Rechtbank Amsterdam, 25-08-2026 (13-199712-25)
Executie-EAB uit Polen. Voortzetting na tussenuitspraak van 30 april 2026. Artikel 6a OLW: aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-199712-25 Datum uitspraak: 25 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 april 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, feitelijk verblijfadres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 16 april 2026 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 30 april 2026 In deze tussenuitspraak is het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring op te vragen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de Poolse autoriteiten te verzoeken om toestemming voor het overnemen van de in Polen opgelegde straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in Bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het veroordelende vonnis toe te zenden. Zitting van 14 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de vertaling van het certificaat en het veroordelende vonnis af te wachten. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22 van de OLW uitspraak zou moeten doen met 60 dagen verlengd, onder de gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie. Zitting van 11 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman , mr. L.J. Woltring, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 30 april 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW, de dubbele strafbaarheid van het feit en de eerste voorwaarde van het gelijkstellingsverweer zoals bedoeld in artikel 6a OLW. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Inleiding De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder rubriek 6 in de tussenuitspraak van 30 april 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Standpunt van de raadsman en de officier van justitie De raadsman en officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de overlevering kan weigeren en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen kan bevelen, omdat de IND een positief advies heeft afgegeven en de vertaling van het certificaat en het veroordelende vonnis door de Poolse autoriteiten zijn overgelegd. Oordeel van de rechtbank Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 8 april 2026 volgt dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen naar aanleiding van het strafbare feit. De rechtbank oordeelt dat hiermee ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. Uit de in de tussenuitspraak onder punt 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straf die in Nederland maximaal voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar is met Nederlands recht. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Poolse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende vonnis. Op 10 juli 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis ontvangen. Op 14 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de vertalingen hiervan verstrekt. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland. Conclusie De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, zijnde een gevangenisstraf van zes maanden. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT op grond van artikel 27 lid 4 OLW de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:4274. Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.