# Rechtbank Amsterdam, 03-09-2026 (1321750425)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9400
- Date: 2026-09-03
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9400
- Canonical: https://overview.legal/posts/354193

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: er is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige strafovername

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-217504-25 Datum uitspraak: 3 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 26 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 januari 2024 door the Regional Court in Lublin , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.A.R. van de Velde, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Lublin van 31 december 2020, met kenmerk IV K 246/18, onherroepelijk geworden door het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 30 mei 2023, met kenmerk II AKa 158/21. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en twee maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en deze straf resteert nog in zijn geheel. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Op verzoek van het IRC heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 16 juli 2026 onderdeel d) van het EAB ingevuld ten aanzien van het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 30 mei 2023, met kenmerk II AKa 158/21. Er staat vermeld: No, the person did not appear in person at the hearing resulting in the decision. Daarbij is aangekruist: b. The person concerned has not been summoned in person but has been otherwise informed of the date and place of the hearing resulting in the decision rendered in absentia. It can be explicitly affirmed that the person knew of the date and place of the hearing and was informed that the decision could be rendered in absentia. […] c. Knowing about the date and place of the hearing, the person gave power of attorney to a defender appointed by the person or by the state for defending the person concerned at the trial and the defender really defended the person at the trial. In de aanvullende informatie van 16 juli 2026 staat tevens vermeld: 2. In the course of the pre-trial proceedings, [opgeëiste persoon] was interrogated on March 23 2018, He stated that he lived at [adres 2] . He also gave another address for serving correspondence in Poland: [adres 3] . On the same day, [opgeëiste persoon] received an instruction in writing about rights and obligations of a suspect in penal proceedings, which he acknowledged with his own signature. The instruction contained a passing reference about an obligation to notify the body conducting the proceedings about each change of the place of residence or a stay lasting longer than 7 (seven) days, including a change of place of residence because of deprivation of freedom in another case, as well as an obligation to indicate an address to which all the correspondence would be served. Otherwise, conducting any procedural steps or hearings would be conducted in absentia. This instruction concerned the whole penal proceedings, including the appeal proceedings. 3. The notice for the hearing before the Circuit Court of Lublin was sent to [adres 3] , Poland, on March 23rd 2018, i.e. to the address of residence indicated by [opgeëiste persoon] . Moreover, during the hearing that took place on October 18th 2018 [opgeëiste persoon] ensured the Court that the aforementioned address is open and valid. The information concerning the addresses to which the summonses for the appeal hearing were sent was mentioned in Section d) of the EAW form, mentioned in point 1. […] [naam] , a legal adviser and [opgeëiste persoon] ’s defender, lodged an appeal against the judgment of the Circuit Court of Lublin. The Court of Appeal of Lublin sent the summons to [opgeëiste persoon] for the first date of the appeal hearing fixed for June 23rd 2022 to the following address: [adres 2] . [opgeëiste persoon] did not collect the correspondence and it was sent back to the sender, the Court of Appeal of Lublin. The hearing fixed for June 23rd 2022 did not take place because of an illness of [naam] , legal adviser. The consecutive dates of the hearing were fixed for September 6th 2022 and November 17th 2022. And again, [opgeëiste persoon] did not collect the summonses sent to the place of residence in Ireland mentioned above. [opgeëiste persoon] ’s defender appeared in Court at the aforementioned and following hearings and really defended the convict. Moreover, on September 6th 2022 the defender made a statement to the minutes of the session that the address [adres 2] is his current address of residence. During the hearing on November 17th 2022, the defender provided the Court with a new address of residence for serving court correspondence on [opgeëiste persoon] : [adres 1] , the Netherlands. [opgeëiste persoon] was not informed about the consecutive dates of hearings fixed for December 21st 2022 and January 25th 2023 on the basis of Article 402 paragraph 1 of the Code of Criminal Procedure which reads that the persons present at the interrupted trial shall be obligated to appear at the new trial so designated without special summons if the break between the consecutive dates is shorter than 42 (forty-two) days. The summonses for two last hearings fixed for March 23rd 2023 and May 30th 2023 were sent and served to the address in the Netherlands. The correspondence tracking mode does not allow to establish finally whether [opgeëiste persoon] collected the correspondence in person. In these circumstances, [opgeëiste persoon] ’s defender made a statement to the minutes of the session of May 30th 2023 that [opgeëiste persoon] had been informed about the date of the hearing. De opgeëiste persoon heeft ter zitting onder andere verklaard dat hij in 2018 in Ierland woonde, dat hij een adres in Lublin en het adres [adres 1] heeft opgegeven en dat het kan kloppen dat hij op de [adres 1] oproepingen voor de zittingen van 23 maart 2023 en 30 mei 2023 heeft ontvangen. De opgeëiste persoon heeft hierover nog toegelicht dat hij het niet meer precies weet, maar in ieder geval contact had met zijn gemachtigd advocaat en behoorlijk op de hoogte was van het proces. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 30 mei 2023, met kenmerk II AKa 158/21, moet worden getoetst aan de vereisten van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon had tijdens dat proces een gemachtigd raadsman die op zitting is verschenen en die zijn verdediging heeft gevoerd. Uit het Khuzdar arrest blijkt dat vereist is dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 16 juli 2026 blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon in Polen heeft verklaard dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting van 30 mei 2023. De opgeëiste persoon bevestigt dat. De officier van justitie heeft daarom geconcludeerd dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal in Lublin van 30 mei 2023, met kenmerk II AKa 158/21, toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank overweegt dat in het EAB, in onderdeel d), ten aanzien van de procedure in hoger beroep is aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure, een advocaat heeft gemachtigd om hem op zitting te verdedigen en de advocaat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op zitting heeft verdedigd. Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Khuzdar . De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “ de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces ” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde ‘dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid’, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene. Ook in de onderhavige zaak is het daarom allereerst van belang dat, gelet op het Khuzdar -arrest, voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank vindt daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 16 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon als verdachte en als gedaagde een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend. De oproepingen voor de zittingen van 23 juni 2022, 6 september 2022 en 17 november 2022 zijn gezonden aan de adressen die de opgeëiste persoon heeft opgegeven. De opgeëiste persoon heeft deze oproepingen niet afgehaald, echter heeft de gemachtigd advocaat van de opgeëiste persoon op 6 september 2022 ter zitting gesteld dat het door de opgeëiste persoon opgegeven adres nog actueel was. Op 17 november 2022 heeft de advocaat ter terechtzitting een nieuw correspondentieadres voor de opgeëiste persoon in Nederland opgegeven. De oproepingen voor de zittingen van 23 maart 2023 en 30 mei 2023 zijn naar dit adres gezonden. De gemachtigd advocaat van de opgeëiste persoon heeft op 30 mei 2023 ter terechtzitting verklaard dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting. Hoewel de opgeëiste persoon het zich naar eigen zeggen niet meer precies herinnert, heeft hij erkend dat het kan kloppen dat hij de oproepingen voor de zittingen van 23 maart 2023 en 30 mei 2023 in [adres 1] heeft ontvangen. Gelet op de informatie in onderdeel d) van 16 juli 2026, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van dezelfde datum en de verklaring van de opgeëiste persoon, concludeert de rechtbank dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid en daarvan daadwerkelijk op de hoogte is geweest. Aan de eis dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces is dus voldaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit onderdeel d) van 16 juli 2026 en de aanvullende informatie van dezelfde datum blijkt dat is voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd die ter terechtzitting daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. In verband met het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen; deelneming aan een criminele organisatie. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 13 augustus 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen? De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straf die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kan worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De binding van de opgeëiste persoon met Nederland Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf? De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Poolse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende arrest. Op 18 augustus 2026 heeft de rechtbank het certificaat en een kopie van het veroordelende arrest ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland. Conclusie De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 9 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW. 10 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lublin , Polen, voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 32. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie punt 71-72. Zie punt 73-74. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Zie artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW in samenhang met artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Als bedoeld in artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) ), punt 64. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ). Zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354193 · 2026-09-24
