Skip to content
Case Law · Gerechtshof Amsterdam ·ECLI:NL:GHAMS:2026:2675 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Amsterdam, 03-09-2026 (25/2000-GHK)

Gerechtshof Amsterdam
Summary

Beslissing op 8:29-verzoek; wijze indiening 8:29-verzoek in hoger beroep (niet) in overeenstemming met artikel 4 van de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025; verzoek om beperkte kennisneming (gerechtvaardigd).

Full text

GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/2000-GHK 3 september 2026 Beslissing van de enkelvoudige douanekamer, fungerende als geheimhoudingskamer in het hoger beroep van [X] B.V. , gevestigd te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: mr. J.A. Biermasz (Ploum) en in het incidenteel hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane , de inspecteur, tegen de uitspraak van 5 augustus 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/3435 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Voor de loop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank. 1.2. In het (incidenteel) hoger beroep heeft de inspecteur het Hof bij brieven van 15 december 2025 en 20 februari 2026 verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb ten aanzien van respectievelijk: bijlage 2 bij het incidenteel hogerberoepschrift; bijlagen 4, 6, 7, 9 en 12 bij het verweerschrift in eerste aanleg (in de geschoonde versies zoals laatstelijk aan belanghebbende overgelegd). 1.3. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld op de verzoeken te reageren. Bij brief van 15 april 2026 heeft belanghebbende het Hof meegedeeld daartegen geen bezwaar te hebben. 1.4. De geheimhoudingskamer heeft de beschikking gekregen over de ongeschoonde versies van de hiervoor genoemde bijlagen en voorts kennisgenomen van alle tot de datum van deze beslissing in het dossier gevoegde stukken. 1.5. De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een onderzoek ter zitting in de regel (en ook in het onderhavige geval) niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen en een onderzoek ter zitting ook niet nodig is voor de beoordeling van het verzoek van de inspecteur. 2 Overwegingen Vooraf 2.1.1. De omstandigheid dat bij de rechtbank ook een verzoek is gedaan tot geheimhouding of beperkte kennisneming en de rechtbank dat verzoek geheel of gedeeltelijk heeft toegewezen betekent niet dat een dergelijk verzoek in hoger beroep niet opnieuw hoeft te worden gedaan. 2.1.2. In artikel 4 van de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025 (Stcrt. 2024/37719, hierna: de Procesregeling) is beschreven hoe de stukken waarvoor een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 Awb dienen te worden aangeleverd: “Artikel 4 – Geheimhouding en beperkte kennisneming 1. Voor stukken waarvoor een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 Awb kan geen gebruik gemaakt worden van het webportaal. 2. De stukken waarvoor een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 Awb worden op papier in de ongeschoonde versie in een gesloten envelop gedaan. Linksboven op de envelop vermeldt de indiener ‘8:29 Awb’. Deze gesloten envelop wordt met de geschoonde versie van de stukken in een tweede envelop gedaan en per post naar het gerechtshof verstuurd. Op de geschoonde stukken dient per tekstdeel in de kantlijn te worden aangegeven waarom de indiener zich beroept op artikel 8:29 Awb. De geschoonde en ongeschoonde versie hebben dezelfde bladspiegel. 3. Indien de indiener wenst dat ook van (delen van) de motivering de kennisneming wordt beperkt, dan dient hij dit te vermelden in een apart stuk (in dit artikel verder: de mededeling). De motivering dient dan in de eerste gesloten envelop met de stukken te worden gevoegd. De mededeling wordt samen met de eerste gesloten envelop in de tweede envelop gedaan en per post naar het gerechtshof verzonden. 4. Het gerechtshof houdt met het verzoek de motivering geheim te houden dan wel uitsluitend ter kennisname van het gerechtshof te brengen slechts rekening, indien de indiener dat vermeldt in de mededeling en tevens een versie van de motivering overlegt die ook aan de andere partij mag worden gezonden. 5. De in dit artikel bedoelde stukken worden niet in het digitale zaaksdossier geplaatst. De geschoonde versie van de stukken, de mededeling, de versie van de motivering die aan de wederpartij is verzonden en de reactie van de wederpartij daarop, worden in het digitale zaaksdossier geplaatst, evenals de beslissing op het verzoek. Laatstgenoemde stukken worden aan beide partijen ter beschikking gesteld.” 2.1.3. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de stukken waarop het onderhavige verzoek ziet niet (volledig) op de voorgeschreven wijze zijn ingediend. De geheimhoudingskamer heeft er van afgezien om de inspecteur nogmaals te vragen de geschoonde stukken over te leggen op een wijze zoals beschreven in de Procesregeling omdat beoordeling van het verzoek desalniettemin, met name gelet op de beperkte omvang van de stukken waarop het verzoek ziet, mogelijk was. De inspecteur dient er echter rekening mee te houden dat de geheimhoudingskamer verwacht dat in de toekomst verzoeken tot toepassing van art. 8:29 Awb volledig in overeenstemming met de Procesregeling worden ingediend en dat indien dat niet het geval is het verzoek in beginsel zal worden geretourneerd. 2.1.4. De geheimhoudingskamer maakt voorts van de gelegenheid gebruik om kenbaar te maken dat indien het verzoek ziet op namen die de inspecteur om redenen van privacy voor een belanghebbende geheim wil houden, het de sterke voorkeur verdient die persoonsgegevens in de geschoonde stukken aan te duiden met NN gevolgd door een voor iedere persoon ander nummer en aan de ongeschoonde stukken een lijst toe te voegen met de bij die nummers behorende namen. Een dergelijke aanpak kan zelfs onontbeerlijk zijn maar dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Inhoudelijk 2.2.1. Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen of de rechter meedelen dat alleen hij van (gedeelten van) stukken kennis zal mogen nemen. Bij de toepassing van dit artikellid dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding voor belanghebbende rechtvaardigen. 2.2.2. Met een beroep op de bescherming van privacy heeft de inspecteur de volgende gegevens gezwart: In bijlage 2 bij het incidenteel hogerberoepschrift (email met reactie van [A] Sp. z o.o. (hierna: [A] ) op voornemen inspecteur): naam en emailadres van de afzender en emailadres in cc ; In bijlage 4 bij het verweerschrift (invoeraangifte [#] ): EORInummers en een btw-nummer ; In bijlage 6 bij het verweerschrift (controle-opdracht en bevindingen fysieke controle): EORI-nummer van de ‘economic operator’, informatie over een derde (p. 3 en 6) en contactgegevens van douaneambtenaren (p. 3 en 6) ; In bijlage 7 bij het verweerschrift (vooraankondiging wijziging douanewaarde): contactgegevens van de douaneambtenaar en de naam van een medewerker van de Belastingdienst ; In bijlage 9 bij het verweerschrift (controle-opdracht en bevindingen fysieke controle): een (mobiel) telefoonnummer van de douaneambtenaar ; In bijlage 12 bij het verweerschrift (controleopdracht deelcontrole): informatie over natuurlijke personen . 2.2.3. De geheimhoudingskamer overweegt als volgt. De gegevens waarvoor de inspecteur zich heeft beroepen op de bescherming van privacy betreffen gegevens van/over derden en (contact)gegevens van medewerkers van de Belastingdienst. Voor deze gegevens geldt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer dat het belang bij bescherming van deze (persoons)gegevens in het onderhavige geval zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens, met één uitzondering in bijlage 4 (invoeraangifte). Het Hof overweegt dat belanghebbende bekend is met het EORI-nummer van de vertegenwoordiger ( [B] B.V.), namelijk uit zijn eigen aangifte opgenomen als bijlage 3 bij het verweerschrift. Er is dan ook geen gewichtige reden aanwezig om het EORI-nummer van de vertegenwoordiger in bijlage 4 voor belanghebbende geheim te houden. Aangezien belanghebbende reeds over die aangifte beschikt bestaat onvoldoende aanleiding het verzoek van de inspecteur tot beperkte kennisneming op dit punt af te wijzen. 2.2.4. In bijlage 7 (brief vooraankondiging wijziging douanewaarde aan [A] ) heeft de inspecteur voorts het kenmerk van een tweede aangifte van [A] gezwart, met als reden dat deze aangifte niet relevant is voor de onderhavige procedure. In het algemeen geldt dat gewichtige redenen voor geheimhouding niet gelegen kunnen zijn in de omstandigheid dat bepaalde stukken in de visie van de inspecteur niet relevant zijn voor de wederpartij. In dit geval gaat het echter om een enkel kenmerk dat specifiek is gerelateerd aan een derde. Het Hof acht beperkte kennisneming van dit gegeven gerechtvaardigd – ook op grond van de bescherming van privacy van deze derde. Slotsom 2.3. De geheimhoudingskamer acht de door de inspecteur gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd. 3 Beslissing De geheimhoudingskamer: wijst het verzoek tot beperkte kennisneming toe; stelt het dossier in handen van de kamer die de hoofdzaak behandelt. De uitspraak is gedaan door mr. F.J.P.M. Haas, lid van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 3 september 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze tussenbeslissing staat geen rechtsmiddel open. Een afschrift van deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: