Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2026:6477 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 02-09-2026 (12180006 \ UC EXPL 26-3164)

Rechtbank Midden-Nederland
Summary

Toewijzing vordering betaling van facturen. Beroep op ongeldigheid van de overeenkomst en tussentijdse mogelijkheid om op te zeggen afgewezen.

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12180006 \ UC EXPL 26-3164 Vonnis van 2 september 2026 in de zaak van [eiser] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de reactie van [gedaagde] die wordt aangemerkt als een zogenaamde conclusie van antwoord, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026 waar de gemachtigde van [eiser] verschenen is en [gedaagde] niet verschenen is. 1.2 Ten slotte heeft de kantonrechter besloten dat er uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 Partijen zijn overeengekomen op 19 juni 2024 dat [eiser] gedurende tenminste 36 maanden promoties voor [gedaagde] verzendt in buurtkadoos. Buurtkadoos bevatten vouchers en promoties van bedrijven en worden verstuurd naar mensen die door een verhuizing nieuw in een buurt zijn komen wonen. [eiser] vordert op grond van de overeenkomst betaling van de onbetaalde facturen, plus handelsrente. [gedaagde] vindt dat de overeenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig is en dat zij deze facturen niet hoeft te betalen omdat zij de overeenkomst tussentijds heeft opgezegd. Ook meent zij dat [eiser] tekort is geschoten bij het verzenden van buurtkadoos. Deze verweren slagen niet. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen. 3 De beoordeling 3.1 Volgens [eiser] is [gedaagde] in gebreke gebleven met betaling van de onderstaande 5 facturen voor een totaalbedrag van € 2.155,31: Factuur 221752405 van € 278,46 gedateerd 31-12-2024 Factuur 221752501 van € 265,09 gedateerd 31-01-2025 Factuur 221752502 van € 315,86 gedateerd 28-02-2025 Factuur 221752504 van € 259,45 gedateerd 31-03-2025 Eindfactuur 221752503 van € 1.036,45 gedateerd 31-03-2025 Totaalbedrag openstaande facturen: € 2.155,31 3.2 De facturen met nummers 221752405, 221752501, 221752502 en 221752504 zijn rekeningen voor bezorgde buurtkadoos in de periode december 2024 t/m maart 2025. De eindfactuur met nummer 221752503 heeft [eiser] in rekening gebracht op grond van artikel 7.4 van de algemene voorwaarden bij de overeenkomst. Dit artikel bepaalt dat [eiser] als zij een verzoek tot tussentijdse opzegging accepteert, alle resterende verzendingen tot het eind van de looptijd van de overeenkomst tegen een gemiddeld maandelijks bedrag in rekening mag brengen. [eiser] heeft aan [gedaagde] medegedeeld dat zij uit coulance voor de eindfactuur niet de resterende 28 maandelijkse verzendperiodes in rekening zal brengen maar slechts 4 maanden (4 maal het gemiddeld per maand in rekening gebrachte bedrag). Er is een rechtsgeldige overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen 3.3 [gedaagde] vindt dat ze de uitstaande facturen niet hoeft te betalen omdat er geen rechtsgeldige overeenkomst was met [eiser] . De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] wel gebonden is aan de overeenkomst met [eiser] . Hieronder zal worden uitgelegd waarom. Is [gedaagde] gebonden aan de overeenkomst aangegaan door dhr. [A] ? 3.4 Partijen zijn het erover eens dat dhr. [A] niet bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen. [bedrijf] B.V is de bestuurder van [gedaagde] en de bestuurder van [bedrijf] B.V. is mevr. [B] . [gedaagde] is toch gebonden aan de overeenkomst omdat [eiser] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht aan dhr. [A] was verleend. [eiser] is ervan uitgegaan dat dhr. [A] bevoegd was om voor [gedaagde] de overeenkomst aan te gaan door de schijn van vertegenwoordiging ontstaan door de onderstaande feiten en omstandigheden. Volgens vaste jurisprudentie kunnen zulke omstandigheden zich ook voordoen na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling. Volgens de website van [gedaagde] is dhr. [A] samen met mevr. [B] de drijvende kracht achter het bedrijf van gedaagde; Het telefoonnummer van dhr. [A] staat op de website; Het e-mailadres gebruikt door dhr. [A] is het algemene e-mailadres van [gedaagde] ; [gedaagde] heeft de facturen van augustus t/m november 2024 betaald. De betwisting van [gedaagde] dat deze betalingen automatisch zijn geïncasseerd maakt dit niet anders omdat zij deze afboekingen zelf had kunnen terugboeken (storneren) wat niet is gebeurd; Mevr. [B] heeft op 22 mei 2025 gezegd dat zij de overeenkomst heeft opgezegd per 1 december 2024, terwijl die opzegging (per die datum) is gedaan bij e-mail van dhr. [A] op 18 november 2024. Naar maatschappelijke opvattingen komen deze omstandigheden voor risico van [gedaagde] . [eiser] mocht op grond hiervan gerechtvaardigd vertrouwen dat dhr. [A] bevoegd was om voor [gedaagde] de overeenkomst aan te gaan. Is de overeenkomst ongeldig omdat de algemene voorwaarden niet ter hand zouden zijn gesteld? 3.5 De kantonrechter is van oordeel dat er onvoldoende grond is om te concluderen dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is aangegaan omdat de algemene voorwaarden niet aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld. Voor vernietiging van de hele overeenkomst is het noodzakelijk dat er een onverbrekelijke verband bestaat tussen de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Het uitgangspunt is dat zonder zo’n onverbrekelijk verband de overeenkomst zelf gewoon in stand blijft ook al worden de algemene voorwaarden vernietigd. [gedaagde] heeft niet gesteld dat er een onverbrekelijk verband is. Juridisch betekent dit dat de overeenkomst zelf rechtsgeldig is en dat [gedaagde] eraan gebonden is ook al zouden de algemene voorwaarden moeten worden vernietigd. 3.6 De kantonrechter is het overigens niet eens met [gedaagde] dat de algemene voorwaarden niet aan haar te hand zijn gesteld en daarom vernietigd moeten worden. [gedaagde] vermoedt dat de laatste pagina van de overeenkomst waarop een vierkant vakje voor akkoord met algemene voorwaarden is aangevinkt, niet door haar is ontvangen. Gezien de betwisting van [eiser] heeft zij dit vermoeden onvoldoende onderbouwd. De algemene voorwaarden van [eiser] zijn namelijk beschikbaar op haar website. De link naar de betreffende pagina van de website is opgenomen in de overeenkomst. Volgens [eiser] zijn de algemene voorwaarden daarnaast nog per e-mail toegezonden aan [gedaagde] . Daarmee is vast komen te staan dat de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld aan [gedaagde] . 3.7 Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat tijdens de zitting is besproken dat de overeenkomst in de digitale omgeving niet gefinaliseerd kan worden zonder op de laatste pagina akkoord te gaan met de algemene voorwaarden. Bovendien is de overeenkomst technisch zo opgebouwd dat alleen als uit meerdere opties gekozen kan worden een cirkeltje moet worden aangevinkt. Als de keuze in feite beperkt is tot één optie is een vierkant vakje opgenomen. Dat er voor akkoord gaan met de algemene voorwaarden een vierkant vakje moet worden aangevinkt, is daarom geen indicatie dat de laatste pagina van de overeenkomst niet door [gedaagde] is ontvangen. [gedaagde] mocht de overeenkomst niet zonder meer tussentijds opzeggen 3.8 Volgens [gedaagde] is op 18 november 2024 de overeenkomst met [eiser] opgezegd per 1 december 2024. Volgens haar zou de mogelijkheid om tussentijds de overeenkomst op te zeggen mondeling zijn afgesproken met [eiser] . [eiser] betwist dat en stelt dat alle afspraken schriftelijk in de overeenkomst zijn neergelegd. Dat [gedaagde] er toch vanuit mocht gaan dat partijen hadden afgesproken dat tussentijds mocht worden opgezegd, is in dat licht onvoldoende onderbouwd. De stelling van [gedaagde] dat zij nooit akkoord zou zijn gegaan met een marketingcontract van 36 maanden maakt dat niet anders nu zij deze stelling niet verder heeft onderbouwd. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] geen tussentijdse opzegmogelijkheid had, en daarom de uitstaande facturen verschuldigd is. [eiser] is niet tekortgeschoten bij de verzending van buurtkadoos 3.9 De kantonrechter begrijpt de klachten van [gedaagde] over het verzenden van buurtkadoos zo dat zij bedoelt dat [eiser] wanprestatie heeft gepleegd en ook dat dit een reden zou zijn om niet te hoeven betalen. Dat [eiser] inderdaad tekort is gekomen bij de nakoming van haar verbintenissen onder de overeenkomst, is niet vast komen te staan. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende: (1) De inhoud van de buurtkadoos is voor elk verspreidingsgebied de verschillend. Dit hangt af van de contracten die voor dat gebied zijn afgesloten. De verhouding tussen de landelijke en lokale organisaties is daardoor ook wisselend. Dat [eiser] daardoor iets anders doet dan zou zijn overeengekomen, namelijk lokale ondernemers die een nieuwe bewoner welkom heten in de spotlights zetten, is in dat licht niet voldoende onderbouwd. (2) [gedaagde] kon op elk moment inloggen op het dashboard voor specifieke gegevens over de bezorging van buurtkadoos op straatniveau. Dit staat ook vermeld op de overgelegde facturen. Als zij twijfels zou hebben gehad over de daadwerkelijke bezorging had het op haar weg gelegen het dashboard te bekijken en de betreffende gegevens concreet te betwisten. (3) [gedaagde] zegt dat zij zelf een buurtkado ontvangen heeft terwijl ze niet onlangs verhuisd is. [eiser] heeft dit betwist en uitgelegd tijdens de zitting dat zij niet kan nazoeken per woonadres of er een buurtkado is toegezonden in verband met de bescherming van persoonsgegevens. In dat licht is niet vast komen te staan of een buurtkado bij [gedaagde] is bezorgd. 3.10 Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat ook als vast zou komen te staan dat [eiser] tekort zou zijn geschoten, dat niet direct meebrengt dat [gedaagde] niet hoeft te betalen. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld om aan een eventuele tekortkoming dat rechtsgevolg te kunnen verbinden. [gedaagde] moet de openstaande facturen van € 2.155,31 betalen 3.11 Op grond van het bovenstaande was [gedaagde] gebonden aan de overeenkomst met [eiser] , kon zij niet tussentijds opzeggen en was er ook geen sprake van een tekortkoming van [eiser] . Daarom wordt de vordering tot betaling van de openstaande facturen voor een totaalbedrag van € 2155,31 toegewezen. [gedaagde] moet wettelijke handelsrente over € 2.155,31 betalen 3.12 De overeenkomst is gesloten tussen twee bedrijven die als ondernemer (handelaar) hebben gehandeld. Voor handelsovereenkomsten geldt dat als een betalingstermijn is afgesproken, automatisch wettelijke handelsrente verschuldigd is bij vertraging in de betaling met ingang van de dag volgend op de uiterste dag van de betalingstermijn. Op grond van artikel 11.2 van de algemene voorwaarden geldt tussen partijen het volgende: Als de betaling wordt gestorneerd of om enige andere reden de automatische incasso niet plaatsvindt, moet [gedaagde] het factuurbedrag alsnog binnen veertien dagen na de factuurdatum voldoen. [gedaagde] heeft de facturen met nummers 221752405, 221752501, 221752502 en 221752504 en de eindfactuur met nummer 221752503 niet betaald uiterlijk veertien dagen na de factuurdatum. [gedaagde] moet daarom wettelijke handelsrente betalen voor elk van deze facturen vanaf de dag na veertien dagen na de respectievelijke factuurdatum. [gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten betalen 3.13 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft dus recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 323,30 is redelijk gelet op de geldende tarieven en zal worden toegewezen. 3.14 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 128,65 - griffierecht € 529,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punt × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.290,15 De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad 3.15 De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.155,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag na de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 323,30 aan buitengerechtelijke kosten, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.290,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door rechter mr. H.J. Koning en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. Zie artikel 3:61 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zie Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (ING/Bera). Zie Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119. Zie artikel 3:41 BW. Zie artikel 6:119a lid 1 BW.