Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9465 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 23-07-2026 (13-139882-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Overlevering. Tussenuitspraak. EAB Polen t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Polen opgelegde straf. Verweer artikel 12 OLW verworpen. De rechtbank ziet af van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW. De opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om het ingevulde certificaat en een kopie van het vonnis op te vragen (in navolging van het arrest C.J. van het HvJ EU).

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/139882-26 Datum uitspraak: 23 juli 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 15 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2016, geactualiseerd en aangepast op 30 december 2022, door the District Court of Lublin , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, onder gelijktijdige schorsing daarvan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis v an the Lublin-Wschód Provincial Court of Lublin seated in Świdnik van 23 september 2013 met kenmerk III K 914/13. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en dertien dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat de overlevering geweigerd dient te worden. Subsidiair heeft zij verzocht de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de betekening in persoon. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat dit EAB in 2018 al behandeld is. De conclusie was toen dat niet kon worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting die heeft geleid tot het vonnis met kenmerk III K 914/13. Er was ook geen sprake van een verzetgarantie of recht op een herbeoordeling van de zaak. Op grond van artikel 12 OLW is toen geen gevolg gegeven aan het EAB. Vervolgens hebben de Poolse autoriteiten in 2022 een nieuw EAB uitgevaardigd. Op basis van het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 8 juni 2026 blijkt dat straf aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd en dat deze op 30 oktober 2014 is omgezet in een onvoorwaardelijke straf vanwege de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit op 12 mei 2014. De raadsvrouw heeft gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ook op die procedure (III K 125/14) van toepassing is. De opgeëiste persoon ontkent dat hij wist van deze procedure en dat hij hiervoor een oproeping heeft gehad. Hij verbleef tot zijn vertrek naar Nederland in 2016 op het door hem opgegeven adres en heeft nooit een oproeping gehad voor een procedure. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon heeft tijdens zijn verhoor op 9 juni 2013 een adresinstructie gekregen en is toen gewezen op de gevolgen van het niet naleven van deze instructie. De oproeping voor de zitting is twee keer naar het adres gestuurd dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven, maar deze oproepingen zijn niet door hem afgehaald. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding ook verklaard dat het zou kunnen kloppen dat de Poolse autoriteiten hem een brief met de zittingsdatum gestuurd hebben en dat hij deze niet heeft opgehaald. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt allereerst dat uit het mailbericht van mr. Zilver van 15 mei 2026 blijkt dat de officier van justitie op 5 juni 2018 heeft besloten de vordering ten aanzien van het EAB uit 2016 in te trekken. De rechtbank heeft geen inhoudelijk oordeel gegeven over dit EAB. Ten aanzien van het vonnis van 23 september 2013 met kenmerk III K 914/13 De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 8 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 juni 2013 als verdachte is gehoord, dat hij toen een adresinstructie heeft gekregen en dat hij is gewezen op de gevolgen van het niet naleven die instructie. De oproeping voor de zitting is vervolgens verstuurd naar adres dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor heeft opgegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de autoriteiten. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Ten aanzien van de beslissing tot tenuitvoerlegging van 30 oktober 2014 met kenmerk III K 914/13 De vrijheidsstraf is aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Lublin-Wschód van 30 oktober 2014 met kenmerk III K 914/13 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Ten aanzien van de ‘triggerende veroordeling’ van 12 mei 2014 met kenmerk III K 125/14 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit het EAB blijkt dat de veroordeling van 12 mei 2014 door the District Court in Lublin-Wschód ( III K 125/14) heeft geleid tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze veroordeling moet de rechtbank dus toetsen aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 8 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 17 februari 2014 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Op basis van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de betekening op 17 februari 2014. 5 Strafbaarheid 5.1 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit, waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als voldaan wordt aan de eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de dubbele strafbaarheid ontbreekt. Het niet betalen van kinderalimentatie is namelijk niet strafbaar in Nederland en uit de feitsomschrijving blijkt ook niet dat het kind hierdoor in een hulpeloze toestand is gebracht. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet strafbaar is naar Nederlands recht, maar dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW, omdat het feit geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde, maar juist wel met de Poolse rechtsorde. Bovendien moet straffeloosheid worden voorkomen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat in dit geval het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie is gebracht. Daarom is niet voldaan aan de eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. De rechtbank overweegt verder dat met de inwerkingtreding van de Wet herimplementatie Europees strafrecht ook artikel 7 OLW is gewijzigd. Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW houdt sindsdien een facultatieve weigeringsgrond in met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit als het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van weigering af te zien. Daarvoor is van belang dat de feiten geen aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtsorde. De feiten zijn immers begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan. Weigering van de overlevering op deze grond zou bovendien leiden tot straffeloosheid en dat moet in beginsel worden voorkomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Standpunten van de verdediging en de officier van justitie De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Uit de brief van de IND van 7 juli 2026 volgt dat de strafrechtelijke veroordeling er niet toe leidt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. Ten aanzien van de vraag of het recht om de opgelegde straf in Nederland ten uitvoer te leggen is verjaard, overweegt de rechtbank als volgt. Het niet betalen van kinderalimentatie is naar Nederlands recht niet strafbaar. Dit betekent dat er naar Nederlands recht daarom geen sprake kan zijn van verjaring van het recht om de straf ten uitvoer te leggen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, vierde en vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Poolse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest C.J. van het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the Lublin-Wschód Provincial Court of Lublin seated in Świdnik van 23 september 2013 (kenmerk III K 914/13) aan het dossier toe te voegen, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. De rechtbank zal, gelet op de uitzonderlijke omstandigheid dat het certificaat en vonnis naar alle waarschijnlijkheid niet voor het verstrijken van de 90-dagen termijn zullen worden ontvangen en overlevering van de opgeëiste persoon zich niet verhoudt met het vastgestelde resocialisatiebelang in Nederland , het onderzoek heropenen en de beslistermijn verlengen met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the Lublin-Wschód Provincial Court of Lublin seated in Świdnik van 23 september 2013 met kenmerk III K 914/13; VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen, eindigend op 8 oktober 2026, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór 8 oktober 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. Zie HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Zie artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ. Vergelijk Rb. Amsterdam 4 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5906.