# Rechtbank Amsterdam, 17-09-2026 (13-054371-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:9322
- Date: 2026-09-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A9322
- Canonical: https://overview.legal/posts/354209

## Summary

Vervolgings-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Artikel 11 OLW: individueel gevaar aangenomen.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-054371-26 Datum uitspraak: 17 september 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 26 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2025 door the Regional Court in Olsztyn, II Criminal Department , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 15 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 29 juli 2026 Bij tussenuitspraak van 29 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen over de detentieomstandigheden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Daarnaast heeft de rechtbank de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 3 september 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 29 juli 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (onder 5.1). Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 4. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Poolse remand regimes Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5.2 van de tussenuitspraak van 29 juli 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van de vragen die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geformuleerd, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 11 augustus 2026 - voor zover relevant - het volgende geantwoord: “ (...) In view of the above, any information previously provided with regard to the person in question should be understood as information concerning a person suspected of an offence, against whom criminal proceedings are being conducted, and not a person convicted in a final and binding judgment. At the present stage of the proceedings, it is also not possible for this Court to indicate the specific prison or other penitentiary institution in which the person in question will be held in the future. (...) At the same time, it may be assumed with a high degree of probability that, if the person in question were placed in the penitentiary institution nearest to their registered or actual place of residence in Poland and falling within the territorial jurisdiction of this Court, they could be detained in one of the two penitentiary institutions located within that area, namely the remand Centre in Olsztyn [Areszt Śledczy w Olsztynie] or the Prison in Barczewo [Zakład Kanry w Barczewie]. The above is, however, provided for information purposes only and does not constitute a guarantee that the person in question will be placed in either of these institutions. Turning to the issue of the amount of time that a person held in a penitentiary institution may spend outside their cell, it should be pointed out that the provisions of Polish law do not prescribe a single, legally guaranteed “average number of hours” that may be spent outside the cell per day. It is, however, possible to identify the minimum entitlements arising from the provisions in force. In view of the above, the most precise and objectively justifiable answer is that, under normal circumstances, a person held in provisional detention should be afforded the opportunity to take a walk of at least one hour per day. Inmates have the opportunity to participate in cultural and educational activities, as well as activities organized in the common rooms of the residential units, in accordance with a schedule approved by the director of the penitentiary institution. The activities take place twice a week and each session lasts one hour. In addition, inmates may participate in religious meetings held once a week, each session lasting approximately two hours. (...). ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat in de aanvullende informatie van 11 augustus 2026 door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Naar Pools recht is er geen gegarandeerd gemiddeld aantal uren dat een gedetineerde buiten zijn cel kan verblijven. Naast een dagelijkse wandeling van één uur is het onduidelijk hoe vaak en hoe lang de opgeëiste persoon kan deelnemen aan overige activiteiten buiten zijn cel. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 augustus 2026 volgt dat eerder verstrekte informatie met betrekking tot de opgeëiste persoon moet worden beschouwd als informatie over een persoon die wordt verdacht van een strafbaar feit. De rechtbank stelt daarom vast dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie van 18 juni 2026 en 11 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in the Remand Centre in Olsztyn of in the Prison in Barczewo en dat 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, wordt gegarandeerd. In de aanvullende informatie van 11 augustus 2026 wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De rechtbank kan ook niet op basis van de verstrekte aanvullende informatie vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo'n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Uit de aanvullende informatie blijkt dat gedetineerden tweemaal per week gedurende één uur kunnen deelnemen aan culturele en educatieve activiteiten en activiteiten die worden georganiseerd in de gemeenschappelijke ruimten. Daarnaast kunnen gedetineerden één keer per week gedurende ongeveer twee uur deelnemen aan religieuze activiteiten. Verder hebben personen in voorlopige hechtenis het recht op een dagelijkse wandeling van één uur. Dit betekent dat de verstrekte informatie op dit moment nog steeds onvoldoende is om het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat voor de opgeëiste persoon, in geval van overlevering aan Polen, een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen. Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. Verlenging van de beslistermijn De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 20 september 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 17 oktober 2026 en 27 oktober 2026 . HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid en onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend op 19 november 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. I. Verstraeten en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 29 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7742.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/354209 · 2026-09-24
