# Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-163627-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9421
- Date: 2026-09-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9421
- Canonical: https://overview.legal/posts/354198

## Summary

Vervolgings-EAB uit Litouwen. Genoegzaamheidsverweer verworpen. Litouwse detentieomstandigheden: detentiegarantie. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-163627-26 (EAB 2) Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 december 2025 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania , Litouwen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. F.H. van der Pol, advocaat in Roosendaal, en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de Overleveringswet (OLW) op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank echter niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Door het verstrijken van de beslistermijn bestaat geen wettelijke grondslag voor gevangenneming. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Vilnius District Court van 19 november 2025 met kenmerk 01-1-14110-21. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Litouws recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. In het EAB is enkel een begindatum opgenomen van de deelname aan een criminele organisatie; de einddatum van de pleegperiode ontbreekt. Verder vermeldt het EAB een periode van 14 mei 2025 tot 31 mei 2021 waarbinnen verdovende middelen zouden zijn gekocht en hasj in bezit zou zijn geweest. Het jaartal in de einddatum lijkt een verschrijving te zijn, maar dit kan niet met voldoende zekerheid worden gesteld. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat er geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De feiten, de periode waarin de feiten zouden zijn gepleegd, de plaats en de mate van betrokkenheid zijn voldoende concreet omschreven om het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Daarbij komt dat het een vervolgings-EAB betreft, zodat de precieze gang van zaken nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Het jaartal 2021 betreft een kennelijke verschrijving; dit moet 2025 zijn. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Uit de feitomschrijving van het onderhavige EAB volgen de pleegplaats en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten. De rechtbank begrijpt dat het met betrekking tot de verdovende middelen feiten gaat om een pleegperiode van 14 mei 2025 tot 31 mei 2025. Inzake de deelname aan een criminele organisatie is de begindatum van de pleegperiode gegeven. De einddatum van de pleegperiode is de datum waarop het EAB is uitgevaardigd, zo begrijpt de rechtbank het EAB. Er is overigens sprake van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Litouwen wordt verdacht, zal dan ook later in Litouwen moeten blijken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel ook voldoende gewaarborgd. 4 Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft in een uitspraak van 12 december 2024 vastgesteld dat in alle detentie-instellingen in Litouwen een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het algemeen gevaar ziet met name op de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten tot gevolg. Op 30 juli 2026 heeft the Lithuanian Prison Service de volgende aanvullende informatie verstrekt: "1. At this stage, we cannot specify which particular prison [opgeëiste persoon] would be assigned to serve his custodial sentence in, should he be surrendered (...) 2. (…) As the Vilnius City District Court ordered 1. [opgeëiste persoon] detention, if that court decides to extend the preventive measure of detention, [opgeëiste persoon] will be held in either Vilnius Prison or Kaunas Prison. (...) 4. We inform you that detainees are guaranteed a living area of at least 3.6 sq. m. (excluding sanitary facilities). Convicts serving a prison sentence are entitled to a living area of at least 3.1 sq. m. (excluding sanitary facilities). 5. Please be informed that in the said prisons there are approximately 30 prisoners per one officer working with the prisoners. The staff and prisoners ratio of 1:30 applies to all prisons in Lithuania. The said applies to all days of the week all day long. (...) 7. In order to control violence between prisoners, leaders of the informal prison hierarchy, their accomplices and other prisoners who exert a negative influence on other prisoners shall, as far as possible, be kept separate from other vulnerable prisoners. Leaders of the informal prison hierarchy shall be isolated on separate floors and in separate locked cells. 8. In all Lithuanian prisons the arrested persons are assessed considering the risk of violence they could face or thee risk of violence posed by them, and, considering the established risks, the arrested persons are differentiated and placed in cells in a way guaranteeing their safety. The prison staff constantly monitor the microclimate between the arrested persons and, upon establishment or receipt of information on a likely risk of a violent conflict between the arrested persons, shall apply preventive measures to prevent a violent conflict including separation of the arrested persons who could get into a violent conflict, redistribution of inmates between the cells, or isolation thereof. Upon noticing any sings of violence between the arrested persons or prisoners including oral or psychological violence the imprisonment facility staff shall examine the situation and undertake actions to prevent violent acts. 9. Prisoners may be taken for a walk together with prisoners from the same cell/living accommodation. [opgeëiste persoon] will be placed in a cell/living accommodation with other prisoners only after it has been determined that there is no risk of conflict between them and that they can coexist peacefully in the same cell/living accommodation It should be noted that activities within prisons are organised according to a predetermined daily schedule in a manner that eliminates the possibility of pre-trial detainees or sentenced prisoners who present a potential risk of conflict coming into contact with one another in shared facilities and/or during activities. The safety of [opgeëiste persoon] in prison outside the cell, i.e. in common areas, in the yard, will be ensured by: officers working at assigned posts monitoring the microclimate among prisoners, and thus identifying possible prerequisites for violent conflicts in a timely manner and taking measures to prevent the conflict before it occurs; monitoring the situation through video cameras installed in most common areas of the prison; the contact officer directly communicating with 1. Vaistoras and providing him with the necessary assistance. (...)" Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege de weigeringsgrond in artikel 11 OLW. Er bestaat een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon onder onmenselijke omstandigheden gedetineerd raakt bij overlevering naar Litouwen. Hiervoor zijn meerdere punten van belang: de onderbezetting van het gevangenispersoneel en de daarmee samenhangende problematiek en de onduidelijkheid over de persoonlijke leefruimte die de opgeëiste persoon in Litouwen zal krijgen. Bovendien blijkt uit de email in de Litouwse taal die de verdediging aan de rechtbank heeft toegezonden van een Litouwse advocaat naar de lokale politie in Litouwen dat er in Litouwen sprake is van bedreigingen aan het adres van familieleden van de opgeëiste persoon. Daarnaast is sprake van een zorgelijke medische situatie van de opgeëiste persoon, wat blijkt uit de door de verdediging overgelegde medische verklaring van een specialist psychiatrie uit Polen dat er bij de opgeëiste persoon sprake is van gemengde depressieve- en angststoornissen, waarom wordt afgeraden om af te zien van overlevering en van verder verblijf in een penitentiaire inrichting. Op basis van de ontvangen informatie vanuit de Litouwse autoriteiten kan het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon niet worden weggenomen. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de Litouwse autoriteiten nadere vragen te stellen over de personeelsbezetting, de penitentiaire inrichting waarin de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd, de beschikbare leefruimte en de medische zorg die in die inrichting en het dichtstbijzijnde zorgcentrum kan worden geboden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat met de individuele detentiegarantie van 30 juli 2026 het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemeen gevaar dat bestaat in de detentie-instellingen in Litouwen ziet, in tegenstelling tot wat de raadsvrouw bepleit, niet op de beschikbare persoonlijke leefruimte of de materiele omstandigheden in de cellen. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 30 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in de gevangenis van Vilnius of Kaunas. De rechtbank moet beoordelen of met de aanvullende informatie het algemene gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in al deze detentie instellingen voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. In de aanvullende informatie zijn voldoende concrete maatregelen genoemd die ten aanzien van de opgeëiste persoon worden genomen om hem te beschermen tegen de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) bij plaatsing in de detentie-instellingen in Vilnius of Kaunas. Deze maatregelen zien niet alleen op het risico op geweld of een vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in zijn cel en tijdens activiteiten, maar ook op dergelijke risico’s voor de opgeëiste persoon tijdens zijn verblijf in de gemeenschappelijke ruimtes. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie voldoende concrete, op de opgeëiste persoon toegespitste garanties bevat om te kunnen vaststellen dat de garanties gelden voor beide detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon na overlevering kan worden geplaatst. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat eveneens sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon vanwege de – zakelijk weergegeven – onvoldoende persoonlijke leefruimte in de cel en tijd buiten de cel en daarnaast (mogelijk) onvoldoende beschikbare medische hulp in detentie overweegt de rechtbank het volgende. Het eerder vastgestelde algemene gevaar ziet niet op deze aspecten van de detentieomstandigheden in Litouwen. Voor zover de raadsvrouw verwijst naar specifieke onderdelen in de door de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie in deze zaak bieden deze ook geen aanknopingspunten voor het bestaan van structurele of fundamentele gebreken op deze punten. Voor zover de raadsvrouw verwijst naar informatie in de Litouwse taal waaruit een bijzondere dreiging voor de opgeëiste persoon moet blijken merkt de rechtbank (ten overvloede) op dat deze informatie niet door de rechtbank kan worden beoordeeld in enig kader binnen de OLW, nu deze niet is vertaald in een door de rechtbank geaccepteerde taal. Nu de verstrekte informatie het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt, staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet ook geen aanleiding om in dit kader nadere vragen te stellen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan 3 december 2025 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania , Litouwen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Rooij, voorzitter, mrs. M. Westerman en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22 OLW. De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2024:8240.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354198 · 2026-09-24
