# Gerechtshof Den Haag, 15-09-2026 (200.259.875, 200.317.562 en 200.344.232)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:GHDHA:2026:2810
- Date: 2026-09-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2026%3A2810
- Canonical: https://overview.legal/posts/354202

## Summary

Schorsing en hervatting i.v.m. partijwissel en afwijzing/aanhouding incidentele voderingen in procedures tussen India en Mauritiaanse investeerders met betrekking tot de vernietiging en herroeping van arbitrale vonnissen, waarin India is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de Mauritiaanse investeerders.

## Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummers hof : 200.259.875/03, 200.317.562/01, 200.344.232/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09 / HA ZA 21-674 Arrest in incidenten van 15 september 2026 in de zaken van Republiek India , zetelend in New Delhi, Republiek India, appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. I.J.A. Tax, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen 1 CC/Devas (Mauritius) Limited, gevestigd in Port Louis, Mauritius, 2. Devas Employees Mauritius Private Limited , gevestigd in Port Louis, Mauritius, 3. Telcom Devas Mauritius Limited , gevestigd in Port Louis, Mauritius, 4. CCDM Holdings LLC , gevestigd in Delaware, Verenigde Staten, 5. Devas Employees Fund US LLC , gevestigd in Delaware, Verenigde Staten, 6. Telcom Devas LLC , gevestigd in Delaware, Verenigde Staten, geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. G.J. Meijer, kantoorhoudend in Amsterdam. met als tussenkomende partij 7. [bewindvoerder] q.q. in hoedanigheid als bewindvoerder van geïntimeerden 1 t/m 3 , kantoorhoudend te Ébène Cybercity, Mauritius, advocaat: mr. S.N.J. Putter, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof zal partijen hierna India, Devas c.s. en de Administrateur noemen. In het geval van Devas c.s. zal het hof onderscheid maken tussen de Mauritiaanse vennootschappen (geïntimeerden in het principaal hoger beroep/appellanten in het incidenteel hoger beroep 1 tot en met 3) en de Amerikaanse vennootschappen (geïntimeerden in het principaal hoger beroep/appellanten in het incidenteel hoger beroep 4 tot en met 6). 1 De zaken in het kort 1.1 Dit arrest betreft betekeningen van schorsing en hervatting van de procedure en incidentele vorderingen in drie zaken tussen India en Devas c.s. die verband houden met een arbitrale procedure waarin India veroordeeld is tot het betalen van een schadevergoeding aan de Mauritiaanse vennootschappen. In twee van de drie zaken hebben Devas c.s. betekening gedaan van schorsing en hervatting van het geding op grond van artikel 225 Rv in samenhang met artikel 227 Rv in verband met de overdracht van de vorderingen uit hoofde van de arbitrale procedure door de Mauritiaanse vennootschappen aan de Amerikaanse vennootschappen. In de derde zaak heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de Amerikaanse vennootschappen in de plaats zijn getreden van de Mauritiaanse vennootschappen en komt India daartegen op in hoger beroep. De Administrateur is in Mauritius benoemd tot bewindvoerder van de Mauritiaanse vennootschappen. Hij heeft betekening gedaan van schorsing en hervatting van het geding op grond van artikel 225 Rv in samenhang met artikel 226 Rv in de drie zaken in verband met de aanstelling van een andere advocaat voor de Mauritiaanse vennootschappen op grond van artikel 226 Rv, althans tussenkomst dan wel voeging in deze zaken gevorderd op grond van artikel 217 Rv. Devas c.s. hebben daarop in de drie zaken zekerheidstelling voor de proceskosten door de Administrateur gevorderd op grond van artikel 224 Rv. India vordert in zaken 200.259.875 en 200.317.562 inzage in bepaalde stukken van Devas c.s. op grond van artikel 843 (oud) Rv en artikel 22 Rv. 1.2 Het hof oordeelt in dit arrest dat de Mauritiaanse vennootschappen de vorderingen uit hoofde van het arbitrale vonnis rechtsgeldig hebben overgedragen aan de Amerikaanse vennootschappen. Op grond daarvan laat het hof de schorsing van het geding en de hervatting daarvan op naam van de Amerikaanse vennootschappen toe in de twee procedures die het betreft. Dat heeft tot gevolg dat de Amerikaanse vennootschappen de procedures in deze zaken voortzetten, en de Mauritiaanse vennootschappen niet langer als procespartij optreden. Als gevolg van de voortzetting van de procedures door de Amerikaanse vennootschappen vervalt de grond voor schorsing en hervatting in verband met de aanstelling van een andere advocaat voor de Mauritiaanse vennootschappen door de Administrateur, en hebben Devas c.s. geen belang meer bij hun vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten. In de derde zaak, het hoger beroep tegen het rechtbankvonnis, heeft India naast de Amerikaanse vennootschappen ook de Mauritiaanse vennootschappen in hoger beroep gedagvaard. Met het oog daarop staat het hof de voeging van de Administrateur in die zaak toe, aan de zijde van de Mauritiaanse vennootschappen. De vordering van de Administrateur tot tussenkomst wijst het hof af omdat de Administrateur niet duidelijk heeft gemaakt welke vordering hij tegen Devas c.s. en India wil instellen. De inzagevordering van India in zaken 200.259.875 en 200.317.562 wijst het hof af bij gebrek aan belang, behalve voor zover het betreft stukken met betrekking tot een fraude die de Mauritiaanse vennootschappen volgens India hebben gepleegd. Voor zover het die stukken betreft houdt het hof zijn beslissing aan. 2 Procesverloop 2.1 Het verloop van de procedures blijkt uit de volgende stukken: zaak 200.259.875/03 de dagvaarding van India van 3 mei 2023, waarbij India herroeping heeft gevorderd van het arrest van dit hof van 16 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:180) gewezen tussen India en de Mauritiaanse vennootschappen; de betekening van een oorzaak voor schorsing en hervatting van het geding ex artikel 225 lid 2 jo. artikel 227 lid 1 sub a Rv van Devas c.s., met producties; de akte verweer schorsing en hervatting tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv jo. artikel 22 Rv van India, met producties; de antwoordakte inzake (i) India’s bezwaren tegen de schorsing en hervatting van het geding en (ii) India’s exhibitievorderingen van Devas c.s., met producties; de akte houdende aanpassing van eis in de 843a Rv / 22 Rv incidenten tevens houdende overlegging nadere producties van India; de aanzegging schorsing procedures, althans verzoek tot aanhouding, althans incident tot tussenkomst van de Administrateur, met producties; de antwoordakte in incidenten tot schorsing, aanhouding, tussenkomst c.q. voeging van India; de antwoordakte in incident tot tussenkomst c.q. voeging ex artikel 217 Rv van Devas c.s., met producties; de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 jo. 353 Rv van Devas c.s., met producties; de conclusie van antwoord in het incident tot zekerheidstelling van de Administrateur. zaak 200.317.562/01 de dagvaarding van India van 14 april 2022, waarbij India vernietiging vordert van de arbitrale vonnissen van 25 juni 2016 ( award on merits ) en 13 oktober 2020 ( award on quantum ) gewezen tussen India en de Mauritiaanse vennootschappen, met producties; de conclusie van antwoord van de Mauritiaanse vennootschappen, met producties; de conclusie van repliek tevens houdende incidentele vordering ex artikelen 843a en 22 Rv tevens houdende voorwaardelijk incidenteel verzoek ex artikel 208 Rv, met producties; de betekening van een oorzaak voor schorsing en hervatting van het geding ex artikel 225 lid 2 jo. artikel 227 lid 1 sub a Rv van Devas c.s., met producties; de akte verweer schorsing en hervatting tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv jo. artikel 22 Rv van India, met producties; de antwoordakte inzake (i) India’s bezwaren tegen de schorsing en hervatting van het geding en (ii) India’s exhibitievorderingen van Devas c.s., met producties; de akte houdende aanpassing van eis in de 843a Rv / 22 Rv incidenten tevens houdende overlegging nadere producties van India; de aanzegging schorsing procedures, althans verzoek tot aanhouding, althans incident tot tussenkomst van de Administrateur, met producties; de antwoordakte in incidenten tot schorsing, aanhouding, tussenkomst c.q. voeging van India; de antwoordakte in incident tot tussenkomst c.q. voeging ex artikel 217 Rv van Devas c.s., met producties; de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 jo. 353 Rv van Devas c.s., met producties; de conclusie van antwoord in het incident tot zekerheidstelling van de Administrateur. zaak 200.344.232/01 de dagvaarding van India van 22 januari 2024, waarbij India hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2023, gewezen tussen India en Devas c.s.; in dit vonnis heeft de rechtbank de vordering van India tot vernietiging van het award on quantum afgewezen; het herstelexploot van dagvaarding van India van 8 februari 2024; de memorie van grieven van India, met producties; de aanzegging schorsing procedures, althans verzoek tot aanhouding, althans incident tot tussenkomst van de Administrateur, met producties; de memorie van antwoord van Devas c.s., met producties; de antwoordakte in incidenten tot schorsing, aanhouding, tussenkomst c.q. voeging van India; de antwoordakte in incident tot tussenkomst c.q. voeging ex artikel 217 Rv van Devas c.s., met producties; de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 jo. 353 Rv van Devas c.s., met producties; de conclusie van antwoord in het incident tot zekerheidstelling van de Administrateur. 2.2 Op 13 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling is het verzoek tot schorsing, aanhouding, tussenkomst c.q. voeging van de Administrateur en het verzoek van Devas c.s. tot zekerheidstelling voor proceskosten door de Administrateur behandeld. India en Devas c.s. hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog een aantal producties overgelegd. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 2.3 Op 16 juni 2026 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn het verzoek tot schorsing en hervatting van Devas c.s. en het inzageverzoek van India behandeld. India heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog een aantal producties overgelegd. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De Mauritiaanse vennootschappen zijn indirecte aandeelhouders van de Indiase vennootschap Devas Multimedia Private Limited (Devas Multimedia). Devas Multimedia heeft op 28 januari 2005 een overeenkomst gesloten met Antrix Corporation Limited (Antrix), een deelneming van India, met betrekking tot de exploitatie van Indiase satellieten. Deze overeenkomst is op 25 februari 2011 door Antrix beëindigd. 3.2 De Mauritiaanse vennootschappen hebben naar aanleiding van de beëindiging van de overeenkomst een arbitrale procedure tegen India aanhangig gemaakt op grond van een bilateraal investeringsverdrag tussen India en de Republiek Mauritius. De plaats van arbitrage was Den Haag. In de award on merits van 25 juli 2016 heeft het scheidsgerecht beslist dat de beëindiging van de overeenkomst door Antrix kan worden toegerekend aan India en dat India 40% van de investeringen van de Mauritiaanse vennootschappen heeft onteigend door de overeenkomst te beëindigen. 3.3 De rechtbank Den Haag heeft India’s vordering tot vernietiging van de award on merits afgewezen bij vonnis van 14 november 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:15532). Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd in zijn arrest van 16 februari 2021. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep dat India tegen dit arrest heeft ingesteld verworpen bij arrest van 3 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:139). 3.4 Op 13 oktober 2020 heeft het scheidsgerecht de award on quantum gewezen, waarbij het de waarde van de investeringen van de Mauritiaanse vennootschappen heeft bepaald op USD 740 miljoen en India heeft veroordeeld om een schadevergoeding te betalen aan de Mauritiaanse vennootschappen van 40% van USD 740 miljoen. 3.5 De Mauritiaanse vennootschappen hebben hun vorderingen uit hoofde van het award on quantum op 24 december 2021 overgedragen aan de Amerikaanse vennootschappen. De Amerikaanse vennootschappen houden de aandelen in de Mauritiaanse vennootschappen. 3.6 Op 11 augustus 2016 heeft het Indiase Central Bureau of Investigation (CBI) een zogenoemde charge sheet ingediend bij de rechter in India, met het oog op de opening van een strafrechtelijke procedure tegen de Indiase ambtenaren die de overeenkomst tussen Devas Multimedia en Antrix hadden goedgekeurd. Op 8 januari 2019 is een supplementary charge sheet ingediend. Op grond van deze charge sheets heeft Antrix een verzoek tot liquidatie van Devas Multimedia ingediend bij het Indiase National Company Law Tribunal (NCLT). Het NCLT heeft dit verzoek op 25 mei 2021 toegewezen. Het hoger beroep van Devas Multimedia en een van de Mauritiaanse vennootschappen tegen deze beslissing is verworpen bij beslissing van 8 september 2021 van het National Company Law Appellate Tribunal . Tegen deze beslissing hebben de Mauritiaanse vennootschappen en de voormalige bestuurder van Devas Multimedia beroep ingesteld bij de Indiase Supreme Court , die dat beroep heeft verworpen bij arrest van 17 januari 2022. In dat arrest heeft de Supreme Court overwogen dat Devas Multimedia zich schuldig heeft gemaakt aan fraude en dat deze fraude aan de Mauritiaanse vennootschappen kan worden tegengeworpen. Naar aanleiding van het arrest van de Supreme Court is India de onderhavige drie procedures begonnen. 3.7 Eind 2021 heeft India verzoeken ingediend bij de Mauritiaanse autoriteiten op grond van een verdrag tussen India en Mauritius inzake wederzijdse juridische ondersteuning met als doel activa van de Mauritiaanse vennootschappen te bevriezen en financiële informatie over deze vennootschappen te verkrijgen. Op 28 april 2023 en 2 mei 2023 is de Administrateur benoemd als bewindvoerder van de Mauritiaanse vennootschappen. De benoeming van de Administrateur wordt aangevochten door de Mauritiaanse vennootschappen in procedures in Mauritius. 3.8 In de procedure bij de rechtbank Den Haag waarin India vernietiging van de award on quantum heeft gevorderd, heeft de rechtbank in het vonnis van 25 oktober 2023 de vordering van India afgewezen. Verder heeft de rechtbank naar aanleiding van een verzoek tot schorsing en hervatting van de Mauritiaanse vennootschappen vastgesteld dat deze vennootschappen de vorderingen toegewezen in de arbitrale procedure rechtsgeldig hebben overgedragen aan de Amerikaanse vennootschappen. Met het oog daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat India geen belang meer had bij haar incidentele vordering op grond van artikel 843a (oud) Rv tot inzage van stukken met betrekking tot de overdracht van de vorderingen. 3.9 In een separate procedure heeft het hof in een beschikking van 17 december 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2384) Devas Multimedia America Inc. (DMAI), een dochtervennootschap van Devas Multimedia, verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis van 14 september 2015 gewezen tussen Devas Multimedia en Antrix. In dat arbitrale vonnis heeft het scheidsgerecht Antrix veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van USD 562,5 miljoen aan Devas Multimedia in verband met de beëindiging van de overeenkomst tussen Devas Multimedia en Antrix. In de beschikking van 17 december 2024 heeft het hof overwogen dat de liquidatie van Devas Multimedia die gehonoreerd is door de Indiase Supreme Court (zie hiervoor, 3.6) niet in Nederland kan worden erkend omdat de procedure in India niet heeft voldaan aan de eisen van behoorlijke rechtspleging. Verder heeft het hof overwogen dat de uitspraak van de High Court van New Delhi van 29 augustus 2022, waarbij het arbitrale vonnis gewezen tussen Devas Multimedia en Antrix was vernietigd, evenmin in Nederland kan worden erkend omdat dit voortbouwt op de liquidatie-uitspraak en daarmee ook is besmet met het fundamentele gebrek dat aan die uitspraak kleeft. Antrix had nog twee andere weigeringsgronden voor de verzochte tenuitvoerlegging aangevoerd (strijd met openbare orde en onregelmatigheden in de samenstelling van het scheidsgerecht en de arbitrale procedure) die het hof eveneens heeft verworpen. Het cassatieberoep van Antrix tegen deze beschikking is verworpen door de Hoge Raad bij beschikking van 6 maart 2026 (ECLI:NL:HR:2026:363). 4. De betekeningen van de oorzaak van schorsing en hervatting en de incidentele vorderingen Betekening van de oorzaak van schorsing en hervatting van Devas c.s. 4.1 Devas c.s. hebben in zaken 200.259.875/03 en 200.317.562/01 een oorzaak van schorsing en hervatting van het geding op grond van artikel 225 Rv in samenhang met artikel 227 Rv betekend in verband met de overdracht van de vorderingen van de Mauritiaanse vennootschappen uit hoofde van het arbitrale vonnis aan de Amerikaanse vennootschappen. India heeft verweer gevoerd. Betekening van de oorzaak van schorsing en hervatting van de Administrateur 4.2 De administrateur heeft in de drie zaken een oorzaak van schorsing en hervatting van het geding op grond van artikel 225 Rv in samenhang met artikel 226 Rv betekend in verband met het de aanstelling van een andere advocaat voor de Mauritiaanse vennootschappen. Devas c.s. hebben verweer gevoerd. Subsidiair heeft de Administrateur tussenkomst, dan wel voeging in de drie zaken gevorderd. Daartegen hebben Devas c.s. geen verweer gevoerd. India heeft evenmin verweer gevoerd. Incidentele vordering tot zekerheidstelling 4.3 Devas c.s. hebben in de drie zaken zekerheidstelling van de Administrateur voor de proceskosten gevorderd. De Administrateur heeft verweer gevoerd. Incidentele vordering tot inzage van stukken 4.4 India heeft in zaken 200.259.875 en 200.317.562 op grond van artikel 843a (oud) Rv en artikel 22 Rv inzage in bepaalde documenten van Devas c.s. gevorderd. Devas c.s. hebben verweer gevoerd. 5 Beoordeling I. Betekening van de oorzaak van schorsing en hervatting van Devas c.s. 5.1 Het hof zal eerst de oorzaak van schorsing en hervatting betekend door Devas c.s. bespreken. 5.2 De Mauritiaanse vennootschappen hebben bij drie cessie-akten van 24 december 2021 de vorderingen op India die het scheidsgerecht heeft toegewezen in het award on quantum overgedragen aan de Amerikaanse vennootschappen. De cessies zijn op 10 januari 2022 medegedeeld aan de Amerikaanse advocaat van India in een procedure tussen Devas c.s. en India ten overstaan van de District Court van het district Columbia in de Verenigde Staten. Devas c.s. stellen dat zij met de cessies willen voorkomen dat India via de Mauritiaanse autoriteiten, die India welgezind zijn, controle verkrijgt over de vorderingen. Zij zien de benoeming van de Administrateur als een poging daartoe. 5.3 India bestrijdt de geldigheid van de cessie-akten, en daarmee de oorzaak van de schorsing en hervatting. 5.4 Volgens artikel 10 van de cessie-akten zijn zij onderworpen aan Engels recht. Het hof zal de geldigheid van de cessie-akten daarom naar Engels recht beoordelen (vgl. artikel 10:135 BW). Engels recht stelt de volgende vereisten aan een geldige cessie van een vordering: (i) onvoorwaardelijkheid, (ii) de cessie heeft niet uitsluitend tot doel om als pand (‘ by way of charge ’) te dienen, (iii) bepaalbaarheid, waarbij als nadere eis geldt dat de cessie niet slechts betrekking heeft op een deel van de vordering, (iv) schriftelijke vastlegging, en (v) schriftelijke mededeling aan de schuldenaar. 5.5 India bestrijdt niet dat de cessie-akten aan deze vereisten voldoen. Volgens India zijn de cessies niettemin ongeldig, omdat (i) de cessies zogenoemde sham agreements zijn, zonder rechtsgevolg, (ii) de cessies paulianeus zijn, (iii) de cessies in strijd zijn met het Engelsrechtelijke verbod op maintenance and champerty en (iv) de cessies verboden en nietig zijn op grond van Mauritiaans recht. Verder stelt India dat het beroep op artikel 225 in samenhang met artikel 227 Rv misbruik van recht oplevert, dan wel in strijd is met de goede procesorde (v). Ten slotte is de partijwissel volgens India onverenigbaar met het persoonlijke karakter van investeringsarbitrage (vi). Ad (i): sham agreements 5.6 Volgens India zijn de cessies sham agreements zonder rechtsgevolg omdat zij in feite een overdracht om niet van de Mauritiaanse vennootschappen aan de Amerikaanse vennootschappen behelzen. De Promissory Notes die de Amerikaanse vennootschappen hebben gegeven in ruil voor de overdracht vervallen immers in geval van een Change of Control van de Amerikaanse vennootschappen over de Mauritiaanse vennootschappen, die de Amerikaanse vennootschappen op ieder moment door een ondergeschikte wijziging in de controle over de Mauritiaanse vennootschappen teweeg kunnen brengen. 5.7 Het hof volgt India niet in deze stelling. Van sham agreements is pas sprake als er duidelijk bewijs is dat de contractspartijen de bedoeling hebben andere rechten en verplichtingen aan te gaan dan uit de overeenkomst blijkt. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om cessies ter incasso in intra-concern verhoudingen; de Amerikaanse vennootschappen zijn de enige aandeelhouders in de Mauritiaanse vennootschappen. Er kunnen allerlei legitieme redenen zijn waarom er in intra-concernverhoudingen voor wordt gekozen vorderingen van de dochters door de moeders te laten incasseren. In dit geval hebben de partijen een daadwerkelijk commercieel belang (een genuine commercial interest ) bij de overdracht gezien de dreiging dat de Mauritiaanse vennootschappen de controle over de quantum vorderingen verliezen. De liquidatie van Devas Multimedia in India, het verzoek dat India heeft ingediend bij de Mauritiaanse autoriteiten en de daaropvolgende benoeming van de Administrateur zijn aanwijzingen dat die dreiging reëel is. Gelet op die dreiging is het verklaarbaar dat de betalingsverplichtingen van de Amerikaanse vennootschappen onder de Promissory Notes komen te vervallen als zij niet langer de volledige controle hebben over de Mauritiaanse vennootschappen. Ad (ii): zijn de cessies paulianeus? 5.8 India stelt ook dat de cessies paulianeus zijn, omdat de benoeming van de Administrateur een Change of Control oplevert waardoor de betalingsverplichting van de Amerikaanse vennootschappen vervalt. India lijkt zich daarbij zowel op Engels recht als op Mauritiaans recht te beroepen. Devas c.s. hebben uiteengezet dat naar Nederlands internationaal privaatrecht het recht van Mauritius van toepassing is op een pauliana vordering, als het recht dat van toepassing is op een faillissement van de Mauritiaanse vennootschappen (de lex concursus ), of buiten faillissement, als het recht van de woonplaats van de schuldenaar (de lex domicilii debitoris ). Verder hebben Devas c.s. toegelicht dat naar Mauritiaans recht een succesvol beroep op een actio pauliana tot gevolg heeft dat de overeenkomst niet kan worden afgedwongen ten opzichte van de benadeelde schuldeiser, maar de overeenkomst niet nietig of vernietigbaar maakt. 5.9 Het hof volgt Devas c.s. in dit opzicht. Niet is gebleken dat een benadeelde schuldeiser van Devas c.s. een beroep heeft gedaan op de actio pauliana. India is geen schuldeiser van de Mauritiaanse vennootschappen. Daarmee faalt het beroep van India op het beweerdelijke paulianeuze karakter van de cessies. Ad (iii): verbod van maintenance and champerty 5.10 Het leerstuk van maintenance and champerty is ontwikkeld in de Engelse rechtspraak om de integriteit van juridische procedures te beschermen. De bedoeling van het leerstuk is om te voorkomen dat derden zich zonder legitiem belang in een juridische procedure mengen en de procesorde verstoren. Maintenance is het ondersteunen van een procedure door een derde die daarbij geen legitiem belang heeft. Champerty is een specifieke vorm van maintenance waarbij de derde in ruil voor zijn ondersteuning een aandeel verkrijgt in de met de procedure te genereren opbrengsten. Zowel India als Devas c.s. verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Engelse House of Lords in de zaak Trendtex , waarin de House of Lords onder meer het volgende heeft overwogen: “It remains a fundamental principle of English law that one cannot assign a bare right to litigate. If, however, the assignment is of a property right or interest, or if the assignee has a genuine commercial interest in taking the assignment and in enforcing it for his own benefit, there is no reason why the assignment should be struck down as an assignment of a bare cause of action or as savouring of maintenance. ” 5.11 Volgens India geldt het verbod op maintenance and champerty ook in deze procedure, aangezien de cessies zijn onderworpen aan Engels recht. India stelt dat de cessies in strijd zijn met het verbod op maintenance and champerty omdat de Amerikaanse vennootschappen geen daadwerkelijk commercieel belang hebben bij de cessies, aangezien de opbrengsten van de executie van de quantum vorderingen al zonder de cessies volledig aan hen ten goede komen als moedervennootschappen van de Mauritiaanse vennootschappen. Verder stelt India dat een commercieel belang van de Amerikaanse vennootschappen bij de cessies ontbreekt omdat zij op elk gewenst moment kunnen bewerkstelligen dat de quantum vorderingen om niet aan hen toekomen. Voor de onderbouwing van die stelling verwijst India naar haar betoog dat de cessies sham agreements zijn. 5.12 Devas c.s. stellen dat het verbod op maintenance and champerty tot doel heeft de integriteit van procedures gevoerd ten overstaan van de Engelse rechter te beschermen, en dus niet van toepassing is in deze procedure. Verder betwisten Devas c.s. dat de cessies met het verbod in strijd zijn. 5.13 Naar het oordeel van het hof is het verbod van maintenance and champerty een Engels procesrechtelijk beginsel, ontwikkeld om de integriteit van procedures ten overstaan van de Engelse rechter te beschermen. Dat betekent dat in een procedure in Nederland geen beroep op dit beginsel kan worden gedaan. Ook als dat wel mogelijk zou zijn, dan volgt het hof India niet in haar stelling dat de cessies met het verbod in strijd zijn. De argumenten die India daartoe aanvoert zijn in de eerste plaats tegenstrijdig (als de Amerikaanse vennootschappen geen commercieel belang hebben bij de cessies omdat de opbrengsten van de vorderingen al volledig aan hen toekomen als aandeelhouders van de Mauritiaanse vennootschappen, valt niet in te zien hoe de cessies met het verbod van maintenance and champerty in strijd kunnen zijn om de reden dat de Amerikaanse vennootschappen een disproportioneel aandeel in de opbrengsten van de quantum vorderingen verkrijgen). Maar ook op zichzelf bezien zijn beide argumenten ongegrond. Het argument dat de Amerikaanse vennootschappen geen commercieel belang hebben bij de cessies omdat de opbrengsten van de vorderingen al volledig aan hen toekomen als aandeelhouders van de Mauritiaanse vennootschappen miskent dat het gaat om verschillende vennootschappen die niet zomaar kunnen worden vereenzelvigd. Verder is het aandeel van de Amerikaanse vennootschappen in de opbrengst van de quantum vorderingen niet disproportioneel. Op grond van de Promissory Notes dragen de Amerikaanse vennootschappen 99% van de opbrengst van de quantum vorderingen af aan de Mauritiaanse vennootschappen. Deze betalingsverplichting vervalt als de Amerikaanse vennootschappen niet langer de volledige controle over de Mauritiaanse vennootschappen hebben. Dat is niet disproportioneel aangezien de cessies bedoeld zijn als bescherming tegen ingrepen van buiten waardoor de Mauritiaanse vennootschappen de quantum vorderingen niet kunnen innen. Ad (iv): strijd met Mauritiaans recht 5.14 India betoogt verder dat de cessies naar Mauritiaans recht verboden en nietig zijn, omdat zij een verboden doel hebben (het in stand houden van fraude), dan wel ertoe strekken de Mauritiaanse rechtsgang te ontlopen, en omdat niet is voldaan aan dwingendrechtelijke Mauritiaanse formaliteiten. Volgens India is Mauritiaans recht van toepassing omdat de cessies in Mauritius moeten worden uitgevoerd, en Mauritiaanse partijen Mauritiaanse bepalingen van openbare orde niet kunnen omzeilen door een keuze voor een ander recht. 5.15 Devas c.s. bestrijden de toepasselijkheid van Mauritiaans recht. Volgens hen is er naar Engels recht geen plaats voor de toepassing van Mauritiaans recht, en biedt ook artikel 9 lid 3 Rome I geen aanknopingspunt voor de toepassing van Mauritiaans recht. Op grond van artikel 9 lid 3 Rome I kan de rechter gevolg toekennen aan de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land waar de verbintenissen krachtens de overeenkomst moeten worden nagekomen, voor zover die bepalingen de tenuitvoerlegging van de overeenkomst onwettig maken. Volgens Devas c.s. moeten de cessies in Delaware in de Verenigde Staten en niet in Mauritius worden nagekomen, en maken de door India ingeroepen bepalingen van Mauritiaans recht de tenuitvoerlegging van de overeenkomst niet onwettig. 5.16 Het hof verwerpt ook dit betoog van India. Partijen bij de cessies hebben gekozen voor Engels recht. Naar Engels recht kan een overeenkomst niet ten uitvoer worden gelegd als de tenuitvoerlegging verboden is op grond van het recht van de plaats waar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden. India heeft haar stelling dat de cessies in Mauritius ten uitvoer moeten worden gelegd, onderbouwd met een beroep op de opinie van haar Engelsrechtelijke deskundige, [deskundige 1] KC. Volgens [deskundige 1] is Mauritius de plaats van tenuitvoerlegging, aangezien de kernverplichting wordt gevormd door de verplichting van de Mauritiaanse vennootschappen om de quantum vorderingen over te dragen aan de Amerikaanse vennootschappen. De Engelsrechtelijke deskundige van Devas c.s., [deskundige 2] KC, wijst er naar het oordeel van het hof echter terecht op dat die kernverplichting in Delaware moet worden uitgevoerd, omdat naar analogie van een overeenkomst voor de levering van goederen, een vordering moet worden overgedragen aan de ontvanger in de plaats van vestiging van de ontvanger. Dat is in dit geval Delaware, aangezien de Amerikaanse vennootschappen daar zijn gevestigd. 5.17 Nederlands internationaal privaatrecht, en in het bijzonder artikel 9 lid 3 Rome I, leidt tot eenzelfde uitkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of bepalingen van Mauritiaans recht de tenuitvoerlegging van de cessies onwettig maken. Dat kan echter in het midden blijven, omdat op grond van artikel 9 lid 3 Rome I een aanknopingspunt voor de toepassing van Mauritiaans recht ontbreekt. Als al gevolg zou moeten worden toegekend aan dwingendrechtelijke bepalingen van het recht van een ander land dan Engeland, dan zou dat in dit geval naar het oordeel van het hof het recht van de staat Delaware moeten zijn als de plaats waar de vorderingen aan de Amerikaanse vennootschappen moeten worden overgedragen. Ad (v): misbruik van recht/strijd met goede procesorde 5.18 India heeft ook gesteld dat India onredelijk in haar belangen wordt geschaad door de schorsing en hervatting, althans dat de schorsing en hervatting misbruik van recht opleveren, dan wel in strijd zijn met de goede procesorde. Volgens India hebben Devas c.s. geen rechtens beschermingswaardig belang bij hun beroep op artikel 225 en 227 Rv, omdat de Amerikaanse vennootschappen al de nodige inspanningen kunnen verrichten ten behoeve van het incasseren van de quantum vorderingen als enig aandeelhouders van de Mauritiaanse vennootschappen, en de cessies een ‘vestzak-broekzak’ transactie zijn waardoor de rechtspositie van beide partijen niet materieel wordt gewijzigd. Daarentegen schaadt de beoogde partijwissel de belangen van India, omdat zij het eventuele verhaal van arbitrage- en proceskosten en de eventuele terugvordering van bedragen betaald uit hoofde van de quantum vorderingen kunnen frustreren, en Devas c.s. met de partijwissel aan hun exhibitieverplichtingen op grond van artikel 843a (oud) Rv en 22 Rv zouden kunnen ontkomen. Daarom zouden de Mauritiaanse vennootschappen in ieder geval partij moeten blijven in deze procedure voor zover het betreft de exhibitievorderingen van India. In dit verband heeft India verder gesteld dat het waarschijnlijk is dat Devas c.s. afspraken hebben gemaakt met ‘aasgierfondsen’ over de financiering van de incasso van de quantum vorderingen. Dat zou onder meer blijken uit het feit dat Devas c.s. de heer [naam] als adviseur hebben benoemd, die een slechte reputatie heeft op dit gebied. Als gevolg van de cessies zou India aan de onrechtmatige praktijken van deze ‘aasgierfondsen’ worden overgeleverd. 5.19 Devas c.s. voeren aan dat voor schorsing en hervatting volstaat dat de quantum vorderingen zijn gecedeerd en dat de cessie aan India is betekend. Een aanzegging tot schorsing en hervatting is immers geen vordering waarbij een partij een belang moet hebben. Daarbij stellen Devas c.s. dat zij wel degelijk een rechtens beschermenswaardig belang hebben bij de partijwissel, namelijk het voorkomen dat India langs oneigenlijke weg de quantum vorderingen verkrijgt. Devas c.s. bestrijden dat de rechtmatige belangen van India door de partijwissel worden geschaad, aangezien de Amerikaanse vennootschappen in het voorkomende geval gehouden zijn om te voldoen aan de exhibitievorderingen en proceskostenveroordelingen. Verder betwisten Devas c.s. dat de partijwissel in strijd is met de goede procesorde en dat ‘aasgierfondsen’ bij de cessies zijn betrokken. [naam] treedt op als externe adviseur en is niet betrokken bij de cessies. 5.20 Naar het oordeel van het hof hebben Devas c.s. een genuine commercial interest bij de cessie (vgl. 5.7 van dit arrest). De partijwissel is een automatisch gevolg van de cessie; daarvoor is geen afzonderlijk belang vereist. De stelling van India dat de cessie en de partijwissel geen ander doel dienen dan het schaden van de belangen van India is dus ongegrond. De wet voorziet in de mogelijkheid van een partijwissel in geval van een cessie. Waarom de betekening van de partijwissel desalniettemin in strijd zou zijn met de goede procesorde, heeft India niet of althans niet voldoende toegelicht. Mocht India op enig moment een vordering krijgen op de Mauritiaanse vennootschappen tot (terug)betaling van arbitragekosten of bedragen betaald uit hoofde van de quantum vorderingen, dan valt niet in te zien hoe de partijwissel aan het verhaal daarvan in de weg zou kunnen staan. In dat verband herinnert het hof eraan dat – behoudens de situatie van change of control – 99% van de opbrengst van de quantum vorderingen op grond van de cessies aan de Mauritiaanse vennootschappen ten goede komt. De betrokkenheid van ‘aasgierfondsen’ is uitdrukkelijk betwist door Devas c.s. en door India niet of althans niet voldoende onderbouwd. De vraag of de Mauritiaanse vennootschappen partij zouden moeten blijven in de procedure voor zover het betreft de exhibitievorderingen zal het hof in het kader van die vorderingen bespreken. Het hof ziet niet in waarom India er in het licht van het arrest van het Indiase Supreme Court van 17 januari 2022 belang bij heeft dat de Mauritiaanse vennootschappen partij blijven in dit geding. Het staat haar sowieso vrij zich in andere procedures op dat arrest te beroepen en over de waardering daarvan zal dan in die procedures moeten worden beslist. Ad (vi): partijwissel onverenigbaar met investeringsarbitrage? 5.21 India heeft tijdens de mondelinge behandeling op 16 juni 2026 een beroep gedaan op een uitspraak van de Engelse High Court van 10 november 2025 in de zaak OperaFund , die zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft overgelegd. In deze uitspraak concludeert de High Court dat vorderingen uit hoofde van arbitrale vonnissen onder de Energy Charter Treaty (ECT) niet overdraagbaar zijn. Onder verwijzing naar deze uitspraak stelt India dat de cessies niet rechtsgeldig zijn. Devas c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen deze stelling, die volgens hen neerkomt op een nieuwe grief tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2023 in zaak 200.344.232 en daarmee in strijd is met de tweeconclusieregel. 5.22 Het hof laat in het midden of deze stelling als een nieuwe grief kan worden gezien. Ook als dat niet zo is, volgt het hof India niet in haar standpunt dat vorderingen uit hoofde van een arbitraal vonnis gewezen in een investeringsarbitrage niet overdraagbaar zijn. Het investeringsverdrag tussen India en Mauritius voorziet niet in de overdraagbaarheid van (rechten voortkomend uit) investeringen, maar sluit die ook niet uit. Het ligt naar het oordeel van het hof niet voor de hand om aan het ontbreken van een bepaling inzake de overdracht van deze rechten de conclusie te verbinden dat het verdrag die mogelijkheid uitsluit, gezien het doel van investeringsverdragen. Het uitsluiten van die mogelijkheid zou mogelijk een rem zijn op investeringen, terwijl deze verdragen juist worden gesloten om investeringen aan te moedigen. India heeft gewezen op artikel 10 van het investeringsverdrag, dat voorziet in de mogelijkheid van subrogatie door het thuisland in de rechten van een investeerder, als het thuisland een garantie heeft verleend aan de investeerder en het thuisland op grond daarvan een betaling aan die investeerder heeft gedaan. Die laatste bepaling heeft betrekking op een specifieke situatie waarbij het thuisland zelf in plaats van de investeerder een procedure tegen het gastland kan beginnen. Mede gezien het eerdergenoemde doel van investeringsverdragen, kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat de opstellers van het verdrag met artikel 10 niet alleen bedoeld hebben om in deze specifieke vorm van subrogatie te voorzien, maar daarmee ook om iedere andere vorm van overdracht van rechten voor én na een gewezen arbitraal vonnis uit te sluiten. 5.23 India heeft verder gewezen op het intuitu personae karakter van investeringsarbitrage. Volgens India druisen de cessies in tegen dat persoonlijke karakter. Het is juist dat investeringsverdragen eisen stellen aan een investeerder die een beroep kan doen op de bescherming van zijn investering onder het verdrag. Het aanbod van het gastland onder het verdrag om een geschil omtrent investeringen aan arbitrage te onderwerpen geldt jegens investeerders die aan die eisen voldoen. In zoverre heeft het aanbod een persoonlijk karakter. Dat sluit echter niet uit dat als eenmaal is vastgesteld dat een investeerder een vordering heeft jegens het gastland onder het verdrag, die vordering aan een ander kan worden overgedragen. 5.24 Ten slotte heeft India een beroep gedaan op een uitspraak van het Parijse Cour d’Appel van 10 september 2024 in hetzelfde geschil tussen Devas c.s. en India, waarin het Cour d’Appel het volgende heeft overwogen (in de Nederlandse vertaling overgelegd door India): “ Immers, zelfs indien en voor zover de Amerikaanse vennootschappen krachtens de assignment agreements een vordering voortvloeiend uit de betwiste arbitrale vonnissen gecedeerd hebben gekregen, en zelfs indien zij belang zouden hebben bij de tenuitvoerlegging van dat arbitrale vonnis om de genoemde vordering te innen, kunnen zij zich niet beroepen op overdracht van het recht een vordering tot vernietiging van het vonnis in te stellen, noch op overdracht van het recht appel in te stellen tegen de beschikking waarbij exequatur is verleend omdat die rechten strikt gebonden zijn aan de hoedanigheid van de desbetreffende procespartij bij de arbitrage, welke rechten uitsluitend toekomen aan de partijen bij het vonnis of aan derden die daarbij als partij zijn toegelaten, waarvan in dit geval geen sprake is. ” 5.25 Het hof neemt aan dat de Cour d’Appel met de verwijzing in het laatste deel van deze overweging naar “ (…) de partijen bij het vonnis of (…) derden die daarbij als partij zijn toegelaten ”, doelt op partijen bij het vonnis waarvan bij het Cour d’Appel beroep is ingesteld. Daarmee is de strekking van deze overweging kennelijk dat alleen de procespartijen zelf hoger beroep tegen het vonnis kunnen instellen. Dat sluit overdracht van de quantum vorderingen niet uit. Tussenconclusie 5.26 Op grond van het voorgaande verwerpt het hof de bezwaren van India tegen de betekende schorsing en hervatting, en stelt het hof vast dat in de twee procedures die het betreft (zaak 200.259.875 en zaak 200.317.562), de Amerikaanse vennootschappen de plaats van de Mauritiaanse vennootschappen hebben ingenomen. II. De schorsing, aanhouding, tussenkomst c.q. voeging aangezegd door de Administrateur 5.27 Aangezien in zaken 200.259.875 en 200.317.562 de Amerikaanse vennootschappen de plaats van de Mauritiaanse vennootschappen hebben ingenomen, ontbreekt de grondslag voor de aanzegging tot schorsing, dan wel het verzoek tot aanhouding van de procedures in deze zaken van de Administrateur. De Administrateur is immers benoemd als administrateur van de Mauritiaanse vennootschappen en deze zijn geen partij meer in deze procedures. Het hof zal de Administrateur daarom niet-ontvankelijk verklaren in de aangezegde schorsing en het verzoek tot aanhouding in zaken 200.259.875 en 200.317.562. Verder zal het hof de Administrateur niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot tussenkomst in alle drie de zaken, aangezien hij niet duidelijk heeft gemaakt welke vorderingen hij als tussenkomende partij tegen Devas c.s. en India wenst in te stellen. 5.28 De rechtbank heeft in haar vonnis van 25 oktober 2023 de partijwissel toegelaten. India heeft haar hoger beroep tegen dit vonnis in zaak 200.344.232 ook gericht tegen de Mauritiaanse vennootschappen, die daarmee naast de Amerikaanse vennootschappen partij zijn in het hoger beroep. Devas c.s. en India hebben geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot voeging van de Administrateur. Daarom zal het hof de Administrateur in zijn hoedanigheid van administrateur van de Mauritiaanse vennootschappen toelaten tot het hoger beroep in zaak 200.344.232 als gevoegde partij aan de zijde van de Mauritiaanse vennootschappen. Het hof zal de beslissing op het verzoek van de Administrateur om mr. Meijer als advocaat van de Mauritiaanse vennootschappen te vervangen door mr. Putter aanhouden totdat definitief is beslist op de bezwaren van de Mauritaanse vennootschappen tegen de benoeming van de Administrateur. III. Zekerheidstelling voor proceskosten door de Administrateur 5.29 Aangezien de Amerikaanse vennootschappen de plaats van de Mauritiaanse vennootschappen hebben ingenomen in zaken 200.259.875 en 200.344.232, en de Administrateur daarmee geen partij wordt in deze zaken, vervalt het belang van Devas c.s. bij zekerheidstelling voor de proceskosten door de Administrateur in deze zaken. 5.30 In zaak 200.344.232 wordt de Administrateur toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de Mauritiaanse vennootschappen. Als zodanig wordt de Administrateur niet geacht een standpunt in te nemen dat indruist tegen het belang van de Mauritiaanse vennootschappen. Het hof is daarom vooralsnog van oordeel dat Devas c.s. geen belang hebben bij hun verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten door de Administrateur als gevoegde partij in zaak 200.344.232. Mocht de procesopstelling van de Administrateur een vorm aannemen die een dergelijk verzoek alsnog zou kunnen rechtvaardigen, kunnen Devas c.s. een nieuw verzoek indienen. IV. Het verzoek van India op grond van artikel 843a (oud) Rv en artikel 22 Rv 5.31 India vordert op grond van artikel 843a (oud) Rv afschriften van drie categorieën stukken: i) stukken met betrekking tot de cessie-akten en de Promissory Notes ; met deze stukken wil India onderbouwen dat de cessies sham agreements zijn en/of een overtreding van het verbod van maintenance and champerty inhouden; ii) stukken met betrekking tot mediacampagnes en financiële arrangementen met derden, waaronder in het bijzonder [naam]; met deze stukken wil India nagaan of de quantum vorderingen onderdeel uitmaken van financiële arrangementen met aasgierfondsen; iii) stukken met betrekking tot de fraude gepleegd door de Mauritiaanse vennootschappen; volgens India hebben de Mauritiaanse vennootschappen zich schuldig gemaakt aan fraude door de in India geïnvesteerde gelden weg te sluizen naar de Amerikaanse vennootschappen. 5.32 Het hof zal de exhibitievorderingen met betrekking tot de eerste twee categorieën stukken afwijzen. De beslissing op de exhibitievordering met betrekking tot de derde categorie stukken zal het hof aanhouden tot de beoordeling van de door India gestelde fraude, en in het bijzonder de vraag of de fraudebeschuldigingen afstuiten op het gezag van gewijsde van de beslissingen daarover in het arrest van het hof van 16 februari 2021. Het hof zal deze oordelen hierna toelichten. 5.33 De cessie-akten en de Promissory Notes zijn overgelegd. Daarin zijn de afspraken tussen de Mauritiaanse en de Amerikaanse vennootschappen met betrekking tot de cessies vastgelegd. Het hof heeft hiervoor de stellingen van India dat het om sham agreements gaat en dat de cessies in strijd zijn met het verbod van maintenance and champerty beoordeeld en verworpen. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat Devas c.s. een genuine commercial interest bij de cessie hebben gezien de dreiging dat de Mauritiaanse vennootschappen de controle over de quantum vorderingen verliezen. India verlangt inzage in alle overeenkomsten en afspraken die gelieerd zijn aan de cessie-akten en de Promissory Notes omdat daarmee nader zou kunnen worden onderbouwd dat het sham agreements zijn en/of dat de cessies in strijd zijn met het verbod van maintenance and champerty. India heeft echter niets gesteld, laat staan onderbouwd, waaruit volgt dat de cessies een ander doel hebben dan de bescherming van de quantum vorderingen tegen ingrepen op verzoek van India, of dat de Amerikaanse vennootschappen een disproportioneel aandeel hebben in de opbrengst van de vorderingen. Onder die omstandigheden komt de vordering van India neer op een fishing expedition , waarbij India geen door artikel 843a (oud) Rv beschermd belang heeft. Hetzelfde geldt voor de gevorderde afschriften van stukken waaruit zou moeten blijken dat aasgierfondsen financiële belangen hebben verkregen bij (de incasso van) de quantum vorderingen. Het enige wat India daartoe heeft gesteld is de betrokkenheid van [naam], die volgens haar een reputatie heeft op dit gebied. Uit de cessie-akten blijkt dat de quantum vorderingen aan de Amerikaanse vennootschappen zijn overgedragen, waar dezelfde personen aan het roer staan als bij de Mauritiaanse vennootschappen. Er is niets dat erop wijst dat derden, waaronder [naam], financiële belangen hebben verkregen bij de incasso van de quantum vorderingen, en dat zou kunnen rechtvaardigen dat Devas c.s. afschriften moeten overleggen van stukken die deze stelling van India zouden kunnen ondersteunen. 5.34 Ten aanzien van de fraudebeschuldigingen van India heeft de rechtbank in het vonnis van 25 oktober 2023 overwogen dat die afstuiten op het gezag van gewijsde van beslissingen van het hof in het arrest van 16 februari 2021. Als dat juist is, stranden de fraudebeschuldigingen van India reeds op die grond en heeft India geen belang bij afschriften van stukken die deze fraudebeschuldigingen zouden kunnen ondersteunen. Dat geldt dan niet alleen voor zaak 200.334.232 (het hoger beroep van India tegen het rechtbankvonnis), maar ook voor de andere twee zaken. Het hof kiest er daarom voor om eerst inhoudelijk te beoordelen, in alle drie de zaken, of de fraudebeschuldigingen van India afstuiten op het gezag van gewijsde van het arrest van 16 februari 2021, en eerst wanneer het hof tot de conclusie zou komen dat dat niet het geval is, de exhibitievordering met betrekking tot deze beschuldigingen te bezien. Tot dat moment zal het hof de beslissing op deze exhibitievordering aanhouden. 5.35 India heeft haar verzoeken ook gebaseerd op artikel 22 Rv. Dat artikel voorziet in een discretionaire bevoegdheid van de rechter om stukken bij partijen op te vragen en biedt geen grondslag voor een (incidentele) vordering van een partij. Conclusie en proceskosten 5.36 De conclusie is dat in zaken 200.259.875 en 200.317.562 de Amerikaanse vennootschappen in de plaats treden van de Mauritiaanse vennootschappen. Daarmee vervalt in deze zaken de oorzaak voor schorsing c.q. aanhouding van het geding betekend door de Administrateur. Voeging van de Administrateur aan de zijde van de Mauritiaanse vennootschappen in zaak 200.344.232 wordt toegestaan. De overige incidentele vorderingen worden afgewezen. Het hof zal de beslissing over de proceskosten aanhouden tot de eindarresten in de drie zaken. 6 Beslissing Het hof: - stelt vast dat in zaken 200.259.875/03 en 200.317.562/01 de Amerikaanse vennootschappen in de plaats treden van de Mauritiaanse vennootschappen; - laat de Administrateur toe als gevoegde partij aan de zijde van de Mauritiaanse vennootschappen in zaak 200.344.232/01; - houdt de beslissing op de vordering van India tot het verstrekken van afschriften van stukken die de fraudebeschuldigingen van India zouden kunnen ondersteunen, aan; - wijst de overige incidentele vorderingen af; - houdt de beslissing over de proceskosten in alle drie de zaken aan. Dit arrest is gewezen door mr. P. Glazener, mr. J.J. van der Helm en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 in aanwezigheid van de griffier. Trendtex Trading Corp v. Credit Suisse [1982] A.C. 679 (HL). Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU L 177 van 4 juli 2008, nadien gewijzigd. OperaFund Eco-Invest SICAV Plc &amp; Anor v The Kingdom of Spain [2025] EWHC 2874 (Comm). Zaaknrs. RG 24/00151 en RG 24/00152.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354202 · 2026-09-24
