Rechtbank Noord-Nederland, 18-09-2026 (LEE 26/1930)
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep niet tijdig beslissen kennis te nemen. Er is geen sprake van een aanvraag waarop de AP gehouden was een besluit te nemen omdat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Er is niet voldaan aan een voldoende persoonlijk belang en onderscheidt zich onvoldoende van de belangen van willekeurige anderen. De wetgever heeft niet beoogd om een 'actio popularis' mogelijk te maken.
Full text
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/1930 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen [eiser], uit Goutum, eiser (gemachtigde: L. Trinks), en Autoriteit Persoonsgegevens, de AP (gemachtigde: mr. J.M.A. Koster). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de AP volgens hem niet op tijd heeft beslist op het handhavingsverzoek van 1 april 2026. 1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Aanleiding voor de beroepsprocedure 2. Eiser heeft op 19 maart 2023 een klacht op grond van artikel 77 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) ingediend bij de AP vanwege het verwerken van zijn persoonsgegevens door AB Grafstenen. Op deze klacht is beslist bij besluit van 15 juni 2023 en op het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 12 december 2023. AB Grafstenen is naar aanleiding van de klachtenprocedure berispt vanwege het onrechtmatig verwerken van de persoonsgegevens van eiser. Eiser heeft op een later moment signalen ontvangen van derden dat AB Grafstenen nog steeds onrechtmatig gegevens verwerkt en met deze gegevens nabestaanden benadert voor commerciële doeleinden. Deze signalen waren voor eiser reden om op 1 april 2026 een handhavingsverzoek ten aanzien van AB Grafstenen in te dienen. Eiser heeft de AP op 28 mei 2026 in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen. Toen een besluit uitbleef heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. 2.1. De AP heeft middels een verweerschrift op het beroep gereageerd. Standpunt van de AP 3. Volgens de AP heeft eiser aangegeven dat een verwerking van zijn eigen persoonsgegevens thans niet aan de orde is, maar dat het hem gaat over signalen van derden. Eiser heeft dus niet tot doel gehad om een nieuwe klacht in de zin van artikel 77 van de AVG in te dienen, maar heeft aangegeven dat het een zelfstandig handhavingsverzoek betreft dat voortbouwt op de eerdere klacht van eiser. 3.1. Het handhavingsverzoek van eiser gaat over signalen van derden en in het verzoek is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een eigen rechtstreeks belang dat door het optreden van de AP wordt geraakt. Eiser kan niet als belanghebbende in de zin van de Awb worden aangemerkt. De wetgever heeft niet beoogd om een ‘actio popularis’ mogelijk te maken, maar heel bewust ervoor gekozen dat een betrokkene alleen een kwestie over zijn eigen persoonsgegevens kan aankaarten bij de AP. Tenslotte geeft artikel 58 van de AVG geen recht aan een aanvrager om met een verzoek de inzet van de bevoegdheden van de AP af te dwingen. Standpunt van eiser 4. Eiser erkent dat er geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 77 AVG. Eiser meent dat hij wel als belanghebbende aangemerkt kan worden. De persoonsgegevens van eiser zijn eerder zonder geldige grondslag door AB Grafstenen verwerkt. Volgens eiser ligt nu de vraag voor of de AP aanleiding ziet om, zoals zij eerder heeft aangekondigd, zwaarder op te treden. De AP heeft in 2023 met een berisping volstaan mede omdat AB Grafstenen verklaarde haar werkwijze te hebben aangepast. De beslissing van de AP om daarop wel of niet handhavend op te treden raakt daarom rechtstreeks aan zijn eerdere procedure en de effectiviteit van het daarin genomen handhavingsbesluit. Bovendien kan, zolang de werkwijze van AB Grafstenen kennelijk niet is beëindigd, niet worden uitgesloten dat ook persoonsgegevens van eiser opnieuw of nog steeds worden verwerkt. Bevoegdheid rechtbank 5. De rechtbank moet bekijken of het handhavingsverzoek van 1 april 2026 als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan worden aangemerkt, op basis waarvan de AP gehouden is om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Alleen als sprake is van een besluit, kan namelijk beroep worden ingesteld tegen het uitblijven daarvan. Voor een aanvraag is van belang dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aangemerkt kan worden. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het (uitblijven van een) besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 6. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat er niet voldaan is aan een voldoende persoonlijk belang. Hoewel eiser in het verleden is geconfronteerd met de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens, onderscheidt hij zich daarmee onvoldoende van de belangen van willekeurige anderen. Zoals de AP terecht heeft gesteld, heeft de wetgever niet beoogd om een ‘actio popularis’ mogelijk te maken ten aanzien de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Indien eiser het niet eens was met het besluit van de AP om AB Grafstenen te berispen, had hij dit in beroep tegen het besluit van 12 december 2023 kunnen aanvoeren. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank concludeert dat eiser geen belanghebbende is en dat er ook geen sprake was van een aanvraag waarop de AP gehouden was een besluit te nemen. Alleen als sprake is van een besluit, kan beroep worden ingesteld tegen het uitblijven daarvan. De bestuursrechter is onbevoegd. Dit brengt met zich mee dat het door eiser betaalde griffierecht moet worden terugbetaald. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart zich onbevoegd; - bepaalt dat het door eiser betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser wordt terugbetaald. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4410). Het door eiser betaalde griffierecht wordt terugbetaald op grond van artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.