Rechtbank Amsterdam, 09-09-2026 (13-169871-26)
Executie-EAB uit Frankijk. Artikel 12 OLW: weigeringsgrond niet van toepassing. Franse detentieomstandigheden: algemeen gevaar mogelijk ook op veroordeelde met een (rest)straf van meer dan twee jaar van toepassing; detentiegarantie. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-169871-26 Datum uitspraak: 9 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 29 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2026 door de Procureur van de Republiek te Bobigny, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedag] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.C.M. van Dijk, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Egyptische nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis op tegenspraak van de 18e Strafkamer van de rechtbank te Bobigny van 15 oktober 2025 met kenmerk 25107000364. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Frankrijk. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, negen maanden en drie dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding In het EAB is aangekruist: JA, DE BETROKKENE IS PERSOONLIJK VERSCHENEN OP DE TERECHTZITTING DIE TOT DE BESLISSING HEEFT GELEID. Daarbij is in de vertaling van het EAB de volgende optie op een ingesprongen positie in het document weergegeven: 3.4. DE BESLISSING NIET PERSOONLIJK AAN DE BETROKKENE BETEKEND, MAAR (…) INDIEN HIJ DIT WENST KAN BETROKKENE HOGER BEROEP INSTELLEN EN ZAL DAN OPNIEUW WORDEN BERECHT DOOR HET HOF VAN BEROEP Op 30 juni 2026 heeft het IRC naar aanleiding van het bovenstaande aanvullende vragen gesteld: In section D of the EAW under 3.4 it is indicated that if Mr [opgeëiste persoon] requests an appeal, a retrial will take place before the Court of Appeal. However, 3.4 is not ticked. - Could you please confirm that 3.4. should have been ticked and that the information under 3.4. applies to Mr [opgeëiste persoon] ? Op 1 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geantwoord: De heer [opgeëiste persoon] is tijdens de zitting van 15 oktober 2015 in zijn aanwezigheid berecht; daarom is rubriek d) 1. aangevinkt. De rubrieken d) 2. en d) 3.4 zijn derhalve niet van toepassing en zijn bijgevolg niet aangevinkt. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aanvullende informatie nodig is alvorens de rechtbank kan oordelen over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Zij heeft daarbij gewezen op enkele onduidelijkheden en inconsistenties in het EAB in relatie tot de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie. Zo wordt in het EAB verwezen naar een vonnis van 15 oktober 2025 en eenmaal naar een vonnis van 15 oktober 2021. De aanvullende informatie spreekt voorts van een vonnis van 15 oktober 2015. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om navraag te doen naar de datum van de zitting die tot de veroordeling heeft geleid, de vraag of de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was en waaruit dit volgt, de datum van onherroepelijkheid van het vonnis en waarom onder punt 3.4 onder onderdeel d) van het EAB een mogelijkheid tot het instellen van beroep is bijgeschreven. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Blijkens het EAB en de aanvullende informatie is de opgeëiste persoon namelijk in persoon aanwezig geweest bij de zitting van 15 oktober 2025. Dat de aanvullende informatie spreekt van een zitting van 15 oktober 2015, berust op een kennelijke verschrijving van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De verwijzing naar het vonnis van 15 oktober 2021 staat enkel in de Nederlandse vertaling van het EAB; in het Franse origineel staat telkens 15 oktober 2025. De datum in de vertaling betreft aldus een kennelijke verschrijving, hetgeen ook blijkt uit het feit dat het strafbare feit in 2025 heeft plaatsgevonden. Wegens de ingesprongen positie van optie 3.4 in de vertaling was het IRC van mening dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit een verzetgarantie was gegeven. Uit de aanvullende informatie blijkt echter ondubbelzinnig dat de verzetgarantie niet van toepassing is. Oordeel van de rechtbank Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De opgeëiste persoon heeft op zitting ook bevestigd dat hij bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in 2025 aanwezig is geweest. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Voor zover door de vertaling van het EAB onduidelijkheid is ontstaan over de mogelijkheid tot verzet, is uit de aanvullende informatie gebleken dat die mogelijkheid er niet is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 5 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: moord en doodslag; zware mishandeling; ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking in deze detentie-instellingen, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Zowel verdachten, als personen met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in Frankrijk in Huizen van Bewaring gedetineerd. Het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft op 25 juni 2026 gevraagd waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat de detentiegarantie is opgevraagd, omdat abusievelijk ervan uit werd gegaan dat het om een vervolgings-EAB ging. Bij brief van 21 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer de volgende informatie gegeven over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk: “Mr [opgeëiste persoon] would, in principle, be eligible for placement in Beauvais remand centre, whose occupancy rate, as at 4 August 2026, stood at 145%, according to the French method of calculating prison occupancy rates. Therefore, if the occupation rates remain the same, Mr [opgeëiste persoon] will have personal space in his cell exceeding 3 m². This may, however, be a temporary placement, insofar as Mr [opgeëiste persoon] may be subject to a placement procedure, which could result in his transfer to another prison. This standard procedure, provided for under national regulations, makes it possible to adapt the prison to the personal circumstances and needs of convicted prisoners or detainees. At the conclusion of this procedure, it will be for the Prison Service to designate the prison in which the person concerned will be incarcerated. French legislation provides that persons who have received a final conviction shall serve their sentence in a designated prison. However, these types of establishments are not affected by the difficulties associated with prison overcrowding, particularly those highlighted in the judgment in J.M.B. and Others v. France (ECHR, 30 January 2020, nos. 9671/15 and 31 others). Indeed, within these establishments, the regulations impose a maximum capacity, and it is not possible to incarcerate a number of prisoners exceeding the number of places available. These establishments are therefore never in a situation of prison overcrowding. So, if he is imprisoned in a prison to serve a final sentence, and regardless of the prison to which he may be assigned, Mr [opgeëiste persoon] will have personal space in his cell exceeding 3 m², as well as appropriate and decent material conditions of detention, access to exercise, visits, healthcare and various activities, under the same conditions as those provided in a remand centre.” Naar aanleiding van het bericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit, heeft het IRC op 24 augustus 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld: “1. Could you please inform us of whether the guaranteed 3 m2 in Beauvais remand centre, during the placement procedure, is excluding sanitary facilities? 2. Could you please confirm that, after the placement procedure, Mr [opgeëiste persoon] will be detained in a detention facility for serving his final sentence of 2 years and 9 months (not being a remand regime), and therefore he will receive at least 3 m2 of personal space (excluding sanitary facilities) in his cell?” Op 31 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geantwoord: “I confirm that the guarantee[e]d 3 m2 is excluding sanitary facilities. If Mr [opgeëiste persoon] were to serve his final sentence in a detention center (whose regime is more favorable than that of the remand centre), he will receive a minimal personal space of 3 m2 excluding sanitary facilities.” Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat aanvullende vragen moeten worden gesteld, omdat voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat zijn grondrechten bij overlevering zullen worden geschonden. Meer specifiek is sprake van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ondanks dat het een EAB betreft ter executie van een gevangenisstraf van meer dan twee jaren, gaat het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon om twee redenen eveneens op. De eerste reden daarvoor is dat, indien Frankrijk een mogelijkheid tot hoger beroep heeft willen geven aan de opgeëiste persoon – hetgeen de verdediging uit het EAB afleidt –het niet langer een executie-EAB maar een vervolgings-EAB betreft, zodat de opgeëiste persoon in het voorlopige-hechtenisregime terecht zou komen. De tweede reden is dat uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering sowieso eerst in een penitentiaire inrichting voor voorlopig gedetineerden zal worden geplaatst. De verdediging heeft geconcludeerd dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte detentiegarantie niet volstaat om het aangenomen algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat, nu geen algemeen gevaar bestaat voor personen van wie de overlevering wordt verzocht ter executie van een straf van meer dan twee jaren. De detentiegarantie kan daarom buiten beschouwing worden gelaten. Subsidiair staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg, nu de detentiegarantie het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. Uit de aanvullende informatie van 21 augustus 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid aanvankelijk in Beauvais remand centre zal worden gedetineerd, waar hij zal beschikken over 3 m² persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair. Tevens heeft de rechtbank recent een overlevering naar de penitentiaire instelling Beauvais toegestaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het voornoemde algemeen gevaar niet ziet op veroordeelden met een (rest)straf van meer dan twee jaar. Nu uit de aanvullende informatie echter volgt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie voor een niet nader bepaalde tijd zal worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring, is het eerder door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar mogelijk ook op hem van toepassing. De rechtbank overweegt dat zij gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie namelijk (uitsluitend) de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de aanvullende informatie van 21 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in Beauvais remand centre. Omdat uit de aanvullende informatie niet blijkt dat de opgeëiste persoon daar tijdelijk of op voorlopige basis zal worden gedetineerd, dient de rechtbank de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Beauvais remand centre te onderzoeken. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in eerdere aanvullende informatie andere detentie-instellingen genoemd, echter gaat de rechtbank uit van de meest recente aanvullende informatie van 21 augustus 2026. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde individuele garantie het algemene reële gevaar van schending van de grondrechten voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit af dat deze garantie inhoudt dat de opgeëiste persoon na overlevering meer dan 3 m² persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel, exclusief sanitair, tot zijn beschikking zal hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk niet aan overlevering in de weg staan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur van de Republiek te Bobigny, Frankrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Rooij, voorzitter, mrs. M. Westerman en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb Amsterdam 5 augustus 2025 ECLI:NL:RBAMS:2025:5751. Rb Amsterdam 16 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6140. HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 ( Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije) ).