Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-163588-26)
Executie-EAB uit Litouwen. Litouwse detentieomstandigheden: detentiegarantie. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-163588-26 (EAB 1) Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 januari 2020 door the Panevėžys County Court , Litouwen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. F.H. van der Pol, advocaat in Roosendaal, en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van 23 februari 2018 van the Panevėžys County Court met kenmerk 1-11-350/2018 dat is gewijzigd bij beslissing van 13 september 2019 door the Court of Appeal of Lithuania met kenmerk 1A-22-318/2019. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Litouwen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen jaar, zes maanden en zeventien dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid 4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft twee van de drie strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één van de drie strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft in een uitspraak van 12 december 2024 vastgesteld dat in alle detentie-instellingen in Litouwen een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Het algemeen gevaar ziet met name op de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten tot gevolg. Op 30 juli 2026 heeft the Lithuanian Prison Service de volgende aanvullende informatie verstrekt: "1. At this stage, we cannot specify which particular prison [opgeëiste persoon] would be assigned to serve his custodial sentence in, (...) 2. As the Vilnius City District Court ordered 1. [opgeëiste persoon] detention, if that court decides to extend the preventive measure of detention, [opgeëiste persoon] will be held in either Vilnius Prison or Kaunas Prison. (...) 4. We inform you that detainees are guaranteed a living area of at least 3.6 sq. m. (excluding sanitary facilities). Convicts serving a prison sentence are entitled to a living area of at least 3.1 sq. m. (excluding sanitary facilities). 5. Please be informed that in the said prisons there are approximately 30 prisoners per one officer working with the prisoners. The staff and prisoners ratio of 1:30 applies to all prisons in Lithuania. The said applies to all days of the week all day long. (...) 7. In order to control violence between prisoners, leaders of the informal prison hierarchy, their accomplices and other prisoners who exert a negative influence on other prisoners shall, as far as possible, be kept separate from other vulnerable prisoners. Leaders of the informal prison hierarchy shall be isolated on separate floors and in separate locked cells. 8. In all Lithuanian prisons the arrested persons are assessed considering the risk of violence they could face or thee risk of violence posed by them, and, considering the established risks, the arrested persons are differentiated and placed in cells in a way guaranteeing their safety. The prison staff constantly monitor the microclimate between the arrested persons and, upon establishment or receipt of information on a likely risk of a violent conflict between the arrested persons, shall apply preventive measures to prevent a violent conflict including separation of the arrested persons who could get into a violent conflict, redistribution of inmates between the cells, or isolation thereof. Upon noticing any sings of violence between the arrested persons or prisoners including oral or psychological violence the imprisonment facility staff shall examine the situation and undertake actions to prevent violent acts. 9. Prisoners may be taken for a walk together with prisoners from the same cell/living accommodation. [opgeëiste persoon] will be placed in a cell/living accommodation with other prisoners only after it has been determined that there is no risk of conflict between them and that they can coexist peacefully in the same cell/living accommodation It should be noted that activities within prisons are organised according to a predetermined daily schedule in a manner that eliminates the possibility of pre-trial detainees or sentenced prisoners who present a potential risk of conflict coming into contact with one another in shared facilities and/or during activities. The safety of [opgeëiste persoon] in prison outside the cell, i.e. in common areas, in the yard, will be ensured by: officers working at assigned posts monitoring the microclimate among prisoners, and thus identifying possible prerequisites for violent conflicts in a timely manner and taking measures to prevent the conflict before it occurs; monitoring the situation through video cameras installed in most common areas of the prison; the contact officer directly communicating with 1. Vaistoras and providing him with the necessary assistance. (...)" Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege de weigeringsgrond in artikel 11 OLW. Er bestaat een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon onder onmenselijke omstandigheden gedetineerd raakt bij overlevering naar Litouwen. Hiervoor zijn meerdere punten van belang: de onderbezetting van het gevangenispersoneel en de daarmee samenhangende problematiek, de onduidelijkheid over de persoonlijke leefruimte die de opgeëiste persoon in Litouwen zal krijgen, de email in de Litouwse taal van een advocaat naar de lokale politie waaruit blijkt dat er in Litouwen sprake is van bedreigingen aan het adres van familieleden van de opgeëiste persoon en ten slotte de medische situatie van de opgeëiste persoon. Uit de op 1 september 2026 door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat er bij de opgeëiste persoon sprake is van gemengde depressieve- en angststoornissen. Op basis van de ontvangen informatie vanuit de Litouwse autoriteiten kan het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon niet worden weggenomen. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de Litouwse autoriteiten nadere vragen te stellen over de personeelsbezetting, de penitentiaire inrichting waarin de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd, de beschikbare leefruimte en de medische zorg die in die inrichting en het dichtstbijzijnde zorgcentrum kan worden geboden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat met de individuele detentiegarantie van 30 juli 2026 het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemeen gevaar dat bestaat in de detentie-instellingen in Litouwen ziet, in tegenstelling tot wat de raadsvrouw bepleit, niet op de beschikbare persoonlijke leefruimte of de materiele omstandigheden in de cellen. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 30 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in de gevangenis van Vilnius of Kaunas. De rechtbank moet beoordelen of met de aanvullende informatie het algemene gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in al deze detentie instellingen voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. In de aanvullende informatie zijn voldoende concrete maatregelen genoemd die ten aanzien van de opgeëiste persoon worden genomen om hem te beschermen tegen de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) bij plaatsing in de detentie-instellingen in Vilnius of Kaunas. Deze maatregelen zien niet alleen op het risico op geweld of een vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in zijn cel en tijdens activiteiten, maar ook op dergelijke risico’s voor de opgeëiste persoon tijdens zijn verblijf in de gemeenschappelijke ruimtes. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie voldoende concrete, op de opgeëiste persoon toegespitste garanties bevat om te kunnen vaststellen dat de garanties gelden voor beide detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon na overlevering kan worden geplaatst. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat eveneens sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon vanwege de – zakelijk weergegeven – onvoldoende persoonlijke leefruimte in de cel en tijd buiten de cel en daarnaast (mogelijk) onvoldoende beschikbare medische hulp in detentie overweegt de rechtbank het volgende. Het eerder vastgestelde algemene gevaar ziet niet op deze aspecten van de detentieomstandigheden in Litouwen. Voor zover de raadsvrouw verwijst naar specifieke onderdelen in de door de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie in deze zaak bieden deze ook geen aanknopingspunten voor het bestaan van structurele of fundamentele gebreken op deze punten. Voor zover de raadsvrouw verwijst naar informatie in de Litouwse taal waaruit een bijzondere dreiging voor de opgeëiste persoon moet blijken, merkt de rechtbank (ten overvloede) op dat deze informatie niet door de rechtbank kan worden beoordeeld in enig kader binnen de OLW, nu deze niet is vertaald in een door de rechtbank geaccepteerde taal. Nu de verstrekte informatie het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt, staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet ook geen aanleiding om in dit kader nadere vragen te stellen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Panevėžys County Court , Litouwen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Rooij, voorzitter, mrs. M. Westerman en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2024:8240.