaf 2010 tot en met heden. De rechtbank heeft deze incidentele vordering afgewezen (vonnis van 18 oktober 2023). 2.9. [appellanten] zijn het niet eens met het vonnis van de pachtkamer en hebben daartegen hoger beroep ingesteld. De bedoeling van hun hoger beroep is dat het hof de vorderingen in conventie alsnog toewijst. Omdat de rechtbank de incidentele vordering van [appellanten] heeft afgewezen, stellen [appellanten] in hoger beroep opnieuw een incidentele vordering in om (onder andere) afgifte van de bedrijfsgegevens van de maatschap [maatschap2] . Ze vorderen in dit incident dat het hof [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] gelast aan [appellante3] af te geven: alle facturen die betrekking hebben op de teelt en verkoop van gewassen op het perceel over de periode 2010 tot en met heden; de volledige administratie van de maatschap [maatschap2] over de periode 2010 tot en met heden; de overzichten van Cosun 2010 tot en met heden, waaruit het aantal ledenleveringsbewijzen (LLB’s) blijkt dat verband houdt met het perceel; de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters en de gecombineerde opgaven met betrekking tot het gemeenschappelijk eigendom van de afgelopen acht jaar. 2.10. Het hof zal [geïntimeerden] bevelen een afschrift van de volledige administratie van de maatschap [maatschap2] over de periode 2010 tot en met heden, de overzichten van Cosun vanaf 2010 tot en met heden, waaruit het aantal ledenleveringsbewijzen blijkt dat verband houdt met het perceel, en de gegevens uit de gecombineerde opgaven, voor zover die gegevens zien op het gebruik van het perceel van de afgelopen acht jaren, af te geven aan [appellante3] . De beslissing over de vordering tot afgifte van alle facturen die betrekking hebben op de teelt en verkoop van gewassen op het perceel over de periode 2010 tot en met heden zal het hof aanhouden. Het hof wijst de incidentele vordering voor het overige af en licht zijn oordeel hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Bevoegdheid pachtkamer hof 3.1. De pachtkamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft na verwijzing (rov. 2.6) niet alleen beslist op pachtzaken (artikel 1019j Rv; zaken die tot de bevoegdheid van de pachtkamer behoren), maar ook op andere vorderingen. Ook in hoger beroep gaat het niet alleen om die pachtzaken, maar ook over die andere vorderingen. De pachtkamer van het hof is bevoegd al deze vorderingen te behandelen en te beslissen. Het juridisch kader 3.2. De rechter kan op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. 3.3. Het recht op inzage, afschrift of uittreksel komt toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 lid 1 Rv). Degene die inzage, afschrift of uittreksel vordert, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Er hoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden verstrekt als sprake is van een verschoningsrecht of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 194 lid 2 Rv). Oordeel hof i. alle facturen die betrekking hebben op de teelt en verkoop van gewassen op het perceel over de periode 2010 tot en met heden 3.4. [appellanten] vragen afgifte van alle facturen die betrekking hebben op de teelt en verkoop van de gewassen op het perceel over de periode 2010 tot en met heden, zodat [appellante3] de omvang van haar uitkering op [geïntimeerde1] uit de maatschap [maatschap2] kan vaststellen. [appellanten] voeren aan dat [appellante3] niets weet over de exploitatieresultaten van het perceel. Met de facturen kan [appellante3] aantonen wat de daadwerkelijke exploitatieresultaten zijn geweest van het perceel en kan zij haar winstaandeel en kapitaalstand in de maatschap [maatschap2] vaststellen. [geïntimeerden] betwisten dat zij die stukken moeten afgeven, omdat een rechtsgrond daarvoor ontbreekt. Volgens [geïntimeerden] pachtte Melkveebedrijf [melkveebedrijf] het perceel van de maatschap [maatschap2] gedurende de periode dat [geïntimeerde1] en [appellante3] mede-eigenaren waren van het perceel. De maatschap [maatschap2] ontving geen vergoeding voor de teelt en verkoop van de gewassen op het perceel, maar een vaste vergoeding in de vorm van pacht. 3.5. Het hof begrijpt de stellingname van [geïntimeerden] dat de gevorderde facturen niet zien op een rechtsbetrekking waarbij [appellante3] partij is. [appellanten] menen dat [appellante3] een aanspraak kan maken op een uitkering uit de maatschap [maatschap2] . De gegevens waarvan afgifte wordt gevorderd, moeten dus zien op die specifieke rechtsbetrekking. Het hof kan nu niet beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan. In hun vierde grief richten [appellanten] zich tegen het oordeel van de pachtkamer dat de maatschap [maatschap2] het perceel heeft verpacht aan Melkveebedrijf [melkveebedrijf] . Gelet op de verwevenheid met de vierde grief in hoger beroep ligt het voor de hand dat de beoordeling van de incidentele vordering tot afgifte van de facturen in de hoofdzaak zelf wordt betrokken. Voor het geval in de hoofdzaak geen rechtsverhouding van pacht met de maatschap [maatschap2] kan worden aangenomen, zal de afgiftevordering met betrekking tot de facturen alsnog worden toegewezen. Het hof ziet geen noodzaak om in dit stadium vooruit te lopen op die beoordeling en nu al te beslissen over de vordering tot afgifte van de facturen. Omdat de zaak niet meebrengt dat op de afgiftevordering met betrekking tot de facturen eerst en vooraf moet worden beslist (artikel 209 Rv), zal het hof de beslissing daarover aanhouden. ii. de volledige administratie van de maatschap [maatschap2] over de periode 2010 tot en met heden 3.6. [appellanten] voeren aan dat [appellante3] recht heeft op afgifte van de volledige administratie van de maatschap [maatschap2] . Ondanks haar hoedanigheid als mede-eigenaar van het perceel en maat van de maatschap [maatschap2] , heeft [appellante3] nooit inzage gehad in de administratie van de maatschap [maatschap2] . Met de administratie kan [appellante3] haar winstaandeel en kapitaalstand in de maatschap [maatschap2] vaststellen, aldus [appellanten] Volgens [geïntimeerden] beschikt [appellante3] over alle gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van haar winstaandeel en kapitaalstand binnen de maatschap [maatschap2] . [appellante3] heeft namelijk de vergaderingen bijgewoond en de jaarrekeningen vastgesteld, ondertekend, ontvangen en gebruikt voor haar belastingaangiftes, aldus [geïntimeerden] 3.7. Het hof ziet geen aanleiding om vordering tot afgifte van de volledige administratie te baseren op artikel 194 Rv, omdat volgens de bijbehorende memorie van toelichting de volledige bedrijfsadministratie te weinig specifiek is en daarom niet als voldoende bepaald kan worden aangemerkt. Het hof overweegt dat deze afgiftevordering betrekking heeft op de openlegging van de administratie van een gemeenschap of vennootschap, die een deelgenoot respectievelijk vennoot kan vorderen (artikel 3:15j BW). Voor toewijzing van deze vordering is vereist dat [appellante3] een rechtstreeks en voldoende belang heeft. Het hof oordeelt dat [appellanten] voldoende hebben onderbouwd dat [appellante3] een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij openlegging van de volledige bedrijfsadministratie. Bij de beoordeling of [appellante3] aanspraak kan maken op een uitkering uit de maatschap [maatschap2] is het relevant om vast te kunnen stellen wat haar winstaandeel en kapitaalstand is binnen de maatschap [maatschap2] . [appellanten] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zonder de bedrijfsadministratie [appellante3] niet haar winstaandeel en kapitaalstand binnen de maatschap [maatschap2] kan vaststellen. Bovendien hebben [geïntimeerden] niet betwist dat zij over de bedrijfsadministratie beschikken en evenmin hebben zij toegelicht dat zich gewichtige redenen tegen de afgifte hiervan verzetten. Het hof zal deze vordering tot afgifte daarom toewijzen. iii. de overzichten van Cosun 2010 tot en met heden, waaruit het aantal ledenleveringsbewijzen (LLB’s) blijkt dat verband houdt met het perceel 3.8. [appellanten] hebben in de hoofdzaak gevorderd om [geïntimeerde1] te veroordelen aan [appellante3] de helft van de ledenleveringsbewijzen van Cosun met betrekking tot het perceel te leveren. Om deze vordering te kunnen onderbouwen, is het volgens [appellanten] noodzakelijk om vast te kunnen stellen op hoeveel ledenleveringsbewijzen [appellante3] aanspraak kan maken. In dat kader vorderen [appellanten] de afgifte van de overzichten van Cosun, waaruit het aantal ledenleveringsbewijzen blijkt dat verband houdt met het perceel. [geïntimeerden] voeren aan dat de vordering tot afgifte van de aandelen Cosun moet worden afgewezen, omdat de basis hiervoor ontbreekt. 3.9. Het hof oordeelt dat [appellanten] voldoende hebben onderbouwd dat [appellante3] belang heeft bij de afgifte van de overzichten van Cosun. De ledenleveringsbewijzen behoren immers tot de gemeenschap van de maatschap [maatschap2] (rov. 2.2), die na ontbinding van die maatschap voor verdeling vatbaar zijn. De ledenleveringsbewijzen geven het recht om een bepaalde hoeveelheid bieten te telen tegen een ledenprijs. Zonder toereikende ledenleveringsbewijzen is het telen van bieten niet toegelaten, althans geheel onaantrekkelijk. [appellanten] hebben gemotiveerd gesteld dat [appellante3] overzichten nodig heeft om haar vordering tot levering van de helft van de ledenleveringsbewijzen van Cosun die betrekking hebben op het perceel te kunnen onderbouwen. Overzichten van Cosun zijn eenvoudig af te geven en [geïntimeerden] hebben niet gesteld dat er gewichtige redenen zijn die zich verzetten tegen afgifte. Het hof zal deze vordering tot afgifte daarom toewijzen. iv. de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters en de gecombineerde opgaven met betrekking tot het gemeenschappelijk eigendom van de afgelopen acht jaar 3.10. Om vast te kunnen stellen welke gewassen [appellante3] de komende jaren op het perceel kan telen, willen [appellanten] dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters en de gecombineerde opgaven met betrekking tot het gemeenschappelijk eigendom overleggen. Hiervoor zijn de afgelopen acht jaar relevant, omdat [appellante3] bij het telen rekening moet houden met een termijn van acht jaar voor de noodzakelijke vruchtwisseling, aldus steeds [appellanten] Volgens [geïntimeerden] bestaat voor de afgifte van de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters en de gecombineerde opgaven geen basis. Daarnaast beschikken [geïntimeerden] alleen over de uitkomsten van de a.m. onderzoeken en de eenvoudige onderzoeken naar bemestingstoestand van het perceel, aldus [geïntimeerden] 3.11. Het hof wijst de vordering tot afgifte van de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters af. [appellanten] hebben onvoldoende onderbouwd waarom de gevorderde gegevens relevant zijn voor hun rechtspositie in het geschil met [geïntimeerden] Daarnaast overweegt het hof dat het op de weg van [appellanten] had gelegen om aan te voeren waarom een redelijke grond bestaat dat [geïntimeerden] over de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters van het perceel beschikken. [geïntimeerden] betwisten dat zij beschikken over de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerden] beschikken over de laboratoriumuitslagen van de grondmonsters met betrekking tot het perceel van de afgelopen acht jaar. Voor zover [geïntimeerden] niet beschikken over de gevorderde gegevens en zij die gegevens ook niet gemakkelijk van een derde kunnen verkrijgen, kunnen zij niet worden verplicht tot afgifte. 3.12. [geïntimeerden] stellen dat het perceel aan hen was verpacht en zij hebben niet betwist dat zij het perceel in hun gecombineerde opgaven hebben opgenomen. Daaruit leidt het hof af dat [geïntimeerden] over de gecombineerde opgaven van de afgelopen acht jaren beschikken. Daarnaast is het hof van oordeel dat [appellante3] voldoende belang heeft bij de vordering tot afgifte van de gecombineerde opgaven. Als (mogelijke) eigenaar en exploitant (van de helft) van het perceel heeft [appellante3] er belang bij om te weten welke gewassen zij de komende jaren op haar deel van het perceel kan telen. Die gegevens zijn te herleiden uit de gecombineerde opgaven. Hierbij merkt het hof op dat alleen de gegevens die zien op het gebruik van het perceel voor [appellante3] relevant zijn. Daarom wijst het hof de vordering tot afgifte van de gegevens uit de gecombineerde opgaven toe, voor zover die gegevens zien op het gebruik van het perceel van de afgelopen acht jaren. De conclusie 3.13. Het hof wijst de incidentele vordering gedeeltelijk toe. Het hof bepaalt dat elke partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen. 3.14. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan. 4 De beslissing Het hof: in het incident 4.1. bepaalt dat [geïntimeerden] binnen 14 dagen na betekening van dit arrest in het geding moet brengen, met afschrift aan [appellante3] : de volledige administratie van de maatschap [maatschap2] over de periode 2010 tot en met heden; de overzichten van Cosun 2010 tot en met heden, waaruit het aantal ledenleveringsbewijzen blijkt dat verband houdt met het perceel; de gegevens uit de gecombineerde opgaven, voor zover die gegevens zien op het gebruik van het perceel van de afgelopen acht jaren; 4.2. houdt de beslissing over de vordering tot afgifte van alle facturen die betrekking hebben op de teelt en verkoop van gewassen op het perceel over de periode 2010 tot en met heden aan tot de beslissing daarover in de hoofdzaak; 4.3. wijst de vordering voor het overige af; 4.4. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de hoofdzaak in hoger beroep 4.5. bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt; 4.6. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en W.F. Boele en de deskundige leden ir. J.H. Jurrius en ir. E. Oostra en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.